Wat er aan de laatste tien jaar vooraf ging

Afghanistan heeft te kampen met een chronische instabiliteit. In de 19de eeuw was het gebied een pion in de Great Game tussen Tsaristisch Rusland en Brits-Indië. In de 20ste eeuw werd het onder de voet gelopen door het Rode Leger en daarna viel het ten prooi aan een gruwelijke burgeroorlog. Het nieuwe millennium bracht niet veel beterschap. De VS/NAVO-bezetting gaat in 2011 al haar tiende jaar in.

Bonte geschiedenis

Het gebied dat Afghanistan genoemd wordt, draagt de sporen van een lange en rijke geschiedenis. Het maakte in het verleden (niet altijd in zijn geheel) deel uit van vele grote rijken. In de 7de eeuw kwamen de Arabieren naar Afghanistan en islamiseerden het, maar reeds lang daarvoor was het land het toneel van slagvelden en bloeiende culturen. Heel wat historici beweren dat Afghanistan gerust de concurrentie met Egypte kan aangaan wat de waarde van de aanwezige archeologische sites betreft. Afghanistan ligt dan ook heel strategisch tussen het Midden-Oosten, Centraal-Azië en het Indische subcontinent, pal op de klassieke zijderoute. Het rijke verleden van Afghanistan reflecteert zich vandaag in de etnisch zeer diverse bevolking. Het land is een waar lappendeken, de waaier aan etnische groepen (waarvan de Pasjtoen de grootste groep is), de vele talen, en de verschillende religieuze invloeden, getuigen van de overvloed aan culturen die het land heeft gekend. In de 6de eeuw voor Christus werd het huidige Afghaanse territorium opgenomen in het immense Perzisch-Achaemenidische imperium. Dit rijk werd in de 4de eeuw v.Chris. ten val gebracht door de Macedonische veroveraar Alexander de Grote. Onder meer de Koesjana’s, de Parthen, de Hunnen, de Chionieten, de Hepthalieten, de Sassanieden en de Turken passeerden allemaal de revue voor de intrede van de Arabieren rond 650 na christus. Pas na een strijd met de Chinezen, de Tibetanen en de Turken die de controle over de commerciële zijderoutes doorheen Afghanistan niet zomaar wilden afgeven, konden de Arabieren in de loop van de 8ste eeuw de overwinning claimen. Vanaf de 9de eeuw moesten zij op hun beurt plaats ruimen voor een reeks voornamelijk Iraanse en Turkse dynastieën tot de Mongoolse veroveraar Djenghis Khan het Afghaans grondgebied in de 13de eeuw opslokte in zijn gigantische imperium, dat bijna geheel Azië en Europa omvatte. Aan het einde van de 14de eeuw veroverde de Turks-Mongoolse leider Timoer de belangrijkste Afghaanse gebieden. Rond 1500 veroverden de Oezbeken vanuit het noorden het huidige Afghanistan. Hun opmars naar het zuiden werd echter gestuit door de eerste Iraans Safavidische koning. Het huidige Iran, maar ook de Zuid-Afghaanse stad Herat bleven zo uit de handen van de Oezbeken. Herat zou met een aantal tussenpozen in Iraanse handen blijven tot het begin van de 18de eeuw. Ondertussen zou het noorden van Afghanistan en de westelijke stad Kandahar in de loop van de 16de eeuw deel gaan uitmaken van de Indiase Mogol-dynastie. De stichter van het Mogoel-rijk, Baboer, ligt trouwens begraven in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. In de 16de en 17de eeuw bekampten de Safavieden, de Oezbeken en de Mogols elkaar voortdurend, met als inzet de volledige heerschappij over het huidige Afghanistan. Het is in deze periode dat de Pasjtoen-stammen zich verspreiden en hun leiders aangeduid werden door de Mogols en de Safavieden om als hun lokale vertegenwoordigers tribuut in te zamelen en om hen te steunen in de strijd. De Pasjtoen vochten naargelang hun wisselende affiliaties dus tegen de Safavieden, de Mogols en onderling. Toen de overkoepelende rijken in het begin van de 18de eeuw in verval geraakten, wierpen verschillende Pasjtoen-confederaties zich succesvol in de strijd om de macht. In 1747 besliste een vergadering van de leiders van de belangrijkste Pasjtoengroepen dat Ahmad Shah Durrani koning zou worden van het gebied dat ze bemachtigd hadden op de grote rijken: Afghanistan. Er is op dat moment nog geen sprake van een staat. De koning stond alleen aan het hoofd van de Pasjtoen-troepen die erop uit trokken om grond en rijkdom te veroveren. De Pasjtoen-stammen behielden voor de rest verschillende gradaties van autonomie.

Durand-lijn

In de 19de eeuw werden de grenzen van het huidige Afghanistan vastgelegd. Het door Pasjtoen gedomineerde gebied zag zich in die periode geprangd tussen twee op expansie beluste grootmachten. Ten noorden van Afghanistan lag Tsaristisch Rusland en in het zuiden lag het Britse koloniale rijk. Zij waren verwikkeld in een strijd om de hegemonie in Zuid- en Centraal-Azië. Afghanistan en zijn lokale leiders werden daarbij gebruikt als pionnen in een spel. Eind 1838 brak de eerste Anglo-Afghaanse oorlog uit. De Engelsen vestigden zich in maart 1839 in Kaboel, maar het voortdurende en vurige verzet van de Afghanen dwong hen om zich in 1842 terug te trekken. De opmars van de Russen in Centraal-Azië maakte de Britten echter nerveus. Ze konden niet toestaan dat Afghanistan onder de invloed zou vallen van een vijandelijke militaire grootmacht en zochten de oplossing in een nieuwe en deze keer succesvolle poging om Afghanistan te veroveren via een tweede Anglo-Afghaanse oorlog (1878). Het Verdrag van Gandamak (1879) maakte van Afghanistan een Brits protectoraat. De Afghanen mochten hun zaakjes op binnenlands vlak zelf regelen, maar het buitenlands beleid werd voortaan bepaald door Groot-Brittannië. Tijdens de Britse koloniale heerschappij werd de zuidelijke grens van Afghanistan met het toenmalige Brits-Indië vastgelegd. Deze 2640 km lange grens die Afghanistan vandaag van Pakistan scheidt, kreeg de naam Durand-lijn mee, naar de minister van Buitenlandse Zaken van Brits-Indië. De grens werd getrokken dwars door het leefgebied van de Pasjtoenstammen. De Pasjtoen aan beide kanten van de grens en de opeenvolgende regeringen van Afghanistan -die bijna altijd door Pasjtoen geleid werden- hebben deze grens nooit echt aanvaard. Sinds de markering ervan streven de etnische Pasjtoen naar de hereniging van hun gebieden. De nieuwe staat Pakistan wilde echter niets weten van een verkleining van zijn grondgebied en de hele kwestie zorgde voor een snel groeiende vijandschap tussen Pakistan en Afghanistan. Vandaag beschouwen de Pasjtoen de Durand-lijn nog altijd als een opgelegde grens en wordt ze als het ware genegeerd. In de praktijk is ze dan ook zeer poreus. De betwiste grenslijn speelt een enorme rol in de huidige oorlog in Afghanistan. De Taliban en andere verzetsgroepen trekken zich namelijk vlotjes over deze grens terug en infiltreren van daaruit Afghanistan om te vechten tegen de bezettingstroepen. De Amerikanen kunnen de ellenlange grens onmogelijk controleren. De verzetsstrijders kunnen aan de Pakistaanse kant van de grens op steun en sympathie rekenen bij de Pasjtoen, maar plaatsten het Pakistaans regime voor problemen. Pakistan had zich officieel aangesloten bij de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme, in ruil voor de afschaffing van de sancties tegen het land voor zijn kernwapenprogramma. Het werd echter plotseling geconfronteerd met een groeiende druk van de VS om militair in te grijpen tegen de naar Pakistan gevluchte Taliban. In het verleden waren de lokale leiders in de Pakistaanse grensgebieden overeengekomen met de centrale regering om deze te erkennen in ruil voor de niet-inmenging in het plaatselijk bestuur. Toen Pakistaanse soldaten onder leiding van de VS in 2004 voor het eerst in de geschiedenis deze stamgebieden betraden, werd het fragiele evenwicht tussen de centrale regering en de stammen in deze grensgebieden verstoord. De reactie bleef niet uit. Pakistan wordt sinds zijn samenwerking met de VS geconfronteerd met allerlei fundamentalistisch geïnspireerde aanslagen.

Onafhankelijkheid

In 1907 kwam er een einde aan de Great Game tussen de Russen en de Britten, toen zij over de hoofden van de Afghaanse en de Iraanse leiders heen een akkoord sloten waarin overeengekomen werd dat Afghanistan binnen de Engelse invloedssfeer lag, maar dat de Russen er van dezelfde handelsrechten konden genieten. Ondanks de aanmoedigingen van de Duitsers en de Ottomanen om het tegen het gehate Brits-India op te nemen toen Wereldoorlog I uitbrak, bleef Afghanistan neutraal. De Britten waren echter niet geneigd om Afghanistan uit dankbaarheid de onafhankelijkheid te schenken en in 1919 lanceerden de Afghanen dan maar een derde Anglo-Afghaanse oorlog. De Britten bestookten Djalalabad en Kaboel vanuit de lucht. Afghanistan had ‘de eer’ om in dit deel van de wereld het eerste land in de geschiedenis te zijn, dat gebombardeerd werd vanuit gevechtsvliegtuigen. De Britten hadden zo kort na WO I blijkbaar niet veel zin in een volgend grootschalig militair conflict en er werd al gauw een vredesakkoord onderhandeld. Afghanistan verwierf in 1919 –in volle koloniale periode- zijn onafhankelijkheid. In 1933 kwam de 19-jarige Zahir Sjah op de Afghaanse troon terecht. Van 1933 tot 1953 kon de staat Afghanistan zich geleidelijk aan verder ontwikkelen. Kaboel stelde zich tijdens WO II opnieuw neutraal op en ontsnapte op die manier aan een zoveelste veldslag.

Daoud & de DVPA

In 1953 werd de neef van Zahir Sjah, Mohammed Daoud Khan, aangeduid als premier. Daoud wilde het land moderniseren onder impuls van de staat. Om de nodige middelen hiervoor te vergaren, wendde hij zich vooral tot buurland de Sovjet-Unie (SU). Met de wapens en militaire instructeurs die de SU naar Afghanistan stuurde, bouwde Daoud een modern leger uit. Maar de geldstromen kwamen niet alleen vanuit het Oostblok. Afghanistan kon ten volle profiteren van het Koude-Oorlogsklimaat. De SU en de VS wrongen zich in allerlei bochten om zoveel mogelijk landen binnen hun invloedssfeer te kunnen rekenen. Heel wat grote infrastructuurwerken in Afghanistan -zoals de aanleg van bruggen, wegen en luchthavens- werden gefinancierd door één van beide grootmachten.

