"Wie weet spreekt niet, en wie spreekt weet niet"

Zhuang Zi. De volledige geschriften.Het grote klassieke boek van het taoïsme.Vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper. Amsterdam-Antwerpen, Uitgeverij Augustus, 2007. 439 blz.

 

Waarom dit boek?

Omdat kennis nog geen wijsheid is.

Wij worden door de media overspoeld met feiten over wat dan ook.

En zijn we er daarom wijzer door geworden?

Te veel informatie verstrooit, brengt dus verwarring in de geest en het hart.

En wel hierom: omdat de informatie als evenwaardig gebracht wordt, zonder verbanden, zonder duidelijk te maken dat het ene oorzaak is van het andere, zonder duidelijk te maken dat het ene van een andere orde is dan het andere. En daarover gaat dit boek: kennis en wijsheid.

Daarbij komt nog dat een van de axioma’s van dit maandblad is dat wij verder moeten kijken dan onze neus lang is. Kortom, wij zijn kosmopolieten .

Ik ben in aanraking gekomen met dit boek door het volgen op de Nederlandse TV van het VPRO programma ” Boeken ” .Het wordt elke zondagochtend om 11.30 uur uitgezonden. Ik raad dit programma trouwens ten zeerste aan, alsook het volgen van de website (http://.boeken.vpro.nl ).

Bij het volgen van het gesprek van de moderator met de vertaler en commentator van deze taoïstische teksten, de heer Kristofer Schipper , was ik onmiddellijk ingenomen met diens persoon : bescheidenheid (van de wetenschapper), het vermogen om alles in zijn betrekkelijkheid (samenhang) te zien en een fijnzinnige berustende humor (wat uiteraard de veruiterlijking is van dat vermogen tot relativeren). Kortom, de incarnatie van het taoïsme.

Wie is Kristofer Schipper? Hij is emeritus hoogleraar sinologie van de “Ecole Pratique des Hautes Etudes” in Parijs en van de Universiteit Leiden.

Hij wordt beschouwd als een wereldberoemd kenner van het taoïsme en is zelf opgeleid tot taoïstisch meester.Sinds 2001 woont hij in Fuzhou in China, waar hij de Bibliotheek van de Westerse Belvedère heeft opgericht.

Ook ben ik zeer ingenomen met de inhoud van het boek zelf. Ik heb iets meer dan de helft gelezen. Het is naar mijn mening een boek dat je niet in één ruk uitleest. Het is meer een boek dat je aanzet tot bespiegeling dan tot kennis. Daarom kan je het niet aaneensluitend lezen, maar moet je regelmatig halt houden om over het gelezene na te denken.

Wie is de auteur en wat schrijft hij ?

Ik volg hier meestal letterlijk de inleiding van Kristofer Schipper.

U moet me maar geloven, lezer. De reden is niet intellectuele luiheid, maar de zekerheid dat hij het beter zegt dan ik zou kunnen.Een hol vertoon van dat ik het beter kan is ons immers vreemd. Graag wil ik eindigen met enkele zinnen uit de geschriften zelf te citeren. Deze staan dan uiteraard tussen aanhalingstekens.

Zhuang Zi’s geschriften behoren tot de oudste taoïstische teksten. Men neemt aan dat ze gedurende de vierde en derde eeuw voor onze jaartelling zijn geschreven.

Meester  Zhuang, wiens eigennaam Zhou (” de Volkomene”) is, moet omstreeks 360 tot 300 geleefd hebben, hetgeen hem tot een tijdgenoot van Aristoteles maakt.

Hij kan onmogelijk de auteur van alle hier verzamelde teksten geweest zijn. Alleen het oudste gedeelte, d.w.z. de Innerlijke geschriften, stamt uit zijn tijd. De twee andere gedeelten, de Uiterlijke en de Gemengde geschriften, zijn van latere datum, in elk geval van voor 240 voor onze jaartelling. Niet het werk van één auteur dus, maar de traditie van een gehele school over een periode van ongeveer honderd jaar ligt in deze geschriften besloten.

Deze geschriften behoren volgens Schipper tot de oorspronkelijkste en invloedrijkste werken uit de wereldliteratuur. De invloed ervan op de Chinese en Japanse  beschavingen kan moeilijk overschat worden. Niet alleen taoïsten, maar ook confucianisten en boeddhisten hebben voortdurend Zhuang Zi bestudeerd.

De geschriften omvatten allerlei korte verhalen filosofische beschouwingen, tweespraken , mystieke gedichten en wetenschappelijke observaties.

Zij zijn zeer anticonformistisch en paren een grote diepzinnigheid aan een duidelijk gevoel voor satire en humor.

Wie waren deze taoïsten ?

Zowel in sociaal als in religieus opzicht stonden taoïsten volkomen buiten het feodaal systeem en de daaruit voortgekomen confucianistische leer. Waar de volgelingen van Confucius allemaal tot de adel behoorden en heren van stand genoemd werden, vond men taoïsten uit alle lagen van de bevolking: boeren, handwerklui en vooral handelslieden.

Confucius (557-479 voor onze jaartelling) was de grondlegger van een zeer conformistische leer, die de fundamenten van de feodale orde en moraal verdedigde.Zo zegt Confucius in zijn Gesprekken ( of de Analecta ): “Laten de vorsten zich als vorsten gedragen, de onderdanen als onderdanen, vaders als vaders, zonen als zonen… . “

En het zijn deze confucianistische zedenpreken over morele en maatsschappelijke orde waar Zhuang Zi voortdurend de draak mee steekt.

Het antwoord van Zhuang Li daarop was dat de dingen niet vastliggen, maar steeds veranderen en zo ook hun begrippen of namen.

“Er zijn dingen die we kunnen weten omdat we ze kunnen bewijzen. Maar tenslotte zijn er ook veel dingen die we weten zonder dat we ze kunnen of hoeven te bewijzen. En er zijn ook heel veel dingen die we niet weten en nooit zullen weten, en die zijn vaak belangrijker dan de dingen die we wel weten.” (p.27, Inleiding)

“Niet het zijn maar het niet-zijn; niet het weten maar het niet-weten; niet het doen maar het niet-doen bestemt onze werkelijkheid. Dat is de ware hoedanigheid, de waarachtigheid (zhen) van de Tao.” ( p.28, Inleiding)

Waar het bij meester Zhuang om gaat is de vraag van de kennis.

Niet de kwestie van het zijn (ontologie) maar van het kennen (epistemologie) staat bij hem centraal.

En naast het weten is er het niet-weten, naast het bewuste ook het onbewuste.

Onze bronnen van kennis zijn niet alleen onze zintuigen en ons verstand, maar ook onze intuïtie en ons gevoel.

Naast alle betrekkelijke werkelijkheden is er ook de “eigenlijke waarheid” (zhen), die we met ons verstand misschien nooit zullen kunnen bevatten, maar die juist daarom de echte werkelijkheid is. 

In plaats van het causale denken zoals bij de Grieken kiest het taoïsme voor de “correlatieve logica”: bepaalde dingen horen in een bepaalde categorie bij elkaar in de zin dat het een niet zonder het ander kan.

Aan de basis van deze correlatieve logica ligt een classificatiesysteem dat gebaseerd is op de observatie van de natuur en haar dynamische wetten: dingen zijn steeds in beweging (transformatie): dood en leven; seizoenen.

De categorieën van het Chinese correlatieve, zoals bijvoorbeeld yin en yang, zijn universeel. Ze zijn zowel immanent (inherent aan alle dingen) als transcendent (de dingen bepalend).

Maar, lezer, wees gerustgesteld, de geschriften zelf zijn veel boeiender dan ik hierboven met mijn verhaal suggereer.

Daarbij is de commentaar (zowel historische als filosofische uitleg) door Kristofer Schipper zeer compact gehouden. Het kan wel eens anders uitvallen.

Dus, de Zhuang Zi is niet het werk van één persoon, maar een verzameling van teksten die een traditie vertegenwoordigt en vergelijkbaar is met de chassidische verhalen zoals opgetekend door Martin Buber (M.Buber. Die Erzählungen der Chassidim.Dresden.1949).

Naast het citaat bovenaan vermeld en dat op mij het meeste indruk maakt, nog enkele citaten :

Kritiek op de hypocritie van de zedenpreken van de confucianisten:

“Woorden voor disputen gebruikt, bereiken niets;

Medemenselijkheid die te aanhoudend is, is niet alomvattend;

Bescheidenheid die te zuiver is, is niet te vertrouwen;

Dapperheid die gewelddadig is, is niet volmaakt.” ( p.65 )

 

De verandering der dingen: leven en dood:

“Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhou was.

Nu is de vraag of ik Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was.

Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder.

Dat noemen we dan maar de verandering der dingen.” ( p.71 )

Dit idee van de verandering der dingen komt vaak voor in deze geschriften, vooral met betrekking tot de overgang van leven naar dood.

Leven en dood zijn in het taoïstische denken maar schijnbare verschillende aspecten van de alomvattende en eenmalige natuur.

De verandering der dingen is slechts een oppervlakkig fenomeen.

 

Definitie van de mens:

“Wat wordt bedoeld met: “de ware mens” ,

De ware mens van weleer bood geen weerstand aan ellende, noch ging hij prat op welslagen, noch streefde hij naar macht.

Zij, die deze hoedanigheid bezaten waren niet spijtig wanner zij faalden, noch tevreden over zichzelf wanneer ze iets bereikten.”(p.106-107)

 

Het aanvaarden van het moment van de dood :

“Ja heus, toen ik het leven kreeg was dat omdat de tijd daarvoor was aangebroken, en nu ik het ga verliezen is dat ook volgens de aard der dingen. Zij die vrede hebben met het verloop van de tijd en berusten in de natuurlijke gang van zaken, op hen kan verdriet noch vreugde enige vat krijgen.” (p.115)

 

De vraag naar het waarom is nutteloos:

” Meneer Mengsun weet niet waarom men leeft, hij weet niet waarom men sterft, hij weet niet van vragen naar wat voorafgaat, noch naar wat later komt.” (p.119)

 

Over de klassenmaatschappij in het liefdadigheidswerk:

” Dat binnen de families van de edellieden menslievendheid en gerechtigheid zo goed in stand gehouden worden, komt dat niet neer op het zich onrechtmatig toe-eigenen van menslievendheid en gerechtigheid, de leer van de wijzen?” (p.148)

Hierover heeft Zhuang Zi het meermaals in zijn kritiek op de gezagsgetrouwe confucianisten.Trouwens, lezer, is het U nog niet opgevallen hoeveel mensen uit de hogere klasse werkzaam zijn in de zogenaamde liefdadigheidsinstellingen als daar zijn Koning Boudewijnstichting, Child Focus, Rode Kruis, Amnesty International .De elite moet blijkbaar haar geweten sussen en stuurt haar dochters en zonen naar dergelijke organisaties, – uiteraard tegen betaling.

 

De grijze massa kijkt op naar de rijken en neer op de armen:

“Pas op dat je de harten van de mensen niet gaat vertroebelen” , zei Oude Langoor, “Het mensenhart veracht nu eenmaal wat laag is en dweept met wat hoog is.”

(p.156)

 

Definitie van het conformisme:

” Praten over grote verdiensten, werken voor een grote naam, de riten van vorst en onderdaan volgen, het correcte verschil tussen hoog en laag handhaven, al dat wordt gedaan in de naam van de “orde”, en anders niet. Dat is waar de heren van het hof, zij die hun vorst vereren, hun land sterk willen maken en al hun inspanningen erop richten om andere staten in te lijven , van houden.” (p.212)

 

Wat is geluk ?

“Bestaat er zoiets in de wereld als volmaakt geluk of niet? Is het mogelijk het lichaam in leven te houden of is dat onmogelijk?

Wat moet men doen? … Wat moet vermeden worden? Waar moet men aan vasthouden? Wat te zoeken en wat te vermijden? …

Ja, waar de wereld het meest om geeft is grote rijkdom, een voorname positie, hoge ouderdom en een goede naam, en waar men zijn plezier in vindt is een rustig leven, lekker eten, fraaie kleren, mooie dingen om naar te kijken en welluidende muziek.

Wat men minacht is armoede, lage afkomst, vroege dood en verstoting.

Rijke mensen matten hun lichaam af met al hun zwoegen, en vergaren meer geld dan ze ooit kunnen gebruiken.

De mens wordt geboren, en daarmee ook zijn zorgen. Zij die lang leven worden seniel van het zich alsmaar zorgen maken of ze misschien niet doodgaan.Wat een narigheid !

(… )

Ik zie dat het geluk van de gewone mensen iets is waar ze in massa’s hardnekkig achteraan hollen, alsof hun leven ervan afhangt. Maar wat ze daar allemaal voor geluk vinden, daarvan moet ik bekennen dat ik niet weet of dat wel geluk is of niet. Is er uiteindelijk wel zoiets als geluk , of soms niet ? ” (p.236-237)

 

 

Lezer, met deze citaten hoop ik Uw nieuwsgierigheid gewekt te hebben.

Er staan veel ” wijze ” gedachten in.

Trouwens nog een laatste informatie: er komen vele figuren in voor, die een typische naam dragen zodanig dat je als lezer onmiddellijk begrijpt waarover het gaat:

Duisterman Afwezig, Zondertenen, Liploos de Mismaakte met de Bochel, Alleenstaande, Meester Leergang, Tandeloos, Mens Zonder Naam, Oude Langoor, Hebbesman, Harmoniebesef, Onbeschaamd, Nooitgenoeg, etc.

Lezer, staat U me toe deze geschriften ten zeerste aan te raden om het steeds op Uw nachtkastje ter lezing klaar te hebben liggen .

(Uitpers, nr 85, 8ste jg. , april 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=470439&refsource=uitpers