Zijn er binnenwegen naar het andere Europa?

In de debat-sectie van Uitpers 105 (januari 2009) publiceert Francine Mestrum onder de titel “Europese verdragen, de linkerzijde en democratie” een aantal standpunten i.v.m. het Verdrag van Lissabon, het Ierse Neen daarover en meer algemeen over de houding van “links” in de Europese Unie. Een debat is natuurlijk alleen gebaat bij meerdere – en liefst afwijkende – stemmen, en ik wil daar graag mijn steentje toe bijdragen.

Kort samengevat verdedigt Mestrum hetvolgende. (1) Het is niet ondemocratisch als men probeert via een tweede referendum het Verdrag van Lissabon in Ierland goedgekeurd te krijgen; (2) het linkse gejuich bij het Ierse Nee is misplaatst, zeker inzoverre het niet alleen het Verdrag van Lissabon betreft, maar de Europese Unie zelf; (3) “We” (links) moeten dringend in de Europese instellingen actief worden, want “de EU heeft geen behoefte aan discussies ‘voor’ of ‘tegen’ maar aan een politieke oppositie” en “enkel ‘nee’ zeggen is bijzonder steriel en heeft de afgelopen vijftig jaar niets, maar dan ook niets opgebracht“.

Deze standpunten zijn verrassend, omdat Francine Mestrum toch onder andere bekend is of was als prominent lid van Attac-Vlaanderen (o.a. coordinator van de wetenschappelijke raad ervan) en in die hoedanigheid heeft deelgenomen aan Attac-campagnes tegen de Europese grondwet, waarvan het Verdrag van Lissabon de reïncarnatie is. Verrassend ook als men vanuit andersglobalistische hoek de bedenkelijke manoeuvres verdedigd ziet waarmee de Europese hoofdkwartieren hun verdrag willen redden. Verrassend tenslotte omdat de voorgestelde strategie voor links, nl. partijpolitieke oppositie te worden binnen de instellingen, vraagtekens lijkt te plaatsen bij de bestaansreden zelf van autonome sociale bewegingen. Redenen genoeg dus om in te gaan op de voorgestelde discussie.

Vooraf nog een “stilistische” opmerking. Een helder debat is ten zeerste gebaat bij een helder taalgebruik. Het is daarom jammer dat termen als “links” of “democratie” hier zo nonchalant gehanteerd worden. “Waarom de linkerzijde zo blij is met het negatieve resultaat [van het Ierse referendum] is dus niet meteen duidelijk“, schrijft Mestrum; of nog: “De linkerzijde moet zich ernstig bevragen over haar anti-EU-houding.” De titel spreekt eveneens over de linkerzijde. Ik zou daaruit logischerwijze moeten besluiten dat “de linkerzijde” voor haar de sociaal-democratie en het gros van de Europese groenen uitsluit, want zij waren helemaal niet blij met het negatieve resultaat. Toch is dit hoogstwaarschijnlijk niet de bedoeling, want Mestrum wil net aansluiten bij bondgenoten in politieke partijen. Elders is er dan weer sprake van “klein-links” (dat volgens Mestrum rond het Ierse referendum “zo makkelijk kon aansluiten bij extreem-rechts” (1) –sic). Er wordt geen enkele partij of politieke familie genoemd, men heeft dan ook een beetje het raden naar de precieze invulling van vage aanduidingen als “links” of “klein-links”.

Dezelfde vaagheid over het begrip democratie, nochtans ook een sleutelkwestie in Europees verband. “De methode van de Europese Conventie die de ontwerpgrondwet schreef was verre van ondemocratisch“. Welk criterium wordt hier gebruikt? Europese politici hebben Giscards Conventie vanzelfsprekend als een toonbeeld van democratie bestempeld (werden de verslagen tenslotte niet op de Conventie-website gepubliceerd?) maar daar dachten de meeste andersglobalisten, ecologisten of de vredesbeweging toch anders over. (Zelfs SP.a Europarlementslid Anne Van Lancker, die hemel en aarde had bewogen om toch maar een werkgroep sociale politiek in de Conventie te krijgen, werd door Giscards presidium als een paria behandeld, in scherp contrast met de wapenlobby.) Het lijkt er voor Mestrum soms op dat democratie gelijk staat aan het deelnemen aan de besluitvorming binnen de bestaande instellingen. “Wat is er democratisch aan het compromisloos pleiten voor de eigen prioriteiten en niets dan de eigen prioriteiten?”, vraagt ze zich af i.v.m. de zogezegde weigering van de linkerzijde om haar invloed te laten gelden.

Hoe dan ook, de boodschap van het opiniestuk blijft duidelijk genoeg, en we gaan nu kort in op de drie vermelde stellingen.

Is de verontwaardiging over de organisatie van een tweede Iers referendum misplaatst? Mestrum argumenteert dat dergelijk tweede referendum democratisch is omdat aan de belangrijkste Ierse bezwaren of bekommernissen wordt tegemoetgekomen. Uit opiniepeilingen konden de Europese beleidsmakers immers afleiden wat het meeste kwaad bloed zette, en ze pareerden dit met een aantal verklaringen of beloftes (elk land, dus ook Ierland, zou een commissaris behouden, aan de mogelijkheid tot fiscale dumpingtarieven wordt niet getornd enz.). “Kortom”, besluit Mestrum, “alle problemen van de Ierse bevolking worden in aanmerking genomen. In welk opzicht is een tweede referendum dan ‘ondemocratisch’?” Dit soort “sociologische deconstructie” van stemresultaten wordt door politici steeds vaker gehanteerd, vooral in de Europese context, en men vraagt zich af wanneer verkiezingen zullen vervangen worden door opiniepeilingen. (Men hoeft er de burgers zelfs niet echt mee lastig te vallen, een geautomatiseerde analyse van lezersbrieven, een doorlichting van het e-mailverkeer en enkele gerichte interviews met opiniemakers zouden misschien al volstaan.) Opiniepeilingen “bewezen” dat het Franse Non niets met Europa maar alles met de Franse politiek (of de anti-Turkse gevoelens) te maken had, Verhofstadt zag vooral dat de jongeren (“die de oorlog niet meegemaakt hebben”) wat minder Oui zegden, enz. Ik beperk mij tot één vraag over dit soort postmoderne democratie: wie bepaalt welke opiniepeilingen wanneer en onder welke bewoordingen gehouden worden, wie interpreteert ze en wie concludeert tot een nieuwe stemronde? Waarom heeft niemand een tweede ronde gevraagd na het Spaanse Si over de Europese grondwet (al was het maar omdat minder dan de helft van de kiesgerechtigden kwam opdagen)? Dat het Mestrum gemeend is met de chemische analyse van stemresultaten blijkt nog uit haar verbazing over het feit dat Attac het Ierse No toejuicht, en bijgevolg ook de fiscale dumpingtarieven. Men kraaie bijgevolg niet te vroeg victorie als de VLD eens een verkiezingspandoer krijgt, want misschien kreeg ze die wel om de verkeerde redenen!

Tweede argumentatielijn: achter de vreugde over de Ierse afwijzing van het Verdrag van Lissabon zou wel eens een regelrechte afwijzing van de Europese Unie zelf kunnen schuilen (die men als een “kapitalistische constructie” beschouwt, waarvan men alleen de huidige neoliberale “klemtonen” ziet).

Voor de helderheid van het debat wil ik hierop een ondubbelzinnig antwoord geven (en ik denk dat ik daarmee niet alleen mijn persoonlijk standpunt vertolk): Ja, het is omdat de Europese Unie in haar plannen gedwarsboomd wordt, omdat ze verzwakt wordt dat ik me verheug over de Ierse afwijzing. Alleen moet ik hier voor de duidelijkheid aan toevoegen dat voor mij “Europese Unie” (EU) geen synoniem is voor “Europese samenwerking”. Voor Mestrum (en hierbij baseer ik me op méér dan dit ene opiniestuk) is de EU niet zomaar een politieke constructie, maar (weliswaar onvolmaakte) realisatie van de Europese wil tot samenwerking, integratie, eenheidsstreven of hoe je het ook noemen wil. Extra Ecclesiam nulla salus! Wie de EU bestrijdt, komt gevaarlijk dicht in de buurt van enge nationalisten, souvereinisten, ja, van extreem-rechts… Deze gedachtengang klinkt welbekend; vormt hij geen onderdeel van het overlevingspakket van elke partijpoliticus wanneer hij/zij zich aangevallen weet over de Europese politiek?

Nochtans lijkt het niet zo moeilijk om in te zien dat de intergouvernementele, ondemocratische, op internationale verdragen gesteunde, van meetaf aan op de markt gerichte constructie die nu EU heet, slechts één van de mogelijke – en mogelijks een van de slechtste – invullingen van Europese samenwerking is. Moet wie dit inziet zich toch neerleggen bij het “reëel bestaande Europa” (d.w.z. de EU), omdat het nu eenmaal reeds zoveel invloed heeft verworven of omdat het niet op afzienbare tijd kan vervangen worden door iets beters? Neenee, niet neerleggen zegt Mestrum, maar in of via de bestaande structuren gaan werken om ze te verbeteren waar nodig. Daarmee wordt eigenlijk de zin van autonome sociale bewegingen in twijfel getrokken; we komen er nog op terug bij de bespreking van het derde punt, dat van een linkse strategie.

Misschien heeft Mestrums grote “inschikkelijkheid” met de bestaande Europese realiteit te maken met een inschatting van de rol en de realisaties van de EU die positiever is dan gangbaar in linkse analyses (“links” in de zin van links van de sociaal-democratie). “Wat zou België – of Vlaanderen! – in de huidige mondialisering overigens nog betekenen zonder EU?” vraagt ze zich af. Merkwaardig standpunt, aangezien de EU net de regionale pool is van de neoliberale globalisering. Is het niet de EU, in de persoon van de Eurocommissaris voor handel, die haast dictatoriale bevoegdheden heeft om in naam van Vlaanderen, België en alle lidstaten de verdere liberalisering van de wereldhandel te gaan bepleiten in de Wereldhandelsorganisatie?

Ook elders (mede-)ondertekende Mestrum “evenwichtige” analyses van het Europees beleid, in een reeks standpunten uitgaande van de door haar (alsdan?) gecoördineerde “wetenschappelijke raad” van Attac-Vlaanderen; men kon er een toenemende afstand tot de gangbare opvattingen binnen de Europese Attacs in vaststellen. Zo luidt het in een reactie(2) op een gemeenschappelijk standpunt van Europese Attacs na het Franse Non: “Moet het stabiliteitspact echt verdwijnen als we de Euro willen behouden of moet het worden aangepast en eventueel vervolledigd? Moet de sociale agenda echt verdwijnen of moeten we er de voor ons belangrijke punten uit bewaren? Moet echt het hele beleid van de Europese Unie onder de hamer? Het milieubeleid? Voor de gelijkheid van man en vrouw? Voor de bescherming van de consument? Dit zijn zaken waarin de Europese Unie veel progressiever is dan de meerderheid van de lidstaten. Wij moeten goed nadenken over die sectoren waarin de Unie een meerwaarde kan bieden en waar zij dat niet doet of niet kan doen.

Ik denk dat men zich met dergelijke analyses in een impasse werkt. Er zijn weinig of geen politieke systemen die geen enkele positieve realisatie kunnen voorleggen: de Iraakse gezondheidszorg en het onderwijs kenden grote vooruitgang onder Saddam Hussein, het sovjetbewind heeft onder Stalin de zware industrie uitgebouwd … We kunnen echter onmogelijk een politiek regime langs deze lijnen taxeren. Als er onder de auspiciën van de EU positieve zaken tot stand gebracht zijn (en die zijn er, geen twijfel!) dan illustreert dat in de eerste plaats dat degenen gelijk hebben die een Europees politiek niveau noodzakelijk achten om in de eenentwintigste eeuw oplossingen te bieden aan een aantal (economische, ecologische, sociale …) problemen. Wat zou er zoal niet kunnen gerealiseerd worden in een democratische Europese structuur waar de meerderheid (“de volkeren”) beslist over zijn toekomst, als er al positieve realisaties zijn in de Europese Unie ondanks de ondemocratische structuren en het asociale beleid??

Daarmee zijn we al met een half been beland in de discussie over wat de linkerzijde (de krachten links van de sociaal-democratie) moet doen in Europees verband, het derde punt van het betoog. Mestrum ziet de zaken zeer zwart-wit: of je werkt binnen en met de bestaande structuren (instellingen, partijen …), of je werkt erbuiten en ertegen. De feiten alleen al tonen aan dat het anders verloopt. Was Alain Krivine, kopstuk van de Franse Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) en – niemand twijfelt eraan – openlijk tegenstander van de EU, niet jarenlang Europees parlementslid? Sturen Attac-leden geen mails naar hun (socialistische, groene of andere) Europarlementsleden als het gaat over Bolkestein, Doha of Gaza? Zijn de betogingen bij het Schumanplein van de antis geen de facto erkenning van het bestaan (zij het niet van de legitimiteit) van de Europese instellingen? In de instellingen actief worden is zeker één, maar niet de enig mogelijke houding, en nergens toont Mestrum aan dat daarmee een interessante piste geopend zou worden. Haar “vlucht achteruit” lijkt ingegeven door een al te pessimistische inschatting van de situatie. Enkel ‘nee’ zeggen zou de afgelopen vijftig [!] jaar niets, maar dan ook niets opgebracht hebben. Het feit is, en dat is ongetwijfeld te betreuren, dat burgers, al dan niet georganiseerd, zich pas vrij recent zijn gaan bezighouden met “Europa”. Het ‘nee’ zeggen op ietwat beduidende schaal duurt dus zeker nog geen vijftig jaar. Tien jaar lijkt een betere schatting, al is het pas in december 2001 dat we in België de eerste echte mobilisatie rond een EU-top kenden. Het succes of de mislukking van de nee-zeggers moet dus over een kleinere tijdschaal geëvalueerd worden, en dan is het bilan m.i. helemaal niet zo catastrofaal. In de syndicale wereld is het stilaan doorgedrongen dat de EU permanent moet op de agenda staan, en ik zie de voorbije jaren in De Nieuwe Werker of de Tribune toch regelmatig artikels over Europese aangelegenheden. Veel spectaculairder nog is niet alleen het Franse Non (2005), maar ook het enorme politieke debat en de bewustwording die eraan voorafgingen in brede kringen van de bevolking; in mindere mate geldt dit ook voor Nederland, Ierland en andere landen. Voorts zijn er binnen Europa grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden ontstaan (Euromarsen, syndicale acties, Attac, …) en dat er daarbij inderdaad ook tijd gestopt wordt in het uitwerken van ‘voorwaarden, principes en handvesten voor een ander Europa’, vind ik helemaal geen “hopeloze strategie die de linkerzijde verlamt en irrelevant maakt”.

Mag ik terloops opmerken dat degenen die het binnen de structuren probeerden, toch ook geen al te rooskleurig bilan kunnen voorleggen? Het Europees Vakverbond staat nergens, vooral omdat het alleen binnen de structuren wilde werken. Wat de omvorming van de instellingen betreft via de institutionele weg: begin jaren tachtig deed Europarlementslid en Europees federalist Spinelli een poging tot democratisering van en via de instellingen, en bracht zelfs een grote meerderheid van het Europees parlement, over alle politieke formaties, achter een voorstel (februari 1984) dat aan de nationale parlementen moest ter goedkeuring voorgelegd worden. Dit kwam echter niet levend voorbij de gouvernementele spitsroeden, en de kans dat dat vandaag wel zou slagen in een EU met 27 (of meer) regeringen is exponentieel kleiner…

Een deel van Mestrums ontgoocheling heeft blijkbaar te maken met niet ingeloste, maar m.i. volledig irrealistische verwachtingen na het Franse Non. “We hebben gewonnen [tegen de ontwerpgrondwet], althans, heel even. Want al gauw werd duidelijk dat geenszins met de linkse stem werd rekening gehouden en dat onze hoop op een beter verdrag verijdeld werd” schrijft Mestrum. Ik vraag me af hoeveel campagnevoerders in Frankrijk nu werkelijk dachten dat een Non tot een beter verdrag zou leiden. Wie enigzins vertrouwd is met de Europese realiteit kon dat toch moeilijk verwachten. Het lijkt er nochtans op (ik hoop me te vergissen) dat Mestrums ontgoocheling zo groot is dat ze het geweer van schouder wil verwisselen. Ze heeft gedurende jaren, buiten de instellingen, ‘nee’ gezegd, aan Maastricht, aan Bolkestein, aan de grondwet, en aan zoveel meer. Nu zou er een kortere, nee, zelfs de kortste weg gevonden zijn naar een ander Europa, nl. het bestaande Europa. We moeten deelnemen aan de “Europese democratie”, bondgenoten zoeken, ze steunen bij Europese verkiezingen en zo een meerderheid halen. De optiek waarin dit gezien wordt, is nog duidelijker verwoord in het reeds aangehaalde document over de “Verklaring van Brussel”. Daarin wordt een stappenplan voorgesteld: eerst een “waarachtige democratie” veroveren, en daarin vervolgens strijd leveren voor een meerderheid over onze beleidsplannen.

De naïviteit van deze voorstellen kan me alleen maar verbazen; alsof het Ancien Régime afgeschaft was op vraag van de Staten-Generaal … Ik had het al over het wedervaren van Spinelli begin jaren ’80 (met een EEG van … 10 lidstaten en evenveel regeringen), maar onder de “bondgenoten” zie ik zelfs niet zo vlug een Spinelli opstaan. Moet eraan herinnerd worden dat de “dramatische neoliberale wending”, die in het opiniestuk terecht gesitueerd wordt na de Europese Akte van 1986, doorging onder het tienjarig commissievoorzitterschap van socialistisch kopstuk Jacques Delors? Ten tijde van de Conventie die de “grondwet” schreef, maakte de Partij van de Europese Socialisten zich sterk dat ze er een meerderheid van de leden voor leverde, wat niet belette dat de grondwet een ode aan de vrije en onvervalste mededinging werd…

Beweer ik dan dat er in de partijen, in de Europese instellingen geen mensen zijn die eerlijk streven naar een socialer, een groener en vredelievender Europa? Hebben ze allemaal een verborgen neoliberale agenda? Absoluut niet. Alleen maak ik een heel andere inschatting dan Mestrum van het project van die partijen, de greep van de apparaten op de besluitvorming, hun ideologische machteloosheid t.o.v. het neoliberalisme, de innige vervlechting van politieke kopstukken met de kapitalistische machtscentra(3), enz.

Ik denk dus dat er, helaas, geen ‘binnenwegen’ zijn naar het andere Europa. We blijven net als vroeger aangewezen op agitatie, analyses, contestatie, op organisatie, mobilisatie en consciëntisatie, er kunnen petities, verkiezingscampagnes, tactische bondgenootschappen aan te pas komen, we kunnen politici interpelleren, misschien zelfs enkele van onze medestanders tot in het Europees parlement katapulteren, maar we moeten absoluut onze onafhankelijkheid bewaren tegenover de “systeembeheerders”. Na de eerste successen in de voorbije jaren is er minder reden dan ooit om de wapens in te leveren, en ik hoop dat Francine Mestrum dat ook niet zal doen!

(Uitpers, nr 106, 10de jg., februari 2009)

Voetnoten

(1) Volgens Mestrum zou ‘links’ in Ierland geen duidelijke uitleg gegeven hebben over zijn verschillen met het rechtse No van multimiljonair en zakenman Ganley. Een blik op bv. www.voteno.ie maakt dit onderscheid nochtans vlug duidelijk.

(2) “Enkele overwegingen bij de ‘Verklaring van Brussel’ van de Europese Attacs”, http://vl.attac.be/article583.html

(3) Om er maar enkele te noemen: Pascal Lamy, gewezen kabinetschef van commissievoorzitter Delors, nu aan het hoofd van de Wereldhandelsorganisatie; Karel Van Miert, niet alleen gewezen Eurocommissaris maar ook (al dan niet gewezen) bestuurder bij Philips, Agfa Gevaert, Swissair, Anglo American, adviseur Goldman Sachs enz.; Dominique Strauss-Kahn, eminente Franse socialist en … directeur général van het IMF. Als er al zo een toestanden zijn bij de “linkerzijde” van het partijpolitiek spectrum, wat zou het dan zijn bij de anderen? In april 2008 raakte bv. bekend dat EBPS (European Business and Parliament Scheme, een lobby van grote multinationals waaronder Microsoft, BP … ) een kantoor ter beschikking had gekregen binnen het europarlementsgebouw, dat het kon gebruik maken van logistieke diensten, en dat EBPS bovendien gepatroneerd werd door Europarlementsvoorzitter Hans-Gert Pöttering (Europese Volkspartij).

Debat: nog een reactie van Francine Mestrum

” Binnenwegen naar een ander Europa “

door Francine Mestrum

Ik dank Herman Michiel voor zijn reactie. Ik hoop dat er nog andere replieken komen en dat er een echt debat op gang kan komen n.a.v. de Europese verkiezingen. Ik wil kort reageren, omdat er helaas ook paar foute interpretaties en feitelijke onjuistheden in Michiels artikel staan.

  1. Het belangrijkste punt is zonder enige twijfel de foute conclusie die Michiel uit mijn artikel haalt, met name dat ik afstand zou nemen van sociale bewegingen en enkel nog aan ‘partijpolitieke’ oppositie zou willen doen. Niets is minder fout en dat heb ik al eerder kunnen verduidelijken. Ik ben nog steeds actief in allerlei sociale bewegingen en ben lid van geen enkele partij. Maar m.i. hebben sociale bewegingen slechts zin en kans op succes wanneer zij rond bepaalde thema’s bondgenootschappen kunnen afsluiten met de grote bewegingen, zeg maar vakbonden, en met de politieke partijen die die thema’s op het beleidsniveau kunnen opnemen. Dat is wat m.i. op Europees niveau dringend nodig is. En waar verschillende partijen en politieke fracties voor open staan.
  2. Michiel heeft gelijk wanneer hij wijst op het belang van terminologische duidelijkheid. Het enige antwoord is dat alles permanent moet geëxpliciteerd worden, zoals hijzelf ook doet. Want wie spreekt over de ‘linkerzijde’ en daar de sociaal-democratie wel insluit, krijgt ook op zijn donder. Wat democratie betreft denk ik dat
    1. Democratie een proces is en een praktijk van praten, overleggen en compromissen sluiten. Het is in die zin dat de Europese Conventie een hele stap vooruit was in vergelijking met de vroegere intergouvernementele conferenties. Ik blijf het jammer vinden dat kleinlinkse sociale bewegingen geweigerd hebben destijds deel te nemen aan het ‘burgerforum’ dat naast de Conventie was ingesteld. Misschien is dat één van de redenen dat er weinig succes kon geboekt worden. Men kan slechts invloed hebben als men bij een proces betrokken is.
    2. Wat over opiniepeilingen wordt gezegd vind ik problematisch. Wat moest er dan gebeuren? Een tweede referendum om te weten wat de exacte interpretatie van het eerste was? De rechtse en linkse eisen zijn duidelijk tot uiting gekomen in de grote opiniepeiling die één week na het referendum werd gehouden. Wie er de tekst van de Europese Raad wil op nalezen, zal zien dat met de meeste standpunten rekening werd gehouden. Dat is mijn belangrijkste argument om te stellen dat het niet ondemocratisch is om een tweede referendum te vragen. En klopt het soms niet dat zeer veel Ieren ‘neen’ hebben gezegd omdat ze willen dat de fiscale vrijheid, zeg maar dumping, zou kunnen behouden blijven? Moet ik daar als ex-lid van Attac blij mee zijn?
  3. De Europese commissaris voor handel heeft geen dictatoriale bevoegdheden: over elk punt en komma van zijn mandaat wordt dagenlang in de Raad onderhandeld door onze nationale regeringen. De Europese Commissie kan niets doen zonder voor en tijdens de onderhandelingen permanent op de vingers te worden gekeken door onze nationale politici.
  4. Ja, Krivine was lid van het Europees Parlement. En heeft zich daar samen met zijn collega’s de geschiedenis in gewerkt door tégen een resolutie te stemmen die naar een Tobintaks vroeg, want dat was volgens de LCR niet antikapitalistisch. Precies die paar ontbrekende stemmen hebben de resolutie doen falen.
  5. Het klopt dat ‘burgers’ (ik neem aan dat Michiel hier kleinlinks bedoelt) zich slechts recent zijn gaan bezig houden met de EU, concreet sinds de Franse ‘neen’. Daarvoor en zelfs in de aanloop naar de Europese ‘grondwet’ werd altijd geweigerd zich met wat dan ook in te laten. Ook voor een vraag naar een referendum over die grondwet kon geen steun worden gekregen. Pas na de Franse ‘neen’ is dat veranderd. Ik kan alleen maar hopen dat het blijft veranderen en dat ook Michiel en met hem vele medestanders mettertijd zullen inzien dat het productiever kan zijn zich met het beleid in te laten en er zich tegen te verzetten ipv tegen de EU op zich te zijn.
  6. Een laatste vergissing maakt Michiel als hij denkt dat ik vroeger buiten en tegen de instellingen was. Ik heb dertig jaar lang IN de diverse instellingen gewerkt – als zelfstandige, niet als ambtenaar, voor alle duidelijkheid – en juist vanuit die positie heb ik er altijd voor gepleit dat men zich met die instellingen en met het beleid zou gaan moeien. Ik heb van binnen in de dynamiek aan het werk gezien, ik heb van binnen in kunnen zien welke invloeden er speelden. Vandaar mijn overtuiging dat het wel degelijk kan. Dat er een tegenmacht kan opgebouwd worden om vanuit een progressieve visie te werken aan een ander beleid.

Ik denk dat dit soort discussies erg nuttig zijn en ben daarom blij dat ze er is. Pas met veel en lang praten kunnen we misschien ooit tot een meer eensgezind standpunt komen. Want over heel wat zaken zijn we het tenslotte eens. Het Verdrag van Lissabon is geen goed verdrag. Er moet gewerkt worden aan een ‘ander Europa’. Waar we van mening verschillen is dat Michiel denkt dat we daarvoor eerst ‘tabula rasa’ moeten maken en dan geheel opnieuw beginnen. Ik geloof dat we mét de bestaande instellingen al een heel eind op weg kunnen en dat daarvoor heel veel mensen kunnen gevonden worden die meewerken. Met andere woorden, en daar is het mij om te doen, dat het makkelijker is om mét anderen aan andere krachtsverhoudingen te werken.

Tenslotte is het mijn diepe overtuiging dat we meer en meer in termen van en/en in plaats van en/of moeten gaan denken en werken. Binnen én buiten de instellingen en niet binnen of buiten. De linkerzijde is veel te versnipperd en is meer bezig met interne twisten dan met samenwerking. Dat zien we ook in de reacties op de financiële crisis. We moeten meer leren samenwerken met elkaar en met anderen. Dat is ook de bedoeling van de sociale fora, nationaal, Europees en wereldwijd, waar heel wat kleinlinkse groepjes zich eveneens tegen afzetten omdat hun standpunten er niet in alle zuiverheid aan bod komen. Het is mijn overtuiging dat de vernieuwing van links en de vernieuwing van de politiek die weg zal moeten volgen.

Als hier aan gewerkt kan worden in de aanloop naar de Europese verkiezingen dan kan er misschien toch iets positiefs worden bereikt.

(Uitpers, nr 106, 10de jg., februari 2009)

Deel dit artikel

Visited 156 Times, 1 Visit today