In de jaren 1960 voerde premier Daoud met de steun van Zahir Sjah een confrontatiepolitiek tegen Pakistan omwille van Pasjtoenistan. Hij maakte zich daardoor onmogelijk bij de Westerse bondgenoten van Pakistan, de VS op kop. Daoud zag zich in 1963 verplicht om af te treden. In 1964 introduceerde Zahir Sjah een nieuwe grondwet die van Afghanistan een constitutionele monarchie maakte. De leden van het nieuwe parlement werden gekozen in september 1965 in algemene en tamelijk vrije verkiezingen. In hetzelfde jaar kwamen de tegenstellingen die al jarenlang aan het groeien waren voor het eerst zeer duidelijk bovendrijven. In de steden en vooral in Kaboel waren grote groepen jongeren ontstaan, die opgeleid waren in het publieke onderwijs (onderwijs was verplicht gemaakt onder de eerste grondwet van 1923) maar geen kansen zagen om functies op te nemen binnen het systeem. Bovendien waren ze teleurgesteld met hun gebrek aan representatie in het nieuwe parlement, dat voor het merendeel bezet werd door conservatieve afgevaardigden uit het platteland. Het is binnen deze brede groep van ontevreden jonge burgers dat de kiemen lagen van de de marxistisch geïnspireerde groepen. De jaren van steun en opleidingen in de SU hadden immers hun ideologische vruchten afgeworpen. De communistische Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) werd opgericht in 1965 en stond aan de wieg van de grote anti-Sjah beweging die het land zou overspoelen. In het begin van de jaren 1970 was zowel de politieke situatie (de koning had bijvoorbeeld nog altijd geen enkele partij officieel erkend) als de economische situatie (onder meer door aanhoudende droogtes) aanzienlijk verslechterd. De interne tegenstellingen in de Afghaanse samenleving bleven ondertussen vergroten. Het ongenoegen vertaalde zich in de steden in grote betogingen tegen de koning. Uiteindelijk werd in 1973 van Zahir Sjah’s afwezigheid gebruik gemaakt –hij was voor een oogoperatie naar Italië afgereisd- om hem van de macht te verdrijven. Het was zijn neef, voormalig premier Daoud, die met de hulp van de DVPA de republiek Afghanistan uitriep en zichzelf tot eerste president benoemde. De DVPA was in minder dan een jaar na de oprichting al uiteen gevallen in twee fracties: de Khalq-fractie onder leiding van Mohammed Tarraki en de Parcham-fractie onder leiding van Babrak Karmal. Daoud was aan de macht gekomen met de steun van het leger en vooral Parcham, maar het werd al snel duidelijk dat hij zich eigenlijk wilde ontdoen van de twistzieke communisten. De twee communistische fracties verenigden zich daarop tegen Daoud. Op 27 april 1977 pleegde het leger, onder leiding van een aantal officieren met communistische sympathieën, een bloederige staatsgreep (Saur-revolutie). De nieuwe president en tevens premier van Afghanistan was voortaan Mohammed Tarakki (leider van de Khalq-fractie van de DVPA). De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Hafizoellah Amin, was ook lid van Khalq. De leider van de Parcham-fractie, Babrak Karmal, werd de nieuwe vice-premier. Toen het gemeenschappelijk doel bereikt was, kwamen de oude tegenstellingen tussen beide fracties echter weer bovendrijven. De Parcham-aanhangers werden geleidelijk aan door de Khalq uit hun officiële functies gezet. Parcham-leider Babrak Karmal zag zich uiteindelijk zelfs verplicht om naar de SU te vluchten. Ondertussen groeide de onrust bij de Afghaanse bevolking, onder meer omdat een hele reeks nieuw uitgevaardigde decreten te drastisch bevonden werden. De regering van Tarakki initieerde o.a. een radicale modernisering van het traditioneel islamitisch civiel recht en wilde het feodale karakter van Afghanistan elimineren. Dit stuitte heel wat religieuze en lokale leiders tegen de borst. In sommige delen van het land werden opstanden met geweld onderdrukt. Ondertussen bleek het binnen de Khalq-fractie ook niet bepaald te boteren. In september 1979 pakte Mohammed Amin de functie van president af van Tarakki. Hij was echter evenmin bij machte om de groeiende onrust en het verzet van een deel van de bevolking een halt toe te roepen. De onlusten dreven de Russen ertoe zich met Afghanistan te gaan bemoeien. Ze konden immers niet toestaan dat hun buurland uit de Sovjet-invloedssfeer zou ontsnappen. In december 1979 vielen ze Afghanistan binnen en zetten ze Babrak Karmal op het hoogste schavotje. Een clausule in het Vriendschapsverdrag tussen Moskou en Kaboel (getekend in december 1978) gaf de Russen het recht militair in te grijpen in Afghanistan op vraag van de regering. Deze clausule fungeerde als legitimatie voor de inval. Karmal schroefde onmiddellijk enkele drastische maatregelen genomen door zijn voorgangers terug, maar dit leidde niet tot een vermindering van het verzet. Integendeel.

