Winsthonger en liberalisering maken gasenergie gevaarlijker

De gasexplosie van 30 juli in het Waalse Ghislenghien (Gellingen) heeft alvast in Frankrijk bij de vakbonden de overtuiging gesterkt dat veiligheid niet de eerste bekommernis is van energiebedrijven en autoriteiten.

De "vrijmaking"’ (liberalisering) van de energiemarkt, de toegenomen praktijk van onderaannemingen en de winsthonger van directies en aandeelhouders verhogen, volgens de Franse bonden en verenigingen van slachtoffers van gasrampen, het gevaar dat uitgaat van gas- en elektriciteitsleidingen. Ze eisen dat energievoorziening, zoals andere openbare voorzieningen, opnieuw meer als een dienst wordt gerund, en minder als een bedrijf dat uit is op winst voor aandeelhouders.

Negentien doden en tientallen gewonden waarvan sommigen misschien nog zullen bezwijken. De tol van de explosie van de gaspijplijn in Gellingen was bijzonder zwaar. De ramp betrof pijplijn 1.000 van het door Fluxys beheerde gasleidingennet. Fluxys behoort tot de groep Suez-Tractebel.

Meteen na de ramp bleek – nu ook openlijk – dat niemand met zekerheid kon zeggen waar alle ondergrondse gasleidingen in België lopen. Men zou denken dat de plaats en andere gegevens van ondergrondse leidingen voor gas, water en elektriciteit duidelijk geregistreerd zijn. Want dat is van belang voor het gevaar dat onderhoud en graafwerken kunnen inhouden.

Maar zo’n precieze registratie blijkt niet te bestaan. De energiebedrijven blijken decennia lang chaotisch en eigengereid te hebben kunnen werken, minder gedreven door veiligheidsoverwegingen dan door "economische" doelstellingen – snelle bevoorrading aan een zo laag mogelijke kostprijs.

Op de wangen van Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur Kris Peeters (CD&V, ex-Unizo) verscheen geen schaamrood toen hij in augustus aankondigde dat er een volledig kadaster komt van alle ondergrondse leidingen voor gas, water en elektriciteit in Vlaanderen. Tegen 2014. Dan kunnen aannemers, anders blijkbaar dan in Gellingen, een beeld hebben van de leidingen en kabels op de plaatsen waar ze graafwerken verrichten.

Explosies

In Frankrijk hebben de vakbonden moed geput uit de ramp in Gellingen voor hun strijd voor een veiliger aardgasvoorziening. In dat land zijn de jongste jaren tientallen doden gevallen bij gasexplosies, waarvan er vele voorspelbaar bleken te zijn. De slachtoffers zijn meestal gewone mensen (bewoners, arbeiders, brandweerlui en kinderen), omdat de rampen zich veelal in oude, goedkope wooncomplexen voordeden of bij werken aan wegen of fabrieken, en omdat het brandweerlui zijn die bij reddingsoperaties de grootste risico’s lopen.

Enkele recente rampen: elf doden in Dijon in 1999, 31 doden in de AZF-fabriek in Toulouse in 2001, een dode en vierendertig gewonden in dezelfde stad in 2002, twee doden en twee zwaarverbranden in Beaurains in 2003…

De ramp in Dijon was tekenend: een gasleiding uit grijs gietijzer, uit 1955, was onder de trapzaal van het gebouw gebroken, met een lek en een explosie als gevolg. Sinds 1970 zijn ruim dertig doden gevallen bij gelijksoortige rampen.

Dat jaar werd het gebruik van grijs gietijzer voor gasleidingen in Frankrijk verboden. Het betreft immers een breekbaar materiaal, een feit dat de nederigste leerling op de vakschool al sinds mensenheugnis wordt bijgebracht, en dat de energiebedrijven (ook voor 1970) zeker niet onbekend kan zijn geweest.

