Wie zorgde voor de ‘onstuitbare’ opgang van Hitler?

Kurt Gossweiler, ‘Hitler: een onstuitbare opgang? Opstellen over het fascisme’, EPO, Berchem, 2006, 200 blz., ISBN 90 6445 372 1, 15 euro.

In de voormalige Duitse Democratische Republiek (DDR) was een hele school historici actief die zich decennialang heeft gespecialiseerd in het onderzoek naar het nationaal-socialisme, de Duitse variant van het fascisme. Eén van deze toonaangevende Oost-Duitse ‘Faschismusforscher’ is de inmiddels 89-jarige, in Berlijn levende en nog steeds werkende Kurt Gossweiler.

Deze DDR-school moest optornen tegen een batterij westerse collega’s, die wereldwijd aandacht kregen in de media en in de academische wereld, terwijl het werk van de DDR-historici netjes onder het tapijt werd geveegd. Gossweiler noemt sommige van deze westerse geschiedschrijvers redelijk smalend ‘de witwassers’, omdat ze een aantal wezenlijke kenmerken van het Duitse fascisme straal negeren of blijven verdoezelen.

“Hoe kon het in Duitsland tot de heerschappij van het fascisme komen? Wie zijn de historische verantwoordelijken voor deze fascistische heerschappij?” Voor Kurt Gossweiler “bevat het historische voorbeeld van Duitsland lessen voor alle volkeren van de wereld.” “In de Bondsrepubliek Duitsland (BRD),” stelt deze oude historicus, “en in andere imperialistische staten leveren duizenden publicisten en door de staat bezoldigde historici, filosofen, sociologen valse interpretaties, om de oorzaken en drijfkrachten van het fascisme te verhullen.”

Kurt Gossweiler laat er niet de minste ondubbelzinnigheid over bestaan: wetenschap is voor hem niet vrijblijvend. Hij stamt uit een communistische familie, die op het einde van de jaren twintig van zijn geboorteplaats Stuttgart naar de wereldstad Berlijn verhuisde. Op veertienjarige leeftijd sluit Gossweiler zich aan bij de communistische scholierenorganisatie SSB (Sozialistischer Schülerbund). In 1934 – Hitler is dan al een jaar aan de macht – wordt hij lid van de illegale communistische jeugdbeweging KJVD (Kommunistischer Jugendverband Deutschlands). Samen met een aantal van zijn vrienden gaat hij in het ondergronds verzet. De meesten van hen worden door de beruchte Gestapo gearresteerd en terechtgesteld.

Gossweiler wordt in 1939 bij de Wehrmacht ingelijfd. In 1941 neemt zijn Wehrmachteenheid deel aan de invasie van de Sovjetunie. Gossweiler moet tot in 1943 wachten op een kans om te deserteren en naar het Rode Leger over te lopen. Hij blijft tot 1947 in de USSR en keert dan naar Duitsland terug. Hij vestigt zich in Oost-Berlijn, waar hij vanaf 1955 verbonden is aan de prestigieuze Humboldt Universität. In 1988, vijf jaar na zijn pensionering en het jaar dat hij van zijn universiteit het eredoctoraat ontvangt, geeft de Keulense uitgeverij Pahl Rugenstein zijn magnum opus uit: ‘Aufsätze zum Faschismus’, een 730 pagina’s tellend werk in twee delen. Bij de uitgeverij EPO is zopas een keuze uit deze ‘opstellen over het fascisme’ verschenen onder de titel ‘Hitler: een onstuitbare opgang?’.