Moedjahedeen

Het islamitisch verzet stak al de kop op toen Daoud in 1973 met de hulp van de DVPA de macht gegrepen had in Afghanistan. De islamistische groepen waren in de loop van de jaren 1960 ook voortgesproten uit de groep van opgeleide maar misnoegde stedelijke jongeren. Ze streefden naar een rechtvaardigere maatschappij gebaseerd op de islam, als tegenreactie op alle westerse invloeden. Van zodra er communisten aan de macht kwamen, zagen zij in de seculiere regering de satanische vijand en kondigden zij een jihad af (heilige oorlog). De verzetsgroepjes waren aanvankelijk klein en hun acties ongecoördineerd, maar toen de SU Afghanistan binnenviel, kreeg het islamistisch verzet een nationalistische dimensie, waardoor het aan populariteit won. Moslims werden in de hele bredere regio gerecruteerd om in Afghanistan te komen vechten tegen satan in de vorm van de Sovjet-Unie. De fundamentalistische verzetsstrijders (moedjahedeen), die vanuit uitvalsbasis Pakistan opereerden, werden gesteund door buitenlandse machten zoals Saoedi-Arabië, Pakistan en de VS. Volgens politiek adviseur Brzezinski, het brein achter het Amerikaanse steunprogramma, besloot de inlichtingendienst CIA al zes maanden voor de Sovjetinvasie om het fundamentalistisch verzet van fondsen te voorzien. Toen de Sovjet-tanks Afghanistan effectief binnenrolden, werden ook de wapenleveringen opgestart. Van 1979 tot 1989 zou de CIA de moedjahedeen onder de codenaam ‘Operation Cyclone’ bewapenen, trainen en financieren. Het overgrote deel van deze hulp kwam via de Pakistaanse inlichtingendienst (ISI) bij een aantal fundamentalistische leiders terecht die al in de tijd van Daoud naar Pakistan gevlucht waren. Ze bemachtigden de volledige controle over de buitenlandse steun en verkregen op die manier veel invloed in de vluchtelingenkampen langs de Pakistaans-Afghaanse grens. Een invloed die totaal niet in verhouding stond met de kleine aanhang die ze hadden bij de bevolking in Afghanistan, maar die hen uiteindelijk tot belangrijke spelers in de Afghaanse maatschappij zou maken. De VS-steun had helemaal geen alternatieve politieke structuur voor ogen, maar was alleen gericht op het uitputten van de SU. Dat ondertussen een hele generatie fundamentalisten gekweekt werd, baarde de Amerikanen geen zorgen. Later zou één van de door de CIA gesteunde moedjahedeen-strijders zich ontpoppen tot ‘s werelds meest gezochte terrorist: Osama Bin Laden. Maar hij is zeker niet het enige monster van Frankenstein: Gulbuddin Hekmatyar, de Afghaanse moedjahedeen-leider die gedurende de Sovjetbezetting veruit de meeste VS-steun opstreek, voert vandaag bijvoorbeeld volop strijd tegen het door de Amerikanen ondersteunde regime van Hamid Karzai.

Déja Vu

De SU probeerde negen jaar lang om de controle over Afghanistan te bemachtigen, maar geraakte nooit veel verder dan de hoofdstad Kaboel, een aantal grotere steden en de verbindingswegen ertussen. In de rest van het onherbergzame land bleef het verzet onverminderd de kop op steken. Dit zal de NAVO ongetwijfeld bekend in de oren klinken. Op het hoogtepunt van de Sovjet-ontplooiing waren er 120.000 soldaten in het land. De NAVO heeft momenteel ongeveer 130.000 militairen in Afghanistan, maar de controle over het land blijft uit.

Toen Gorbatsjov in 1986 het roer overnam in de SU besefte hij dat hij zijn land uit het Afghaanse moeras moest zien te trekken. Hij verving de Afghaanse president Babrak Karmal door dr. Mohammed Najiboellah en probeerde vredesonderhandelingen te initiëren. Op 14 april 1988 werd in Genève een overeenkomst gesloten tussen Afghanistan, Pakistan, de SU en de VS. Het Sovjet-leger zou zich binnen de 9 maanden terug trekken uit Afghanistan en alle buitenlandse hulp aan de verzetsgroepen zou gestaakt worden. Op 14 februari 1989 verlieten de laatste Russische troepen het land. Uiteindelijk sneuvelden 13.000 Sovjet-soldaten en keerden meer dan 35.000 soldaten gewond of verminkt terug naar huis. De manier waarop de Amerikanen en de NAVO oorlog voeren -met hoogtechnologische apparatuur en zoveel mogelijk vanuit de lucht via bombardementen- heeft er voor gezorgd dat het dodentol bij de alliantie minder hoog ligt. Begin september 2011 staat de teller op 2710 gesneuvelden, maar het aantal doden stijgt jaar na jaar. Afgelopen augustus was zelfs de dodelijkste maand van de hele militaire campagne tot nu toe. De oorlogstechnieken van de NAVO zijn er dan wel op gericht zoveel mogelijk soldaten in leven te houden, voor de Afghaanse burgers blijken ze minder accuraat. Officiële cijfers van het aantal burgerdoden zijn niet voorhanden, maar alle schattingen lopen in de duizenden tot vele tienduizenden. Tijdens de negen jaar lange Sovjetbezetting kwamen honderdduizenden burgers om het leven en ontvluchtten ongeveer 5 miljoen Afghanen het land. Sinds 2001 zijn opnieuw zo’n 5 miljoen Afghanen op de vlucht geslagen, ofwel naar de buurlanden ofwel binnen de eigen grenzen. De geschiedenis lijkt zich herhaald te hebben. De NAVO heeft de hoofdrol van de SU overgenomen, maar de lijdende voorwerpen zijn dezelfde gebleven. Tussen 1980 en 1989 werd Afghanistan overspoeld door allerlei soorten wapens. De chaotische oorlogstoestand zorgde voor een sfeer waarin macht afgedwongen werd met geweld. Iets dat ook in stand gehouden wordt door de huidige militaire operatie.

