Zonder politieke druk was er geen sprake van een PKK-proces

Eind januari maakte het Hof van Cassatie een einde aan een reeks van rechtszaken tegen de Koerdische Arbeiderspartij PKK, haar gewapende vleugel, de Volksverdedigingskrachten van de HPG en Roj TV.
Het verwierp het beroep dat het federaal parket had ingesteld tegen twee arresten van de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) die 42 Koerden die beschuldigd werden van PKK-lidmaatschap buiten vervolging stelde. Het federaal parket wilde hen veroordeeld zien op basis van de terrorismewetgeving. Daarmee bevestigde het Hof van Cassatie de arresten van de Brusselse raadkamer en de KI die stelden dat het Turks-Koerdische conflict beschouwd moet worden als een gewapend conflict waarop de terrorismewetgeving niet van toepassing kan zijn. Zo komt er een eind aan een lange procedureslag die al 14 jaar aan de gang was en eigenlijk al teruggaat tot 1996.

Belangrijke uitspraak van het Hof van Cassatie

Om verschillende redenen gaat het om een belangrijke uitspraak. Vooreerst omdat ze heel wat gevolgen kan hebben voor de Koerdische strijd, de relaties met Turkije en de internationale context waarin de Koerdische kwestie is ingebed.
Ten tweede omdat deze zaak heeft aangetoond dat er wat schort aan het principe van de scheiding der machten. Politierazzia’s, arrestaties en gerechtelijke vervolgingen tegen PKK-leden en organisaties die verdacht werden van banden met de PKK, hadden wellicht nooit plaatsgevonden zonder politieke druk. Het verklaart de hardnekkigheid waarmee politiediensten en federaal parket zich in deze zaak vastbeten en keer op keer vruchteloos in beroep gingen, hoewel de bewijslast over de ten laste gelegde feiten flinterdun of onbestaande was. Uiteindelijk hebben onze gerechtelijke instanties geweigerd om mee te gaan in dit politieke circus en hebben ze er terecht voor gekozen om de principes van de rechtsstaat te respecteren.
Ten derde is het merkwaardig dat de uitspraak van Cassatie en de hele gang van zaken de afgelopen jaren weinig stof deed opwaaien. Dat is vooral zo gelet op het feit dat onze regering, bij monde van minister van Buitenlandse Zaken Philippe Goffin verklaart dat de Belgische regering geen rekening zal houden met het arrest. Goffin en zijn collega’s in de regering weten drommels goed dat de PKK een guerrillastrijd voert tegen een autoritair bewind en met andere woorden alle kenmerken vertoont van een partij in een gewapend conflict. Dat onze regering desondanks blijft vasthouden aan het label ‘terroristisch’ voor de PKK, is omdat ze de Amerikaanse en Turkse NAVO-bondgenoten niet nog meer voor het hoofd wil stoten, na jarenlange lobby-inspanningen en het uitoefenen van politieke druk.

Cables

De honderden geheime ‘cables’ (diplomatieke briefwisseling) van Amerikaanse ambassades in Ankara, Washington en verschillende Europese hoofdsteden die de klokkenluiderssite WikiLeaks over de PKK in 2011 lekte, laten in dat opzicht aan duidelijkheid niets te wensen over. Het is eigenaardig dat er zo weinig aandacht is aan besteed.
Op 2 mei 2006 wordt vanuit de VS-ambassade in Ankara een ‘geheime’ cable uitgestuurd: “Net als bij Frankrijk en Duitsland, moeten we werk maken van een langdurige, samenwerkingsinspanning met de Belgische autoriteiten en de Turkse ambassade, politie en inlichtingendiensten om informatie te ontwikkelen die zal leiden tot de arrestatie, detentie en idealiter uitlevering van belangrijke PKK-leiders in België.” De Turkse autoriteiten tonen zich volgens de Amerikaanse ambassade in Ankara “zeer gefrustreerd” over België omdat ons land er niet in slaagt tot “tastbare acties” te komen tegen “Turkse terroristen” in ons land. Tussen 2006 en 2009 passeren er zo tal van cables die België ertoe moeten aanzetten een rechtszaak te openen tegen de PKK. In die periode zouden er ook drie ontmoetingen plaatsvinden tussen vertegenwoordigers van de Belgische regering en hoge functionarissen van de VS.

Onderzoek naar zender Roj TV

Het verhaal begint evenwel nog veel vroeger. De Turkse regering deed een beroep op Washington, nadat een eerdere gerechtelijke procedure tegen de Koerdische TV-zender in Denderleeuw op een complete sisser was afgelopen. In 1996 al startte het Belgische gerecht een onderzoek naar het productiehuis van de Koerdische Televisie, Roj TV. Dat was een gevolg van een samenwerkingsakkoord dat de toenmalige rijkswachtcommandant De Ridder afsloot met zijn collega van de Turkse inlichtingendiensten (MIT).
Ook hier was het politieoptreden politiek geïnspireerd. De Brusselse rechtbank verklaarde zich in dit zogenaamde Sputnik-proces onbevoegd, wat in beroep werd bevestigd. Er kon bovendien niets strafrechtelijks ten laste worden gelegd. De beschuldigingen van bendevorming, witwaspraktijken, afpersing, mensenhandel, valsheid in geschrifte en wapendracht tegen een aantal beklaagden konden niet hard worden gemaakt. Het “gefrustreerde” Ankara reageerde furieus en haalde alles uit de kast opdat België nieuwe dossiers zou openen gericht tegen de PKK, en breder, tegen de Koerdische politieke beweging. Begin 2008 kwam het tot een ontmoeting tussen de Turkse vice-premier en de Belgische ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.
Een klein jaar later trekt federaal procureur Delmulle naar Turkije en amper twee maanden later opent deze een nieuw onderzoek, ook al beschikt hij over weinig harde argumenten om effectief tot vervolging over te gaan. Washington wil helpen en stuurt de VS-ambassadeur uit Ankara naar Europa om er met de “Belgische regering en de Denen te praten over de PKK en de samenwerking te promoten om Roj-TV te sluiten”. In 2010 resulteert dat in een grote politie-operatie op 18 locaties tegen 36 PKK-verdachten onder wie leidinggevende figuren van het Koerdisch Nationaal Congres in Brussel en Koerdische media. Er volgen arrestaties.
Na jaren van procederen loopt het allemaal opnieuw op niets uit, maar blijft er een bittere nasmaak aan de hele zaak kleven. Het is immers heel duidelijk geworden dat de scheiding tussen uitvoerende en rechterlijke macht behoorlijk artificieel kan zijn. En dat doet vragen rijzen.

Cynische BZ-minister Goffin

De reactie van minister van Buitenlandse Zaken Goffin is in dat opzicht uitermate cynisch. Hij beriep zich immers op uitermate creatieve wijze net op het principe van de scheiding der machten, om te argumenteren dat de uitspraak van Cassatie niets zal veranderen aan de Belgische houding tegenover de PKK die wat onze regering betreft zoals voorheen een terroristische organisatie blijft.
Het is afwachten hoe procedures in onder meer Duitsland zullen verlopen en wat er zal gebeuren met het beroep tegen de uitspraak van het Europees Hof van Justitie, dat vorig jaar oordeelde dat de PKK onterecht op de Europese terreurlijst is geplaatst. De Belgische uitspraak is alleszins een belangrijke precedent dat grote politieke gevolgen kan hebben. De erkenning dat de PKK een niet-statelijke partij is in een gewapend conflict opent immers de deur voor een politieke oplossing.

About Ludo De Brabander

Ik ben redactielid en medeoprichter van Uitpers. Je kan me ook vinden als woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van mijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Ik ben co-auteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).