“30 januari 1933 is een van de donkerste dagen in de geschiedenis,” schrijft Gossweiler. “Op die dag begon de ergste misdaad van de geschiedenis tot dan toe: de voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog en de overval op de Sovjetunie. In zijn regeringsverklaring beloofde Hitler het Duitse volk sociale vooruitgang voor de arbeiders en boeren en het behoud van de vrede. Maar in werkelijkheid plande hij – en hij voerde dat ook uit – alle klassen en lagen van de werkende bevolking van al hun rechten te beroven, de communisten, socialisten, democraten, verdedigers van de vrede en alle antifascisten op de brutaalste wijze te vervolgen en te onderdrukken. ‘Geef mij vier jaar de tijd en jullie zullen Duitsland niet herkennen!’, voorspelde Hitler. Na vier jaar oorlog was Duitsland, was zelfs Europa onherkenbaar verwoest.”

Wereldoorlog I hertekent de wereld

Wie zorgde voor de ‘onstuitbare’ opgang van Hitler? Het antwoord op deze vraag is meteen het centrale thema van Gossweilers werk. Zijn grondstelling luidt: historici kunnen onmogelijk het fascisme losmaken van zijn economische basis. De Eerste Wereldoorlog had niet alleen de kaart van de wereld grondig hertekend, het imperialistische wereldsysteem verliet het slagveld en zag zich meteen geconfronteerd met een algemene crisis. Voor het eerst in de moderne geschiedenis was de arbeidersbeweging er in één land in geslaagd de kapitalistische orde omver te werpen en een socialistische republiek op te richten. De oktoberrevolutie van 1917 maakte een einde aan het tsaristische Rusland en richtte de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken op. De politieke en economische geografie na de Eerste Wereldoorlog zag er radicaal anders uit dan voorheen.

Gossweiler onderscheidt in deze nieuwe geopolitieke samenstelling van de wereld drie groepen. Er is ten eerste de groep van landen die maximaal heeft geprofiteerd van de wereldoorlog. De Verenigde Staten van Amerika, die aan de oorlog hebben deelgenomen, zijn er het sterkst op vooruitgegaan. “Hadden de VS in 1913 nog een schuld van 3 miljard dollar bij Europa, dan was na de oorlog niet alleen deze schuld helemaal verdwenen, maar hadden ze zich tot schuldeisers van hun bondgenoten gemaakt. Die stonden bij de VS voor 9 miljard dollar aan leningen en oorlogsleveringen in het krijt,” stelt Kurt Gossweiler. Het Amerikaanse kapitalisme en de Amerikaanse miljardairs zaten in een zetel: ze waren door de oorlog op het Europese continent als het ware slapend rijk geworden. “Ze beschikten nu over grotere mogelijkheden dan ooit tevoren om extrawinsten op kosten van andere volkeren te behalen. Een revolutionaire arbeidersbeweging, sterk genoeg om het systeem te bedreigen, kon onder deze omstandigheden niet ontstaan; zelfs een reformistische (sociaal-democratische) partij van enig gewicht lukte dit niet.”

Tot die eerste groep van ‘oorlogsprofiteurs’ behoorden ook de neutrale landen “die als tussenhandelaren en oorlogsleveranciers aan beide zijden leverden en als bankcentrales voor uitgestelde oorlogswinsten veel geld verdienden”: vooral Zwitserland en Nederland en de neutrale Scandinavische Staten Noorwegen, Denemarken en Zweden. Ook na de oorlog bleven deze landen gouden zaken doen met de door de vijandelijkheden geruïneerde grootmachten Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland.

De tweede groep bestond uit de zegevierende West-Europese grootmachten met Groot-Brittannië en Frankrijk op kop. “De verwoestingen en de kosten van de oorlog hadden de bevolking van deze landen met grote lasten opgezadeld. Daar kwamen nog de verliezen boven op die het financierskapitaal te slikken kreeg toen de Sovjetregering alle tsaristische buitenlandse schulden besloot te annuleren,” aldus Gossweiler. De elites van deze grootmachten “konden echter een deel van hun schulden en verliezen compenseren door ze te verhalen op de verslagen imperialistische rivalen”. Via het verdrag van Versailles (januari 1919) kreeg het verslagen Duitsland aanzienlijke herstelbetalingen opgelegd. Duitsland verloor behoorlijk wat territorium en was al zijn kolonies kwijt. Voor het andere deel van de verliezen die de zegevierende grootmachten hadden geleden “draaide de bevolking van de kolonies en de gebieden op waar de grootmachten hun invloed konden doen gelden.” Gossweiler wijst erop dat op die manier grootmachten als Groot-Brittannië en Frankrijk konden voorkomen dat de klassentegenstellingen in eigen land niet al te zeer op de spits werden gedreven, waardoor revolutionaire opstanden, zoals in tsaristisch Rusland in oktober 1917 en in het verslagen Duitsland in november 1918, konden worden vermeden.

Bij de groep van overwinnaars was Italië een buitenbeentje. De leidende kringen in Italië hadden de oorlog weliswaar niet verloren, maar de overwinning aan hun neus zien voorbijgaan. “Al hun wensen waren bijlange niet in vervulling gegaan, aan de Adriatische kust noch in Afrika,” stelt Kurt Gossweiler. “Daar kwam nog bij dat het einde van de oorlog de ineenstorting betekende van de zware industrie, die door de oorlogsleveringen buitensporige proporties had aangenomen. De binnenlandse markt in dit nog voor de helft zwaar onderontwikkelde land was immers veel te beperkt. En vanwege de concurrentie van de hoogontwikkelde industriestaten was het bovendien volkomen uitzichtloos om een poging te wagen voldoende buitenlandse markten voor de Italiaanse industrie te veroveren, die afhankelijk was van buitenlandse grondstoffen. De situatie waar Italië zich in bevond, leek dan ook meer op die van de verliezer Duitsland dan op die van de andere landen, die de oorlog hadden gewonnen.” De ontwrichte en zwakke economie zou al snel een ideale voedingsbodem lijken voor het Italiaanse fascisme.

Tot de derde groep behoorden de verliezers van de Eerste Wereldoorlog en deze groep telde slechts één imperialistische grootmacht: Berlijn. In november 1918 braken in Duitsland massale revolutionaire opstanden uit van soldaten, matrozen en arbeiders. Er werden revolutionaire arbeidersraden opgericht, maar de novemberrevolutie werd (met de hulp van de leiders van de sociaal-democratische SPD) bloedig onderdrukt. Toch “was de echo van de Russische oktoberrevolutie in geen enkel ander groot imperialistisch land zo lang blijven doorklinken als in Duitsland,” stelt Gossweiler. “Geen enkel ander land werd ook dermate hard met de gevolgen van de algemene crisis van het kapitalisme geconfronteerd. Alle factoren die voor de Eerste Wereldoorlog de enorme agressie en de expansiedrang van het Duitse imperialisme hadden opgewekt, waren niet alleen blijven bestaan, maar zelfs nog van grotere betekenis geworden. Het exploitatiegebied van het Duitse imperialisme was door de onteigening van alle kolonies en de inperking van het grondgebied met één achtste aanzienlijk kleiner geworden, waardoor de mensenmassa die direct kon worden uitgebuit, zich beperkte tot het Duitse volk. Door de opgelegde herstelbetalingen moest het imperialisme de uit het Duitse volk geperste winsten met de overwinnende landen delen. Zijn concurrentiepositie was bovendien erg verzwakt doordat de handelsschepen en de spoorweguitrustingen afgenomen waren, doordat discriminerende beperkingen en controles de handel met het buitenland ernstig beknotte, enzovoort. Dit alles dwong het Duitse monopoliekapitaal zich in te spannen om als compensatie voor de verloren gegane geldbronnen en de kosten van de verloren oorlog de meerwaarde die het al uit de Duitse werkende klassen wist te persen, nog eens flink te vergroten en het Duitse volk dus nog rigoureuzer uit te zuigen.”

“Op grond van de economische bestaansvoorwaarden en -behoeften van de Duitse monopoliekapitalisten moest de burgerlijke democratie onder die omstandigheden op hen wel overkomen als een ondraaglijke luxe. En dat is precies wat gebeurde.”