Van heilige oorlog naar burgeroorlog

Ondanks de Sovjet-terugtrekking bleven de tot de tanden bewapende moedjahedeen de ‘communistische’ regering van Najiboellah bestrijden. Najiboellah kon het nog uitzingen tot april 1992. Toen werd Kaboel onder de voet gelopen door de verzamelde moedjahedeen. De verschillende verzetsleiders kwamen in de Akkoorden van Peshawar overeen dat ze een gezamenlijke regering zouden vormen met de Tadjiekse fundamentalistische krijgsheer Burhanuddin Rabanni als president. De in Europa populaire Ahmad Sjah Massoud werd aangesteld als minister van Defensie. De dag dat Rabanni zijn presidentschap opnam, braken er al gevechten uit in Kaboel. Massoud werd er geconfronteerd met de twee verzetsgroepen die de Peshawar-akkoorden niet mee ondertekend hadden, en met de militie van de Oezbeekse krijgsheer Dostoem die ondertussen van kamp gewisseld was. Er volgde een hele periode van strijd in en om de hoofdstad met steeds wisselende allianties. De hoofdstad werd volledig in puin gelegd. In het zuiden en het oosten van het land waren de lokale Pasjtoen-commandanten die zich plaatselijk verzet hadden tegen de regering van Najiboellah niet geneigd hun wapens en macht zomaar in te leveren nu er een moedjahedeen-regering aan de macht was. Met de overvloed aan wapens voorhanden opereerden overal lokale boevenbendes. Er heerste chaos en onveiligheid in heel het land.

Taliban & Al-Qaeda

Na de val van de Sovjet-Unie (1991) en gedurende de burgeroorlog was Afghanistan volledig van de radar van de westerse machten verdwenen. Afghanistan werd overgelaten aan de invloed van buurland Pakistan, dat verschillende redenen had om zich te blijven bemoeien met de Afghaanse binnenlandse aangelegenheden. Eerst en vooral was er nog altijd de kwestie Pasjtoenistan. Pakistan zag liever een bevriende Pasjtoen-regering aan de macht, waar eventueel afspraken mee te maken vielen. Bovendien waren door het uiteenvallen van de SU allerlei nieuwe Centraal-Aziatische republieken ontstaan die door Pakistan beschouwd werden als mogelijke handelspartners. Turkmenistan zat bovendien bomvol olie en gas. Om handel te kunnen drijven, was er echter een veilige verbindingsroute nodig dwars door Afghanistan, wat toch een zekere mate van stabiliteit in het land vereiste. De Pakistani zetten in 1994 daarom al hun pijlen op de Taliban. Deze militie bestond uit ex-studenten van de kleine zeer strenge islamitische scholen in de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan. In de jaren 1980 kregen de geïsoleerde Pasjtoen-vluchtelingen er ideeën mee die zich kenmerkten door een zeer strikte naleving van de islamitische wet en een sterk gevoel voor sociale gelijkheid. Hun veroveringstocht van Afghanistan was dan ook gebaseerd op eenvoudige morele principes zoals een einde maken aan de onveiligheid en de wetteloosheid. Onder leiding van de eenogige Moellah Omar rukten ze tamelijk vlot op. Zowel via de gewapende strijd, als via omkoping overtuigden ze heel wat lokale Pasjtoenleiders om zich achter hun strijd te scharen. Het vooruitzicht van vrede en stabiliteit maakte de Taliban redelijk populair bij de bevolking die oorlogsmoe was, maar ook bij buitenlandse machten die ondertussen de commerciële voordelen van een stabiel Afghanistan hadden ingezien, zoals Saoedi-Arabië en de VS die hun zinnen gezet hadden op de aanleg van een oliepijplijn dwars door Afghanistan.

