Water als kapstok voor multipartijsamenwerking

Marc Craps. Multipartijsamenwerking en lokale gemeenschappen, leren uit ontwikkelingsinitiatieven voor het duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen in de Andes.(Promotor: Prof. Dr. René Bouwen), Katholieke Universiteit van Leuven, 2005, 329 blz.

Wat kunnen we leren uit ontwikkelingsinitiatieven voor een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen in de Andes? Dat was de uitgangsvraag voor het proefschrift van Marc Craps, een bijna vijftigjarige ‘student’ en ngo-coöperant met ruime Latijns-Amerika ervaring die aan de KUL promoveerde tot Doctor in de Psychologische Wetenschappen. Walter Lotens las zijn boek en sprak met hem.

De Zuid-Ecuadoraanse Andes is een ecologisch fragiele en economisch achtergestelde streek. Landverschuivingen, maken de panamericana, de verbindingsweg van Quito naar het zuidelijke Cuenca, bij momenten onberijdbaar. Erosie en ontbossing wegen zwaar op het nochtans prachtige landschap. Vooral de ontvolkende provincie Cañar met veel inheemse comunidades krijgt geregeld zware klappen te verduren.

“De arme lokale gemeenschappen zijn steeds de voornaamste slachtoffers van milieurampen,” zegt Marc Craps (1957°) die bijna vijftien jaar in de regio werkte. In zo’n ecologisch slechte situatie dreigen levensnoodzakelijke en duurzame drinkwatervoorzieningen voortdurend geruïneerd te worden.”

Craps weet waarover hij spreekt. Als ngo- en universitair coöperant heeft hij een aantal rurale projecten met watervoorzieningen gedurende bijna tien jaar van zeer nabij gevolgd, niet zozeer vanuit de technische kant maar eerder als aanleiding voor een samenwerkingsverband tussen ngo’s, lokale gemeenschappen en besturen, en andere actoren. Onlangs promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit Leuven tot Doctor in de Psychologische Wetenschappen, niet met de bedoeling om zijn kennis en ervaring in een ivoren toren te steken, maar als aanzet tot een gezamenlijke reflectie over acties om tot nieuwe inzichten en leren te komen.

Water

Centraal in zijn onderzoek staat een case study over drinkwatervoorziening in de kantons Cañar, El Tambo en Suscal. Het gaat om een oppervlakte van bijna 1000 km² en een bevolking van 75.000 inwoners waarvan drie vierde op het platteland woont. De provincie Cañar is één van de meest economisch en sociaal achtergebleven gebieden, waar drinkwaterprojecten al tientallen jaren gedoemd waren te mislukken.

Ecuador, zoals de meeste derdewereldlanden, kampt al jaren met het probleem van goede drinkwatervoorziening en riolering. Door de bestuurlijke decentralisatie in de jaren negentig spelen, naast de lokale gemeenschappen en de ngo’s, nu ook de gemeentebesturen een belangrijke rol in de rurale drinkwatersector. Die verschillende partijen zitten niet altijd op dezelfde lijn. Dat bleek ook in de provincie Cañar waar men al twintig jaar bezig was met de identificatie, formulering en goedkeuring van een grootscheeps irrigatieproject.

Marc Craps wijst op de strijdvaardige houding van de lokale bevolking: “De Cañari zijn geen doetjes. Dat heb ik aan de lijve ondervonden. Toen wij op 12 oktober 1992, uitgerekend ‘Vijfhonderd jaar na Colombus’, met ons gezin van Peguche bij Otavalo naar Cuenca verhuisden, werden wij in Canãr opgehouden door een levantamiento van de inheemse bevolking. Boomstammen op de weg dwongen ons om rechtsomkeer te maken.”

Craps zet nog eens enkele feiten rond het oorspronkelijke project op een rijtje: “Het plan om een stuwdam te bouwen op het Culebrillas-meer stootte op grote weerstand bij een gedeelte van de plaatselijke bevolking. De tegenstanders van de geplande stuwdam schrokken niet terug voor fysiek geweld tegen stafmedewerkers en politieke autoriteiten. Er vielen gewonden bij gevechten tussen verschillende partijen. De staatssecretaris, op bezoek in de streek, werd samen met enkele projectmedewerkers een tijdlang gegijzeld. Een opgehitste massa, waarbij verschillende naaste familieleden van de projectstaf, stak het goed uitgeruste hoofdkwartier van de provinciale indiaanse organisatie in brand, terwijl er een grote groep in vergadering was. De aanwezigen konden zich ternauwernood uit de vlammenzee redden.”

De media zagen deze gebeurtenissen als een uiting van de toegenomen machtsstrijd tussen indianen en mestiezen. Craps wijst erop dat de realiteit veel complexer is dan deze polariserende visie: “De voor- en tegenstanders van het waterproject vielen niet samen met de etnische groepen indianen en mestiezen. Dat is een stereotype verklaring die vaak van buitenaf, zeker ook vanuit het Westen, wordt gegeven. In de praktijk zijn er ook andere belangen en belangengroepen aanwezig. Er waren de drie stedelijke centra die van oudsher met elkaar rivaliseerden, er waren de stroomopwaarts gelegen eigenaars van het water, de lager gelegen begunstigden van de stuwdam, maar ook de strijd om het leiderschap van de provinciale inheemse organisatie en, last but not least, de strijd tussen katholieken en evangelische sekten. Het was één groot kluwen.”

Volgens Craps hadden de experten uitsluitend aandacht voor de inhoudelijke aspecten van het project en niet voor de gespannen verhoudingen en sluimerende conflicten tussen de betrokkenen. Als psycholoog en ontwikkelingswerker kijkt hij kritisch aan tegen de kant-en-klare-oplossingen van de logical frameworks en project cycle management die men binnen de ontwikkelingssamenwerking tot de nieuwe toverbegrippen verheven heeft. “De realiteit heeft geen kaders. Wij, in het Noorden, hebben logische kaders in het hoofd, maar dat is arbitrair want in de praktijk blijkt dat verschillende groepen met verschillende belangen heel andere kaders hanteren. Ten tweede zijn die kaders veel te rechtlijnig geformuleerd in termen van oorzaak naar gevolg, terwijl de realiteit veel complexer is.” Craps wijst ook op de kunstmatige voorspelbaarheid die in zo’n voorgeprogrammeerd systeem ingebouwd zit, waardoor andere wendingen die zich in de context van het project kunnen voordoen niet kunnen worden benut als positieve kansen. Het geheel wordt volgens hem ingegeven door een controlelogica van buitenaf door de projectfinancier.

Multipartijsamenwerking

Uit een evaluatie van de mislukte projectstart door de Ecuadoraanse socioloog Jorge León bleek dat de afwezigheid van een participatieproces voor de begunstigden als een groot manco werd ervaren. Op basis van die conclusies werd er dan ook een nieuw ‘participatief’ projectconcept geformuleerd. Het accent van het project bleef op productieverhoging liggen, maar “water” werd ingebracht omdat de projectleiders hoopten dat in dat domein meer kansen voor participatie en samenwerking lagen. Vanaf toen begonnen de partijen stilaan dichter naar elkaar toe te groeien. Craps: “Ondanks een diep wederzijds wantrouwen tussen de inheemsen en de blanke elite die de politieke touwtjes in handen houdt, kwam er toch een samenwerking tot stand tussen indiaanse gemeenschappen, lokale overheidsinstellingen en ngo’s. Heel belangrijk daarin was de keuze voor drinkwater. Het was dé kapstok waaraan iedereen zijn jasje wilde ophangen.”

Op die manier kwam er geleidelijk aan een proces van multipartijsamenwerking (MPS) op gang. Wat is dat voor een ding? Craps: “Dat is een redelijk nieuw begrip binnen de organisatiepsychologie. Het is een benadering waarbij zoveel mogelijk betrokken partijen – met elk hun eigen kijk – bij elkaar gebracht worden om samen tot een betere oplossing van een bepaald probleem te komen. MPS is meer dan een participatieve conceptbenadering, waarin slechts binnen een bepaald opgelegd kader kan worden geparticipeerd. In MPS wordt de probleemstelling zelf geformuleerd door alle betrokken partijen.

Met veel vallen en weer opstaan kwam het project dan toch uiteindelijk van de grond. Hoe kon dat? “Doordat,” zo stelt Craps vast, “er veel aandacht was voor niet alleen de overeenkomsten maar ook de verschillen tussen alle betrokken partijen. Doordat er niet één partij vanaf het begin één rechtlijnige strategie vooropstelde, maar er telkens weer moeite werd gedaan om de verschillende inzichten en belangen met elkaar af te wegen. Doordat bij iedere stap werd nagegaan of de plaatselijke kleine gemeenschappen niet onbewust werden uitgesloten.”

Craps spreekt niet in hoera-termen over MPS. “Je moet als ontwikkelingswerker beseffen dat het begrip ‘duurzaam’ heel relatief is. Zolang er geen maatschappelijk netwerk bestaat dat die duurzaamheid kan garanderen zijn alle oplossingen, hoe mooi ook op papier, ontoereikend. Samenwerkingsrelaties op langere termijn kun je niet in een logisch kader of een ander instrument om projecten beheersbaar te maken, zetten. Die moet je blijven opbouwen en onderhouden. Dat proces van niet -conflictloze netwerkvorming is in het project van Cañar tot op vandaag aan de gang. Op lange termijn kan het een belangrijke bijdrage leveren om de duurzaamheid van alle watersystemen in de streek van Cañar te verhogen.”

(Uitpers, nr. 81, 8ste jg., december 2006)

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).