Gossweiler toont aan dat het Duitse monopoliekapitaal op het einde van de Eerste Wereldoorlog, geconfronteerd met een revolutionaire situatie, die een jaar eerder in Rusland een einde had gemaakt aan het tsarisme, niet vrijwillig en zelfs tegen zijn zin moest kiezen voor de republiek en de parlementaire democratie. Het was dat of het verlies van de eigen politieke en economische macht.

Monopoliekapitaal en fascisme

“Niet verdwenen was echter de vastberadenheid om, zodra de gelegenheid zich daartoe voordeed, naar een regeringsvorm over te gaan die voor de bevrediging van de mateloze behoeften naar winst van het Duitse monopoliekapitaal meer ruimte en bescherming bood,” stelt Gossweiler. De Republiek van Weimar was voor de Duitse economische en financiële elite (bankiers, industriëlen, monopolieheren en ‘Junkers’ – grootgrondbezitters) een instelling van ‘beperkte duur’, die zo snel mogelijk moest worden afgeschaft om plaats te maken voor de dictatuur. Een eerste poging om de parlementaire democratie en de republiek op te doeken kwam er al in 1920 met de Kapp-putsch. Op 13 maart 1920 bezette de Reichswehrgeneraal von Lüttwitz, de bevelhebber van de marine, de Berlijnse regeringswijk en benoemde de Freikorpsofficier Wolfgang Kapp tot rijkskanselier. De putsch was na vier dagen beëindigd. De regering volgde Kapps bevelen niet op en een algemene staking legde de economie en het openbare leven lam. In Sachsen, Thüringen en in het industriebekken van het Ruhrgebied groeide de algemene staking uit tot een revolutionaire opstand, die door het leger werd neergeslagen.

Op 8 november 1923 was er een twee couppoging. Deze keer was de putsch geënsceneerd door Adolf Hitler en zijn bondgenoot, de uiterst rechtse, nationalistische officier Erich Ludendorff. De coup eindigde als een slechte operette. Hitler werd veroordeeld en naar de gevangenis gestuurd, zijn Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) werd buiten de wet gesteld. Ludendorff werd vrijgesproken.

In de herfst van 1923 had de NSDAP via bemiddeling van Ludendorff 100.000 goudmark ontvangen van staalbaron Fritz Thyssen. “Een ongehoord hoog bedrag voor de toenmalige toestand van inflatie,” schrijft Kurt Gossweiler. “De patroons van de zware industrie van het Ruhrgebied rondom Fritz Thyssen en Hugo Stinnes hoopten dat de partij van Hitler en Ludendorff, aan het hoofd van de Beierse reactie, erin zou slagen, naar het voorbeeld van Mussolini’s ‘Mars op Rome’ in oktober 1922, een even succesrijke ‘Mars op Berlijn’ te houden. Stinnes had de Amerikaanse ambassadeur daarover in september 1923 de volgende vertrouwelijke mededeling gedaan: ‘er moet een dictator gevonden worden die de macht krijgt om alles te doen wat nodig is. Zo een man moet de taal van het volk spreken en mag zelf geen militair zijn; en zo’n man staat klaar’.”

Industriebaronnen als Thyssen en Stinnes moesten Hitler en zijn NSDAP echter nog een tijdje op de reservebank houden. De mislukte Kapp-putsch in 1920 en de operettestaatsgreep van Hitler in 1923 – twee gewelddadige pogingen om de Weimarrepubliek af te schaffen – hadden aangetoond dat een putsch niet het geëigende middel was om de dictatuur in te stellen. De Duitse georganiseerde arbeidersbeweging was veel te sterk. De republiek van Weimar moest “legaal” uit de weg worden geruimd en daarvoor was het nodig dat een man als Hitler de tijd kreeg om de Duitse arbeiders voor de “nationale zaak” te winnen en de arbeidersbeweging te verpletteren.