Op 26 september 1996 veroverden de Taliban Kaboel. De fundamentalistische moedjahedeen-regering had in 1992 de sharia en de boerka al ingevoerd, maar de Taliban voegde hier in naam van de islam nog een reeks obscurantistische leefregels aan toe. Tegen 1998 was de Taliban er in geslaagd het land volledig te pacificeren, op een klein stukje in het uiterste noordoosten na waar de verschillende moedjahedeen-groepen samengedreven waren. Onder de verzamelnaam Noordelijke Alliantie zouden deze krijgsheren, die ontelbare mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden op hun naam hadden, in 2001 ingezet worden door de VS om de Taliban te verdrijven. Ze werden hiervoor opnieuw rijkelijk voorzien van geld en wapens en werden ondertussen beloond voor al hun moeite met mooie postjes in het Karzai-regime.

In 1985 richtte Osama Bin Laden in Afghanistan de Makhtab al Khadimat op, een organisatie die jihadi’s trainde om tegen de SU te vechten. Makhtab al Khadimat speelde een belangrijke rol in het ontstaan van het concept van een mondiale heilige oorlog. Na de terugtrekking van de Sovjet-troepen verliet Osama Bin Laden Afghanistan, maar in 1996 keerde hij terug. Op 7 augustus 1998 werden simultaan twee dodelijke aanslagen gepleegd op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania. De aanslagen werden aan Osama Bin Laden gelinkt en leverden hem een plaats op de VS-lijst van tien meest gezochte personen op. Aan de regering van Afghanistan werd gevraagd om de terreurverdachte uit te leveren. Ter verduidelijking: de Taliban was de nationale regering van Afghanistan en was alleen maar geïnteresseerd in het opleggen van haar draconische regime in eigen land. Al-Qaeda is een internationale terroristische organisatie die streeft naar de oprichting van een zo groot mogelijk islamitisch rijk. Het voelt zich daarbij geenszins aan een bepaald land gebonden. Behalve dat Al-Qaeda en de Taliban elk een eigen streng fundamentalistische versie van de islam aanhingen, hadden zij organisatorisch niets met elkaar te maken. In oktober 1998 kondigde de VN sancties aan tegen Afghanistan omdat het Osama Bin Laden nog altijd niet had uitgeleverd. Op 5 oktober 1999 werd er in de Golf van Aden een aanslag gepleegd op het Amerikaanse oorlogsschip de USS Cole. Osama Bin Laden werd onmiddellijk aangewezen als de man die het plan beraamd had en de Taliban werd nog meer onder druk gezet om hem uit te leveren. Zij waren echter niet geneigd om hun enige troefkaart in de onderhandelingen met de VN zomaar af te staan. Het regime in Kaboel werd immers maar door 3 landen in de wereld erkend en zag in de onderhandelingen een kans om uit zijn internationale isolement te geraken. Naast de uitlevering van Osama Bin Laden had de VN nog een aantal andere eisen aan de sancties verbonden. Geen enkele daarvan had te maken met de mensenrechten of vrouwenrechten in het land. Er werd wel een inperking van de opiumteelt geëist. In de zomer van 2000 vaardigde de Taliban een verbod op het kweken van opium uit, maar in december 2000 werden de VN-sancties alsnog verscherpt. Het werd daarmee duidelijk dat de uitlevering van Osama Bin Laden het enige doel was van de sancties.

Na de SU, nu de VS

Op 11 september 2001 werden 4 vliegtuigen gekaapt om de meest spectaculaire aanslagen van de geschiedenis te plegen. Eén vliegtuig miste elk doel, een ander stortte zich op het Pentagon en 2 vliegtuigen boorden zich in de Twin Towers in New York. De oorlog tegen het terrorisme was geboren en het doodvonnis van Osama Bin Laden getekend. De Amerikaanse president Bush kondigde aan dat elk land dat terroristen herbergde, aan hen gelijkgeschakeld zou worden. Reeds op 7 oktober werd Afghanistan gebombardeerd. De Taliban stelden een week na de start van de bombardementen nog gauw voor om Osama alsnog uit te leveren in ruil voor het staken van de aanval, maar daar had de op wraak beluste Bush geen oren naar. De Afghaanse bevolking kon zich opmaken voor een nieuwe periode van oorlog, armoede en chaos.

(Uitpers nr. 135, 13de jg., oktober 2011)

Deze tekst verscheen eerder in “Vrede. Tijdschrift voor Internationale Politiek”, nr. 411, september-oktober 2011 en is ook te lezen op de website van Vrede vzw: www.vrede.be

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 31 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook