Wat nooit genoeg kan gezegd worden

Luc Devoldere (°1956), jarenlang als waardige opvolger van Jozef Deleu de bezieler én vernieuwer van het tijdschrift ‘Ons Erfdeel’ (thans ‘De Lage Landen’) én van de vele andere publicaties die uitgaan van de gelijknamige vzw, ging in 2021 met pensioen. En de recensent is geneigd dit jongste, fraai uitgegeven boek te beschouwen als een cadeautje voor de emeritus. Het brengt teksten van Devoldere bijeen die voor het grootste deel al eerder verschenen, in boeken of tijdschriften (of op het hedendaagse milieu- en budget-vriendelijker alternatief: een webstek), maar die hier, gebundeld, hun verdiende gewicht (ook letterlijk) krijgen.

De ietwat raadselachtige titel is ontleend aan een gedicht van wijlen Menno Wigman, dat het hele boek inleidt. Devoldere is een groot bewonderaar van Wigman, en gebruikt diens gedicht ‘Jeunesse dorée’ als achtergrond voor zijn eerste ‘pleidooi’.

Inderdaad: de vele ‘pleidooien en aanklachten’ leveren niet alleen de ondertitel van het boek; ze zijn ook uiterst lezens- en vooral behartenswaardig. Devoldere maakt meteen duidelijk waar het hem om te doen is. Hij pleit “voor een vorm van mentale hygiëne in ons spreken en schrijven. Die zijn namelijk geïnfecteerd door één taalspel, het economische, dat efficiëntie beoogt en gelooft dat alle weten meten is, dat alles maakbaar en verhandelbaar is, dat de techniek van de communicatie belangrijker is dan de kunst van de conversatie. Dit pleidooi is dus ook een aanklacht. Ik pleit daarentegen voor zindelijk en waakzaam formuleren, voor het benoemen van de dingen, het definiëren van concepten, het beschrijven van de werkelijkheid.“

In dat geïnfecteerde taalspel moeten vaardigheden voortaan ‘competenties’ heten of ‘skills’, en mogelijkheden ‘opportuniteiten’. Daar overheerst “de neiging om alles wat we voortbrengen een ‘product’ te noemen”. Dàt is “de dominantie van een ideologie die niet meer als een ideologie wordt ervaren. Men zou ze kunnen omschrijven als ‘neoliberaal’. Privatisering en deregulering zijn haar ordewoorden.”

Zoveel is duidelijk: Devoldere heeft het niet begrepen op de alomvattende ‘economisering’ die zelfs de taal al verregaand heeft aangetast.

In de indrukwekkend brede waaier van thema’s die hij in dit boek bestrijkt met zijn ‘pleidooien en aanklachten’ én andere cultuurhistorische beschouwingen gaat hij daartegen in met die hem zo kenmerkende mengeling van minzaamheid en strengheid, gedragen door een sierlijk Nederlands. Zodat niet slechts de inhoud maar ook de vorm het lezen van zijn diatribes en overpeinzingen tot een genot maakt.

Het is dan ook beslist niet raadzaam de 39 bijdragen in één keer uit te lezen: dat zou onrecht doen aan de brede waaier van wisselende thema’s. En het plezier verminderen om elke tekst op zichzelf te ‘savoureren’. Dat woord is niet overdreven. Is Devoldere verliefd op taal? Hij koestert ze in elk geval. En verkent ze, probeert ze te doorgronden, te peilen wat men ermee kan doen in proza, poëzie, vertalen, gesprekken. In zijn slot-essay ‘over vergelijking’ mediteert hij bijvoorbeeld over de verhouding tussen taal en werkelijkheid, over hoe taal staat tot ons denken of zelfs ons zijn.

De auteur – hij weze erom geprezen – schrikt er niet voor terug om buiten de gestroomlijnde politiek-correcte lijntjes te kleuren wanneer hij die lijntjes een ‘carcan’ ofte verstikkend keurslijf vindt. Zo vraagt hij zich in een uitermate aanbevelenswaardige bijdrage af wat er goed of slecht is aan een ‘canon’ en waarom – meer concreet – de weldenkende Vlaamse intellectuele en artistieke elite een cultuurhistorische Vlaamse canon als des duivels beschouwt. Zijn ‘pleidooi voor een canon’ verschijnt in dit boek voor het eerst, en men kan vermoeden dat het nooit de zelfverklaarde kwaliteitskranten zou hebben gehaald. Omdat Devoldere de kwestie – én het woord zelf, zie ook zijn pleidooi voor “zindelijk formuleren” – nuchter en onbevooroordeeld benadert. Tegenover de hysterische angstvisioenen van sommige verlichte commentatoren stelt hij doodgewoon vast dat “in onze gefragmenteerde, zelfs geatomiseerde werkelijkheid geen enkele instantie, ook geen politieke, nog over genoeg macht beschikt, laat staan gezag, om een canon op te leggen, een levende traditie te betonneren, uitzichten dicht te timmeren of blinde vlekken te vereeuwigen.” En: “eigenlijk is er altijd een canon, zijn er altijd canons, bewust of onbewust, onder of boven de radar aan het werk. Waarom ze dan niet expliciteren ?” Want laten wij wel wezen: “als het ‘ideologisch’ zou zijn een canon op te stellen, welke ‘ideologie’ zou dan schuil kunnen gaan achter de stellige weigering dat te doen?”

Zo hoort u het ‘s van iemand die er bezwaarlijk kan van verdacht worden een bekrompen, fascistoïde nationalist te zijn, maar integendeel een uiterst gecultiveerd wereldburger is die er zich – dus? desondanks? – niet voor schaamt Vlaming te zijn. Een verschijnsel dat kennelijk volstrekt onbegrijpelijk is voor al die weldenkenden die àlles willen begrijpen behalve de eigen wortels – pardon, roots.

Het is dan ook waarachtig een verademing om (in een andere bijdrage) eindelijk nog eens iemand met enige cultuurhistorische bagage en beschaving te zien peilen naar het wezen én de grenzen van tolerantie. En er terecht aan te herinneren dat de Lage Landen – inclusief het prille koninkrijk België – ooit gegeerd waren als “wijkplaats voor de geest”.

Het is jammer genoeg ondoenbaar om aan die talrijke en heel uiteenlopende bijdragen stuk voor stuk aandacht te besteden. Een lukrake greep dan maar, om er nog enkele te signaleren.

Als wereldburger kan je artificiële staatsgrenzen met milde ironie bekijken (zoals Ons Erfdeel bijvoorbeeld deed met het fraaie kijkboek ‘Grens/ Frontière’) of met een sarcastische grijns, zoals Johan Van Gheluwe dat deed door nabij Oudenaarde tien eeuwen later opnieuw de grens te trekken tussen het ‘Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie’ en ‘le Royaume de France’. In zijn beschouwing daarover betrekt Devoldere niet zonder reden het legendarische ‘Kakanien’ dat door Musil onsterfelijk werd gemaakt toen het morsdood was.

En aangezien uit elke bespreking van een kunstwerk ook de auteur zelf spreekt, verbaast het niet dat het kleine drieluik over Stephan Vanfleterens fotografie een melancholie ademt die ook de schrijver tekent. Dat hoeft overigens in de verste verte niet te betekenen dat naast de melancholicus geen plaats zou zijn voor een onbeschroomde non-conformist. Het bleek al uit de superieure wijze waarop hij de kruisvaarders tegen complexloos-Vlaamse identiteit op hun meelijwekkende plaats zet; even complexloos laat hij een stuk over stations uitklinken in twee kinderliedjes uit vorige eeuw.

Naast de ‘pleidooien en aanklachten’ bevat deze bundel ettelijke lezenswaardige besprekingen of korte essays op het gebied van geschiedenis, plastische kunsten of oude en eigentijdse literatuur. Daarin kan de lezer her en der bescheiden pareltjes aantreffen, zoals bijvoorbeeld dat aforisme van Paul Valéry: “La poésie est une hésitation prolongée entre le son et le sens”.

Devoldere gebruikt die beschouwingen ook om zijn bewondering uit te drukken, maar verliest daarbij nooit zijn kritische zin. Daarvan getuigt bijvoorbeeld het ‘alfabet’ waarin hij – niet zonder kritiek, en daarom precies des te geloofwaardiger – een meer dan verdiende hulde brengt aan Paul Claes. Hij verliest ook nooit zijn kalme scepsis. Zo geeft hij ruimschoots aandacht aan Barrico’s jammerklacht (in ‘The Game’) over de invasie van de digitale wereld in ons ‘mens-zijn’; maar hij blijft daarbij – zoals ook in andere opgefokte debatten die te vaak de kern missen – rustig zelfbewust: “De conjunctief blijven gebruiken. Luchtig en doelbewust weerstand bieden.” Allemaal prachtig. Maarrr.

Ook uw recensent laat zijn kritische blik niet vertroebelen door bewondering, en betreurt drie eerder formele aspecten. Primo. Je kan van mening zijn dat teksten bij een heruitgave dienen gerespecteerd in de vorm waarin ze, jaren geleden, werden geschreven. Alleen: als die teksten over ongeveer twintig jaren zijn gespreid en vaak verwante terreinen bestrijken, krijg je net wat teveel herhalingen. Een kras op het esthetische genoegen. Secundo. Voor de nieuwsgierige lezer was het makkelijker geweest indien jaar en plaats van oorspronkelijke publicatie telkens achteraan elke tekst waren te vinden geweest in plaats van in een ongeordende ‘verantwoording’ op ‘t eind. Tertio. Een klacht die helaas ook voor andere en grotere uitgeverijen geldt: hoe is het in deze computer-tijden mogelijk dat een non-fictieboek (want dat is een essaybundel tenslotte toch) nog verschijnt zonder register?

Edoch: laat deze ‘minpuntjes’ uw leesplezier – naar inhoud én stijl – vooral niet vergallen.

Was alles al gezegd, nog niet door hen
Luc Devoldere
Uitgeverij P, Leuven
2021
288
(Visited 139 times, 1 visits today)
Deel dit artikel