In december 1924 – nauwelijks negen maanden na zijn veroordeling – was Hitler al weer vrij. Enkele maanden later kon hij in alle gemoedsrust zijn NSDAP weer oprichten. Hij zal zijn politieke koers aanpassen aan de noden van het Duitse monopoliekapitaal – noden die hij perfect kende, want de Führer van de NSDAP onderhield de nauwste banden met het kruim van de financiële en industriële wereld. Onmiddellijk na de wederoprichting van de NSDAP nam staalbaron Thyssen opnieuw de financiering van Hitlers partij ter harte. Op 28 februari 1926 hield Hitler een voordracht voor de ‘Nationalklub von 1919’ in Hamburg, een club met een vierhonderdtal leden, die was opgericht door de bankier Max von Schinckel van de toonaangevende ‘Norddeutsche Bank und Discontogesellschaft’ en voornamelijk bankiers en industriemagnaten in haar rangen telde. Tussen juni 1926 en december 1927 was Adolf Hitler niet minder dan vijf maal te gast bij de industriëlen van het Ruhrgebied. De Duitse economische elite wist dat Hitler haar man was en Hitler wist dat zijn programma dat van de industriemagnaten en hun agressiefste, op expansie en bruut imperialisme beluste vertegenwoordigers was. De stelling van de mainstream historici in Europa dat de NSDAP een partij was van de geradicaliseerde middenklassen en kleinburgerij is niet bestand tegen het naakte feitenmateriaal. Industriëlen en bankiers financierden de partij van Hitler en vooraanstaande leden van deze beau monde traden openlijk toe tot de NSDAP. In 1927 sloten Wilhelm Keppler en Emil Kirdorf bij de NSDAP aan. Keppler was één van de belangrijkste patroons uit de chemiesector en Kirdorf één van de machtigste Ruhrindustriëlen. In 1928 financierde staalbaron Thyssen de aankoop en de ombouw van het ‘Braune Haus’ in München, het hoofdkwartier van de NSDAP. In hetzelfde jaar werd Otto Dietrich lid van de Hitlerpartij. Hij was journalist bij de München-Augsburger Abendzeitung, maar vooral schoonzoon van Reisemann-Grone, een notoir lid van het extreem nationalistische en antisemitische Alldeutscher Verband en uitgever van de Rheinisch-Westfälische Zeitung, de spreekbuis van de industriëlen in het Ruhrgebied. Dietrich breidde de contacten van de NSDAP met de industriebaronnen en geldschieters aan de Ruhr nog uit en werd leider van de persafdeling van de NSDAP. In 1930 begon één van de belangrijkste bankiers in Duitsland, Kurt von Schröder, de NSDAP te financieren. Eind september 1930 haalde Walter Tengelmann, de directeur van het steenkoolmijnbedrijf Gelsenkirchener Bergwerk AG, zijn NSDAP-lidkaart af. Wat later was het de beurt aan prins August Wilhelm von Hohenzollern en Walter Funk, de uitgever van het belangrijke beursblad Berliner Börsenzeitung. Funk werd economisch raadgever van Hitler en contactman voor bankiers en industriëlen. In de herfst van 1930 trok de voormalige directeur van de Reichsbank, Hjalmar Schacht – de gepensioneerde baas van de Duitse nationale bank had zijn nazi-sympathieën nooit verborgen – naar de VS om er een reeks lezingen te geven voor topfinanciers en captains of industry. Hij moest zijn Amerikaans publiek ervan overtuigen dat de Amerikaanse investeringen in Duitsland niet in gevaar zouden komen, eens de nazi’s aan de macht zouden zijn. Een jaar later, op 27 oktober 1931, was C.F. von Siemens (één van de grote bazen van de gelijknamige Duitse elektronicareus) op uitnodiging van General Electric Company te gast in New York. Net zoals Schacht stelde hij de Amerikaanse industriëlen en financiers gerust: hun investeringen in Duitsland liepen niet het minste gevaar. von Siemens prees Hitler de hemel in. “De wortel van Hitlers beweging is de strijd tegen het socialisme, dat wil zeggen het marxisme,” zei hij tijdens een toespraak. “Hitler is tegen de ongebreidelde hegemonie van het parlementarisme gekant, zoals die jammer genoeg in onze grondwet voorzien is. Het Duitse volk is voor deze vorm van democratie niet rijp.” Zijn Amerikaans publiek luisterde vol begrip naar zijn uiteenzetting.

In december 1931 werden staalbaron Fritz Thyssen en directeur van het chemieconcern IG-Farben, Wilhelm Mann, lid van de NSDAP. Op 27 januari 1932 onderhandelden Thyssen, Poensgen en Vögler van het staalconcern ‘Vereinigte Stahlwerke’ in Thyssens kasteel Landsberg met Hitler, Göring en Röhm over de vorming van een nazi-regering onder leiding van Adolf Hitler. In september was Hitler opnieuw te gast in het kasteel Landsberg voor een nieuw onderhoud met de Ruhrindustriëlen. En op 19 november 1932 richtte het kruim van de Duitse monopolieheren en grootgrondbezitters een verzoekschrift aan rijkspresident von Hindenburg. Daarin riepen ze de Duitse president op om Hitler te benoemen tot rijkskanselier. Tot de ondertekenaars behoorden de reeds genoemde bankiers Kurt von Schorder en Hjalmar Schacht en NSDAP’er en staalbaron Fritz Thyssen. En voorts de grootgrondbezitter graaf von Kalckreuth (voorzitter van de Reichslandbund), Friedrich Reinhart (Commerzbank en Privatbank), de Duitse topreders Emil Helfferich (rederij HAPAG) en Kurt Woermann (Hamburger Rederei Woermann), Fritz Beindorff (verzekeringsmaatschappij Gerlin Versicherungskonzern), de hoogovenpatroon Ewald Hecher (Ilseder Hütte), Fritz Springorum, algemeen directeur van het chemieconcern Hoesch en vele andere industriëlen, bankiers en grootgrondbezitters.

Op 4 januari 1933 had in de villa van bankier Kurt von Schröder in Keulen een ontmoeting plaats tussen kanselier von Papen en Adolf Hitler. Daar werden de definitieve afspraken gemaakt. Op 30 januari 1933 benoemde president Hindenburg Hitler tot kanselier. De Weimarrepubliek was ‘via de legale weg’ uit de weg geruimd. Hitler kon aan de opbouw van zijn dictatoriaal regime beginnen, dat de Duitse arbeidersbeweging (vakbondsleiders en –leden, socialisten en communisten) en de Duitse democraten gewelddadig zou verpletteren en stap voor stap de Tweede Wereldoorlog zou voorbereiden. Het Duitse monopoliekapitaal had de nazi-leider aan de macht gebracht…

 

‘Meer dan 50% van de Duitsers heeft een bewust anti-Duitse instelling’

1926 was ‘een moment suprème’ in de steile opgang van Adolf Hitler naar de macht. Kurt Gossweiler beschrijft hoe de NSDAP-leider op 28 februari een urenlang betoog mocht houden voor ‘Nationalklub von 1919’ in Hamburg. Deze club noemde zichzelf ‘een vereniging van de maatschappelijke en economische elite’ en telde een vierhonderdtal leden: industriëlen, reders, scheepswerfbezitters, bankiers en groothandelaren.

De toekomstige ‘Führer’ werd voor de leden van club ingeleid door een erg lyrisch gestemde Dr. Vorwerk: “inleidende woorden zijn eigenlijk overbodig voor de gast die wij vanavond de eer hebben in ons midden te mogen begroeten.” “Hij is door zijn politieke activiteit in korte tijd een bekendheid geworden. Hij is pas na de oorlog in de publieke arena getreden. Zijn dappere inzet voor de eigen overtuiging heeft hem in de breedste kringen waardering, verering en bewondering opgeleverd. Wij zijn zeer verheugd dat hij vandaag bij ons te gast is. Aan die vreugde hebben de clubleden ook uitdrukking gegeven door hun talrijke aanwezigheid hier vanavond. Waarschijnlijk was nog geen enkele bijeenkomst van de club zo druk bezocht als die van vandaag.”

Daarop kon Adolf Hitler van wal steken met een uren durende donderspeech met als centraal thema ‘de uitroeiing van het marxisme in Duitsland’. Het klonk de bankiers en industriëlen in het ‘rode’ Hamburg als muziek in de oren. “Meer dan de helft van alle volwassen mannelijke en vrouwelijke inwoners heeft een bewuste anti-Duitse instelling,” zei Hitler. “De kwestie van de Duitse wederopstanding is onlosmakelijk verbonden met de vernietiging van de marxistische levensbeschouwing in Duitsland. Zolang die niet wordt uitgeroeid, zal Duitsland niet kunnen opklimmen. Er zijn 15 miljoen Duitsers die bewust en overtuigd antinationaal denken, en zolang deze groep die het levendigste en krachtigste deel van de bevolking is, niet wordt teruggeleid naar de schoot van een gemeenschappelijk nationaal gevoel, is elk betoog over een wederopstanding en herovering van de oude macht een hoop loze woorden zonder enige betekenis. De vernietiging van de marxistische levensvisie is iets wezenlijk anders dan het doel dat de burgerlijke partijen voor ogen hebben, want zij zijn alleen geïnteresseerd in een verkiezingsoverwinning.”

“Hoe kan een volk überhaupt nog een rol van betekenis spelen, wanneer 50% bolsjewistisch is ingesteld en 50% nationalistisch en antibolsjewistisch is? Het is onmogelijk een sterk en gezond Duitsland op te bouwen wanneer 50% van zijn inwoners bolsjewistisch en 50% nationalistisch georiënteerd is! Het marxisme moet uitgeroeid worden! En als men ons verwijt dat wij onverdraagzaam zijn, dan geven wij toe dat we daar trots op zijn. Ja, wij hebben het onverbiddelijke besluit genomen het marxisme in Duitsland met wortel en tak uit te roeien. De burgerlijke partijen hebben zeventig jaar de tijd gehad om eraan te werken. Waar is de organisatie die zich met de onze vergelijken kan? Waar is de organisatie die zoals de onze zo nodig 40.000 man op straat kan brengen die blind gehoorzamen en ieder bevel uitvoeren?”

“Als ik in staat ben de brede volksmassa terug te leiden tot de schoot van de Duitse natie, wie zal mij dan later nog verwijten maken over de gebruikte middelen?”

Dat zijn dictatuur met blinde terreur en geweld zou gepaard gaan stond voor Hitler in 1928 als een paal boven water: “Wanneer wij zegevieren wordt het marxisme vernietigd en wel tot op het bot,” voorspelde Hitler voor de leden van de Nationalklub. “Elk middel dat naar dit doel leidt, is een rechtvaardig middel.” Die avond werd Hitler in Hamburg door de leden van deze selecte club van de ‘maatschappelijke en economische elite’ herhaaldelijk onderbroken met een staande ovatie…

Hitler wist dat hij bij zijn opmars naar de dictatuur met een sterke tegenstander diende af te rekenen. Dat bleek duidelijk uit de verkiezingsresultaten. Bij de parlementsverkiezingen in 1928 behaalde zijn NSDAP 810.000 stemmen, de KPD (de communistische partij) kreeg 3,2 miljoen kiezers achter zich, de sociaal-democratische SPD 9,1 miljoen. Vier jaar later in 1932 – enkele maanden voor de machtsovername van Hitler en nadat industriëlen en bankiers miljoenen in de NSDAP-machine hadden gepompt – behaalden de nazi’s bij de rijksdagverkiezingen 13,7 miljoen stemmen, de KPD 5,2 miljoen en de SPD 7,9 miljoen.

(Uitpers, nr. 77, 7de jg., juli-augustus 2006)

U kan dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=464541&refsource=uitpers