In Beaurains en Toulouse hadden de vakbonden van de Franse, te privatiseren gasmaatschappij Gaz de France (GDF) al lang gewaarschuwd voor het gevaar van gietijzeren leidingen. Ze laakten het dat de vervanging ervan zoveel achterstel had opgelopen. Sinds 1990, aldus de bonden, is die vervanging vertraagd. In een schriftelijk antwoord op vragen van Le Monde Diplomatique terzake, liet de directie van GDF weten dat nog maar 2 procent van het 200.000 kilometer lange gasleidingennet uit grijs gietijzer bestaat, terwijl dat in 1990 nog 15 procent was. Sinds tien jaar zijn 10.000 kilometer leidingen vernieuwd, verklaarde ze.

Na de ramp in Beauvains was toenmalig minister van Industrie Nicole Fontaine in het parlement op de rooster gelegd. Ze zei dat nog 1.600 kilometer leidingen moesten worden vervangen. Maar de bonden houden het op 3.000 kilometer leidingen die gevaarlijk zijn, waarvan er 2.400 in "gevoelig gebied" (lees: vooral onstabiele ondergrond) liggen.

Begin jaren 1990 had GDF beloofd dat het probleem zou zijn opgelost in 2005. Nu geeft ze toe dat dit niet het geval zal zijn. Pas in 2010, luidt het.

Welke keuze?

Achter de vertragingen blijken geldelijke motieven te steken. De vervanging van een kilometer leidingen kost bijna 1,5 miljoen euro. Daarbij komt dat veel leidingen in dichtbebouwd gebied liggen, wat hun vervanging extra duur maakt.

Maar het gaat voornamelijk om de keuze die de GDF-leiding wil maken. Die zegt dat er een "hiërarchisering van de risico’s" bestaat. Volgens de vakbond CGT (Confédération Générale du Travail) hanteert de directie evenwel een politiek van "berekend risico", de vervanging van de leidingen in functie van het geschatte gevaar dat ze inhouden – een beetje zoals bij de vervanging van vliegtuigen van luchtvaartmaatschappijen het geval lijkt te zijn. Na de ramp in Toulouse merkte de CGT op dat GDF in 2002 twee miljard euro uitgaf aan financiering van internationale activiteiten van de groep. Daartegenover stond dat maar 128 miljoen euro was uitgegeven aan vervanging van de gietijzeren leidingen, aldus de bond.

Le Monde Diplomatique citeert Thierry Gaudin, een vertegenwoordiger van de Nationale Federatie van Slachtoffers van Collectieve Ongevallen (Fenvac). GDF, aldus Gaudin, "is niet van plan, het probleem op te lossen voor zijn privatisering. Zo kan het de bal naar de toekomstige aandeelhouders doorspelen".

De vakbonden twijfelen er niet aan: het probleem van onveilige gasleidingen moet gezien worden tegen de achtergrond van de wedren naar almaar méér winst (voor de aandeelhouders) en in het licht van de liberalisering. Ze hekelen de toenemende praktijk van onderaannemingen. Daardoor, aldus CGT-voorman Olivier Barrault, verliest het bedrijf heel wat know-how, krijgt het geen volledig zicht meer op de risico’s, en "wordt geld van de gemeenschap verspild". De vervanging van de leidingen is in grote mate toevertrouwd aan onderaannemers. Dat heeft de kostprijs volgens Barrault met 40 procent verhoogd.

De parlementaire onderzoekscommissie die na de ramp in Toulouse werd opgericht deelt de syndicale analyse. In januari 2002 besloot ze: "Industriëlen moeten ophouden de deelname van loontrekkenden en hun vertegenwoordigers aan risico-preventie te beschouwen als een toegeving aan de wet en aan de sociale democratie. Het kan integendeel gaan om een schakel in het opvolgen van de risico’s".

Kostenvermindering

Net als na de ramp in het Waalse Gellingen, dook in Frankrijk na de catastrofes in Toulouse en Dijon de vraag op waar er juiste gegevens over de leidingen te vinden zijn. De leiding die in Dijon de ramp veroorzaakte stond op de leidingenkaart van GDF niet aangegeven als een leiding van grijs gietijzer. GDF heeft voor de parlementaire onderzoekscommissie toegegeven dat het net niet goed in kaart is gebracht.

Die registratie is van groot belang. Want het aantal lekken en ongevallen als gevolg van tussenkomsten van derden (bv. graafwerken door een aannemer van wegenwerken) in Frankrijk blijkt toe te nemen. Met 4 procent van 2001 tot 2002, meldt Le Monde Diplomatique. Aannemers moeten in theorie vooraf bij de gemeente en bij GDF melden wat ze ondernemen. Dat gebeurt niet altijd. De veiligheid zou volgens de vakbonden vergroot worden als GDF opnieuw controleurs op de werken zou sturen. Maar bij GDF denkt men vooral aan besparingen.

In de jaren 1990 werd ook een andere veiligheidsmaatregel opgegeven. Omwille van de kosten. Die maatregel bestond er in dat in alle distributiecentra van het leidingennet in Frankrijk werd nagegaan of het gas nog het " reukje"’ met zich droeg dat er in wordt geïnjecteerd als het vanuit het buitenland de Franse grens bereikt. Die geurstof moet ervoor zorgen dat sneller lekken worden ontdekt in het net voor het anders reukloze gas. Die controle is nu afgeschaft. Omwille van de kosten. In de plaats controleren alleen apparaten aan de grens nog of het gas met de reukstof is geïnjecteerd – waarbij een hapering ervoor zorgt dat grote hoeveelheden reukloos gas door de leidingen stromen.

Een ander risico is de aansluiting van het gas in de woningen zelf. Reukstof in het gas helpt niet bij mensen die de geur niet kunnen thuisbrengen, of die hun reukzin verloren hebben (veel bejaarden). Ook de kwaliteit van de huishoudelijke gasapparaten houdt risico’s in. Sinds 1990 legt de Europese Unie daarvoor een veiligheidsnorm op, maar die bleek meer bedoeld te zijn voor het vrije verkeer van de apparaten dan voor de veiligheid van de verbruiker, en heeft aan die veiligheid niet veel veranderd. Volgens een zegsman van de Parijse politie zou men best automatische veiligheidsapparatuur installeren, die de gastoevoer afsnijdt als bijvoorbeeld de waakvlam uitvalt. Maar die apparaten zijn duur. En dat is een probleem voor de armste lagen van de bevolking, precies die lagen die in de meest verouderde woningen, met de meest risicovolle voorzieningen leven.

Tot het einde van de jaren 1980 waren het mensen van GDF zelf die de huishoudelijke installatie controleerden voordat ze tot aansluiting op het net overgingen. Dat duurde maar een half uur, merkte een vakbondsman op, "maar de directie heeft allicht gemeend dat dit te duur was, en heeft besloten die dienst af te schaffen".

Bedrieglijk geschenk

GDF stelt de verbruiker nu voor dat hij vrijwillig de huishoudelijke gasapparatuur laat nakijken. Tegen betaling, wel te verstaan. Wel wil het bedrijf 45 van de 75 euro kostende controle op zich nemen. Zonder erbij te vermelden dat dit "geschenk" berekend wordt in de tarieven, zodat uiteindelijk de verbruiker toch alles betaalt. Bovendien zijn zo’n vrijwillige controles individueel. Wie zo’n controle heeft laten uitvoeren, weet niet of zijn buurman dat ook deed. En als buurmans huis ontploft, treft de schade ook de omwonenden.

Het liberale dogma dat liberalisering van de energiemarkt goed zijn voor de verbruiker omdat ze betere diensten en lagere prijzen brengen, wordt ook in België doorgeprikt. Een jaar na de liberalisering van de Belgische stroommarkt betaalt het gemiddeld Belgisch gezin jaarlijks 50 euro méér voor zijn stroom dan ervoor, liet Testaankoop eind augustus weten. Stroombelasting, transport en distributie-kosten zijn toegenomen.

(Uitpers, nr. 56, 6de jg., september 2004)

Visited 6 Times, 1 Visit today

Tags :