Wrevel en wederzijds onbegrip voeren de boventoon in de Spaanse politiek

Terwijl de vredesgesprekken in Spaans Baskenland opnieuw plaats hebben moeten ruimen voor brandbommen en de Catalaanse bevolking zich hardop afvraagt hoe het nu verder moet met de autonome regio, heeft premier Zapatero de handen vol met het blussen van politieke branden die nu zelfs het vorstenhuis bereikt hebben.

 
Net als bij een Vlaams formateur is gebeurd, heeft ook in Spanje het volkslied menig politici heel wat hoofdbrekens gekost. De discussie over de mogelijke tekst van het Spaanse lied, waarvan sinds de dood van Franco in 1975 enkel de melodie overbleef, gaf meteen aanleiding tot driftig gekibbel tussen de verschillende politieke acteurs. Sterk geladen termen als “natie” en zelfs “Spanje” kennen namelijk een heel eigen invulling in de verschillende delen van het land, en dus wordt het bijzonder moeilijk om de betrokken partijen op één lijn te zien komen, indien ze al überhaupt een gezamenlijk volkslied zien zitten.

Een ander symbooldebat handelt om de zogenaamde Ley de Memoria Histórica, de wet waardoor, onder meer, alle verwijzingen naar het fascistische bewind van Franco (b.v. straatnamen, standbeelden, enz.) uit het straatbeeld verwijderd zouden moeten worden. Ook hier is een consensus ver te zoeken, voornamelijk door de felle tegenkanting van de grootste oppositiepartij, de Partido Popular (PP). Niet verwonderlijk, daar de PP heel wat volgelingen van de dictator en nazaten van diens trouwe medewerkers telt. Zo weigerde voormalig minister en europarlementslid voor de PP Jaime Mayor Oreja het onlangs in een interview met een Spaanse krant om de dictatuur te veroordelen, aangezien “heel wat families [het franquisme] op een natuurlijke en serene manier beleefd hebben”.

En dan is er nog het vraagstuk van de nationalismen: niet alleen eisen zelfstandige gewesten als Galicië, Baskenland en Catalonië een verregaande autonomie die Zapatero slechts met mondjesmaat wil toestaan, bovendien neemt de affiniteit tussen de inwoners van de verschillende regio’s zienderogen af, aangewakkerd door politici die uit zijn op electoraal gewin. Zo heeft een derde van de Catalanen in een recente enquête te kennen gegeven een onafhankelijke Catalaanse staat te verkiezen boven een verenigd Spanje. Problemen met de infrastructuur in en rond Barcelona, de groeiende tegenstelling tussen het rijke Catalonië en het armere Spaanse binnenland, alsook het aangehaalde voorbehoud van Madrid om het autonomiestatuut van de regio verder uit te breiden, worden vaak genoemd als oorzaken voor deze tendens, die de komende jaren enkel nog zal verscherpen. In Spaans Baskenland (Euskadi) is het optimisme naar aanleiding van het korte staakt-het-vuren van de Baskische afscheidingsbeweging ETA snel verdwenen nadat het geweld er weer is opgelaaid. De regionale president Ibarretxe ziet een confederaal systeem als oplossing voor de Baskische kwestie nog steeds zitten, en wil daarvoor in 2008 een volksraadpleging organiseren in Euskadi. Ook hier werd elk politiek debat echter herleid tot een pijnlijke aaneenschakeling van dovemansgesprekken, aangezien Zapatero van mening is dat dergelijk referendum indruist tegen de grondwet, terwijl Ibarretxe voet bij stuk houdt.

Daar schuilt meteen ook het probleem: terwijl de Partido Popular onder leiding van toenmalig premier Aznar (1996-2004) de Spaanse grondwet gemonopoliseerd heeft om ze ten dienste te stellen van diens opvatting over de eenheid van Spanje, zo stelt Zapatero nu de grondwet ten dienste van zijn opvatting over het plurale Spanje. Dit terwijl de nationalistische partijen in de periferie (zoals het links-republikeinse ERC in Catalonië en de partij van Ibarretxe, de PNV) geen van beide staatsmodellen genegen zijn, en oordelen dat de grondwet zelf in vraag gesteld dient te worden.

Dat zelfs de Spaanse koning niet ontsnapt aan de kritiek is op zijn minst opmerkelijk, want Juan Carlos I gold jarenlang als bijzonder geliefd persoon, zelfs ver buiten de hoofdstad. De populaire rechtse radiomaker Federico Jiménez Losantos hekelde onlangs de positie van de vorst en vond daarin bijstand bij Esperanza Aguirre, voorzitter van de PP in Madrid. Volgens insiders wordt Juan Carlos een te slappe houding t.o.v. Catalaanse en Baskische nationalismen verweten, terwijl diens zoon en toekomstige opvolger Felipe de Borbón voor enkele rechtse zwaargewichten van de Spaanse politiek en pers het ideale alternatief zou vormen.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :