Zwalkend tussen ontvoogding en bemoeienis

De nu 80-jarige Pronk is geen buitenstaander als het over Suriname gaat. Integendeel. Hij is een van de politieke architecten die vrijwel voortdurend aanwezig was in de kraamkamer van een nieuwe natie en die daarom ook van binnenuit de Nederlandse inbreng bij dit dekolonisatieproces kan beschrijven. Deze invalshoek maakt dit boek alvast tot een pièce unique.

Beschouwingen en commentatoren over hoe Nederland in de vorige eeuw afscheid heeft genomen van zijn koloniën in de Oost (Nederlands-Indië) en de West (Suriname) raken, ook zolang na de feiten, gevoelige snaren aan. Dat blijkt onder meer uit de grote aandacht die in Nederland besteed wordt aan ‘Revolusi’ waarin de Nederlandstalige Belgische auteur David Van Reybrouck (die onder meer zijn sporen verdiend heeft met ‘Congo, een geschiedenis’) als buitenstaander zich buigt over het meer dan pijnlijke Indonesische dekolonisatieverhaal. (1)
Enkele maanden daarvoor verscheen van Jan Pronk een kanjer van een boek met als titel ‘Suriname van wingewest tot natiestaat’. De nu 80-jarige Pronk is geen buitenstaander als het over Suriname gaat. Integendeel. Hij is een van de politieke architecten die vrijwel voortdurend aanwezig was in de kraamkamer van een nieuwe natie en die daarom ook van binnenuit de Nederlandse inbreng bij dit dekolonisatieproces kan beschrijven. Deze invalshoek maakt dit boek alvast tot een pièce unique.
Is dit boek dan een soort testament geworden waarin een oude hoofdrolspeler alsnog een pro domo pleidooi houdt? Neen, dat is het zeker niet, schrijft de auteur zelf: ‘Het is geen geschiedschrijving geworden, waarbij de historicus mede aan de hand van nieuwe kennis en inzichten terugkijkt. Het is ook geen journalistiek, bedreven door iemand die van buitenaf naar gebeurtenissen en processen kijkt.’ (p. 502)
Wat is het dan wel? Jan Pronk heeft een beschrijving willen geven van binnenuit, als deelnemer, en hij vermeldt daarbij steeds met welke dilemma’s de Nederlandse politici te maken kregen. Dat doet hij zeer uitvoerig vanuit de ik-persoon en met zeer veel details waarvan surinamisten zeker zullen kunnen smullen en daarvoor baseert hij zich niet alleen op zijn geheugen, maar vooral op zijn aantekeningen die hij gedurende de hele periode (en die loopt voor hem van 1971 tot 2000) bijna dagelijks ter plekke, vaak in Paramaribo zelf, maakte. Die worden uitgeschreven in zo maar eventjes 31 hoofdstukken waarin hij niet alleen verantwoording aflegt over de politieke opstelling van de verschillende Nederlandse regeringen die bij dat proces betrokken waren, maar die hij ook aanvult met zijn kennis over de brede internationale ontwikkelingen waarbij hij later, na zijn ministerschap, vanuit zijn verschillende functies voor de Verenigde Naties ten zeerste betrokken was.

Een buitenbeentje

De stellingname in dit boek zijn natuurlijk van Jan Pronk en mogen niet verward worden met officiële Nederlandse standpunten, voor zover die al bestaan en gepubliceerd zijn, rond die periode in de Surinaamse geschiedenis. Pronk is trouwens een buitenbeentje in de Nederlandse politiek. Dat was hij ook binnen zijn partij, de Partij van de Arbeid, waarbinnen hij tot de linkervleugel behoorde. Hij was een uitgesproken tiersmondist en specialiseerde zich tijdens zijn studies bij Tinbergen in de economie van ontwikkelingslanden en in internationale relaties. Hij was minister in vier kabinetten: Den Uyl, Lubbers III, Kok I en Kok II en hij maakte ook deel uit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bijna vijftig jaar was hij lid van de Partij van de Arbeid maar in 2013 maakte Pronk bekend dat hij zijn lidmaatschap van de PvdA had opgezegd, omdat hij meende dat de PvdA zich steeds verder van de beginselen van de sociaaldemocratie had verwijderd. Ook zijn standpunten in verband met het afscheid nemen van de Nederlandse koloniën werden in Nederland niet door iedereen gedeeld. Zijn pleidooi voor het aanbieden van excuses aan Indonesië, wegens de ‘politionele acties’ van Nederland tegen de Indonesische republiek die in 1945 de onafhankelijkheid had uitgeroepen, werd niet door iedereen gewaardeerd en werd door sommige ex-KNIL-militairen zelfs betiteld als een dolkstoot in de rug. En niet alleen door hen als je van David Van Reybrouck leest.
Ook zijn houding ten aanzien van Suriname, de onafhankelijkheid werd uitgeroepen in 1975 tijdens het kabinet-Den Uyl waarin Pronk minister van Ontwikkelingssamenwerking was, werd niet door iedereen geapprecieerd, noch van Nederlandse kant, noch van Surinaamse. De brandende huizen van de coverfoto, genomen in de Watermolenstraat van Paramaribo, net op het ogenblik dat Arron, Den Uyl en Pronk over de onafhankelijkheid aan het vergaderen waren, illustreren hoe warm het er op dat ogenblik aan toeging.

Laveren

Pronk moest voortdurend laveren tussen zijn tiersmondisme en zijn warm hart voor de problematiek van ontwikkelingslanden en tussen zijn positie als Nederlands minister die de belangen van zijn land moest verdedigen. Het is dat spanningsveld dat heel dit boeiende boek een eigen, soms tragische ondertoon geeft. Het is onbegonnen werk om de inhoud van heel zijn verhaal in een recensie tot zijn recht te laten komen – dat wordt een detailstudie waar Surinaamse en Nederlandse onderzoekers zich zeker met een vergrootglas over zullen buigen – en daarom beperk ik mij tot het aangeven van dat spanningsveld van waaruit dit boek geschreven is. Jan Pronk is zich daar uiteraard zeer goed bewust van en hij formuleert zijn moeilijke positie als volgt. ‘Als Nederlands politicus voerde ik gedurende een jaar of dertig beleidsinhoudelijke gesprekken met regeringen van tientallen ontwikkelingslanden. Dat gebeurde altijd respectvol, maar ik kon mij kritische opmerkingen veroorloven zonder het verwijt te krijgen dat het land dat ik vertegenwoordigde net zoveel kritiek verdiende.’( p. 418) Maar, zo voegt er dadelijk aan toe, voor Suriname en Indonesië lag dat compleet anders. ‘In een dialoog met leiders van deze twee landen, die zich aan het door ons opgelegde juk ontworsteld hadden, had ik altijd het gevoel een portie schuld uit het verleden met me mee te dragen, zodat het mij eigenlijk niet paste kritiek uit te oefenen.’ Even verder schrijft hij bijna hetzelfde: ‘We hadden geen schuldgevoel, maar wel schuldbesef en we wisten ons verantwoordelijk. Dat ethische uitgangspunt, naast overwegingen van rationaliteit, was van vitaal belang voor onze opstelling tijdens de onafhankelijkheidsbesprekingen.’ (p.481) ‘Schuldgevoelens’ of noem het ‘schuldbesef’ bij iemand die mee in de kraamkamer stond van een wingewest die natiestaat werd: dat is een constante in het denken en handelen van Jan Pronk, en zeker ook van Joop den Uyl, hoewel hij dat met niet met zoveel woorden zegt. Hier spreekt de tiersmondist en niet zozeer de Nederlandse minister die hij ook was en daartussen is het moeilijk laveren, want, zo schrijft hij: ‘Aan de andere kant: voor de besteding van de ontwikkelingshulp was ik verantwoording verschuldigd aan het Nederlandse parlement en de Nederlandse belastingbetaler. Die waren kritisch, veel Kamerleden zelf buitensporig kritisch. Ik kon die kritiek niet negeren, maar moest trachten haar te pareren met inhoudelijke argumenten, gevoed door bevindingen in Suriname zelf.’ (p. 418).
Ook binnen de eigen partij stuitte Jan Pronk op heel wat weerstand in verband met zijn Suriname-politiek. De neuzen wezen niet allemaal in dezelfde richting. Dat schrijft ook John Jansen van Galen in zijn ‘Het Surinamesyndroom’ waarin hij de houding van de PvdA tussen Den Haag en Paramaribo beschrijft als zwalkend tussen ontvoogding en bemoeienis. (1) Dat voortdurend balanceren tussen interventionisme en non-interventionisme is de rode draad in Jansen van Galens boek en dat spanningsveld is ook terug te vinden in bijna alle hoofdstukken van Jan Pronk, van vóór de onafhankelijkheid tot 2000 en later ook nog wanneer hij de Surinaamse politiek iets minder op de voet volgt. ‘Het grote dilemma was: begeleiden naar de toekomst of loslaten? Ook de staatsgreep in 1980 en de Binnenlandse Oorlog in de jaren tachtig leidden tot grote meningsverschillen binnen de PvdA. ‘Er was een stroming onder leiding van zwaargewicht Bram Peper, die vond dat men zich moest onthouden van interventie. Anderzijds was er een stroming die de coup juist afwees. Na de decembermoorden veranderde de situatie. Binnen de PvdA koos men voor interventionisme, voor afwijzing van het militaire regime. Ook de opschorting van de ontwikkelingshulp leidt tot forse meningsverschillen,’ schrijft Jansen van Galen die in 2000 naar aanleiding van de 25-jarige onafhankelijkheid van Suriname in het Amsterdamse Tropenmuseum een gesprek leidde tussen Jan Pronk en de Surinaamse politieke hoofdrolspelers Henck Arron en Jagernath Lachmon.

Rekenschap geven

Naar die bijeenkomst verwijst ook Jan Pronk uitvoerig in zijn laatste en misschien wel belangrijkste hoofdstuk ‘Rekenschap’ waarin hij op de laatste bladzijden de vraag stelt ‘Had het anders gemoeten?’ Hij somt zeven maatregelen op die volgens hem niet goed zijn uitgedraaid. Ik beperk me tot het vermelden van de laatste drie omdat de andere te veel achtergrondstoelichting zouden vergen. Helemaal op het laatste moment van de onderhandelingen voor de onafhankelijkheid kwamen de Surinaamse onderhandelaars met de vraag om te helpen bij de opbouw van een ‘ontwikkelingsleger’. Nederland is daar uiteindelijk op ingegaan en dat is volgens hem funest gebleken, want dat heeft kunnen leiden tot de militaire staatsgreep van 1980 en tot de machtspositie van Bouterse die tot op vandaag blijft voortbestaan. Ook de uitzending van een militaire missie voorgezeten door de Nederlandse kolonel Valk die zich gedroeg als een ongeleid projectiel was even funest. Dat gaat ook op voor de steun die het kabinet-van Agt gaf aan de door Bouterse neergezette regering die een dolkstoot betekende in de rug van de democratisch gekozen premier Arron die door Bouterse gevangen gezet was.

God kan niet dekoloniseren

Dit is een zeer onvolledige weergave die de genuanceerde, beschouwende toon van een zeer rijk boek zeker onrecht aandoet. Wie de historisch-politieke achtergronden kent die Pronk naar voren haalt, zal zeker geboeid worden door het verhaal van deze Nederlandse outsider die toch ook voor een stuk insider is geworden, maar het blijft natuurlijk een Nederlands perspectief en dat is hoe dan ook anders dan het Surinaamse. Dat werd onder meer zeer hard en lucide vertolkt door de overleden Nederlandse-Surinaamse auteur Anil Ramdas, maar ook door de Surinaamse socioloog Marten Schalkwijk die in zijn boek ‘Suriname, een steentje in de Nederlandse schoen’ schreef dat ‘Suriname steeds een worstjesgevoel had’. Volgens hem werd Paramaribo steeds een worstje (door Den Haag ‘ijkpunt’ genoemd) voorgehouden als beloning voor een kunstje dat het moest vertonen. Maar als het dat eenmaal onder de knie had, hield Nederland de stok waaraan het worstje bungelde al weer iets verder naar voren.
En wat denkt de journalist John Jansen van Galen en dus niet-politicus, maar wel Nederlandse Surinamekenner met ongeveer even veel jaren Suriname op zijn teller als Jan Pronk van dat ‘Afscheid van de koloniën’? In zijn ‘Het Surinamesyndroom’ citeert hij met instemming de politicoloog en PvdA-denker Prof. Jos de Beus die zegt dat Nederland nu eenmaal de neiging heeft zich ten opzichte van de wereld enigszins goddelijk op te stellen. ‘God kan niet dekoloniseren,’ zegt hij ironisch. ‘Het progressief geweten evenmin.’

(1)‘Er waren in Indonesië al vroeg stemmen voor onafhankelijkheid, die werden dan oproerkraaiers genoemd en verbannen naar een soort Nederlandse goelag in Nieuw-Guinea. Meer dan duizend mensen zijn daar beland, sommigen zaten er vijftien jaar van hun leven vast. Maar dat is nauwelijks bekend in Nederland. Bij de presentatie van mijn boek werd ik geïnterviewd door Matthijs van Nieuwkerk, en hij wist niet dat Nederland zo’n ballingsoord had gehad. Dat zoiets daar geen collectieve kennis is, dat kan toch niet? Daar heeft het onderwijs gefaald.’ (David Van Reybrouck in De Morgen van 31 december 2020)
(2)John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. “Kapotte plantage, een Hollander in Suriname” (een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), “Hetenachtsdroom” (over het Surinaamse nationalisme), “Het Suriname-syndroom” (over het beleid van de Partij van de Arbeid), “Laatste gouverneur en eerste president” (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) en het vuistdikke ‘Afscheid van de koloniën’ (2013) zijn de belangrijkste titels.

Suriname van wingewest tot natiestaat
Jan Pronk
LM Publishers, Volendam
2020
560 blz.
9789460225161
(Visited 85 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).