Washington en de staatsgreep van de rijken

De Amerikaanse regering staat in haar blootje na de mislukte staatsgreep van 11 tot 13 april tegen president Hugo Chavez in Venezuela. Niet alleen hielpen hoge regeringsambtenaren de coup tegen het verkozen staatshoofd voorbereiden, ze gaven tijdens de staatsgreep ook sturing aan de samenzweerders. De Verenigde Staten waren het enige land in de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) dat de coup niet veroordeelde. De ,,verdediging van democratie’’, uitgeroepen tot grote richtlijn van Washingtons beleid op het westelijk halfrond, geldt blijkbaar alleen als ze Amerikaanse belangen dient, luidde de kritiek in Latijns-Amerika.

President Hugo Chavez van Venezuela is een product van volkswoede en algemene onrust. Hij belichaamt het toenemend verzet tegen de neoliberale economische politiek die sinds de jaren 80 aan het continent wordt opgelegd. Die politiek ondermijnt de nationale en sociale belangen van de landen van de regio. Door de ,,openstelling van de economieën’’ werden lokale industrieën kapot geconcurreerd of door internationale concerns overgekocht (,,geprivatiseerd’’). De corruptie waarmee lokale politieke en economische elites die politiek uitvoerden, werd gedoogd zolang die elites de ,,stabiliteit’’ konden handhaven.

In Venezuela (vierde olieproducent ter wereld, derde olieleverancier van de Verenigde Staten en groot producent van bauxiet, grondstof voor aluminium) staan bij die politiek enorme belangen op het spel. De verdere ,,privatisering’’ van de staatsoliemaatschappij PVDSA is een van die belangen. Ze kreeg bijzondere belangstelling vanuit de Amerikaanse regering. Daarin zijn Amerikaanse oliebelangen dik vertegenwoordigd, en die hebben een oogje op de Venezolaanse olierijkdom. Bovendien wil Washington alternatieven veilig stellen voor zijn oliebevoorrading uit het Midden-Oosten _ vooral in Venezuela en Colombia.

Venezuela is lang een stabiel en relatief welvarend land geweest. Na de val van de dictator van Carlos Perez Jimenez in 1958 werd het land tientallen jaren afwisselend geregeerd door de sociaal-democratische Accion Democratica (AD) en de christen-democratische COPEI (Commissie voor Politieke Organisatie en Onafhankelijke Verkiezingen).

De huidige crisis heeft haar wortels in de verkiezing van de sociaal-democraat Carlos Andres Perez in december 1988. De AD-leider werd voor de tweede maal president. Tijdens zijn eerste presidentschap, van 1974 tot 1979, had hij de betrekkingen met Cuba hersteld en de oliesector genationaliseerd (1976). Bij de kiezers gold hij als de belichaming van een periode van welstand. Ze hoopten dat hij die zou terugbrengen door de ingezette neoliberale hervormingen terug te draaien.

Caracazo

Maar Perez deed net het tegendeel. Onder druk van de schuldeisers zette hij de gewraakte hervormingen, onder meer afschaffing van subsidies die voedsel- en brandstof betaalbaar hielden, verder. Dat leidde in 1989 tot een volksopstand in Caracas (de caracazo). Perez liet die bloedig onderdrukken. Er vielen minstens 300 doden, volgens sommigen meer dan duizend.

De overtuiging dat verandering via de stembus kon worden afgedwongen, kreeg een deuk. De indruk groeide dat Venezuela in feite bestuurd werd door de buitenlandse schuldeisers en de lokale rijken, die voor hun beleid de AD en de COPEI gebruikten, als twee gezichten van eenzelfde beleid. De politieke corruptie die hiermee gepaard ging, voedde het broeiend ongenoegen.

Daarop speelde Hugo Chavez in toen hij in februari 1992 een staatsgreep ondernam tegen Perez. Zijn oproepen om in te gaan tegen de uitverkoop van het land, de verarming en de politieke corruptie, sloegen aan bij velen. Maar de coup mislukte, en Chavez ging achter de tralies. Dat het ongenoegen niet bedaard was, bleek uit een tweede mislukte coup tegen Perez, in november datzelfde jaar.

Toen Perez in 1993 moest aftreden op beschuldigingen van corruptie, steeg de ster van Chavez bij veel Venezolanen. Perez’ opvolger, Rafael Caldera, die zich ,,onafhankelijk’’ liet noemen omdat hij niet als COPEI-voorman wilde worden gezien, moest Chavez in 1994 vrijlaten.

In de daaropvolgende jaren bereidde de voormalige paracommando zich voor op de verovering van het presidentschap via de stembus. Hij richtte de Beweging van de Vijfde Republiek op, een benaming die geen twijfel liet bestaan aan zijn voornemen de instellingen van het land, die volgens hem waren ontaard tot een instrument ter verrijking van buitenlandse concerns en van een lokale oligarchie, grondig om te vormen. Ook de vakbondsbureaucratie, die verbonden is met het systeem van de twee traditionele partijen, vooral met AD, zou hij aanpakken.

Vooral wierp hij zich op als de kampioen van de armen. Die vertegenwoordigden ondertussen ruim 75 procent van de bevolking. Dat onthutsend percentage helpt een vermoeden te krijgen van de omvang van de corruptie de voorbije kwarteeuw: in die tijd heeft Venezuela zowat 300 miljard dollar (het equivalent van een twintigtal Marshall-plannen) binnen gekregen door de verkoop van petroleum.

Op 6 december 1998 werd Chavez al bij de eerste ronde verkozen. Hij kreeg 57 procent van de stemmen. De traditionele partijen, de AD en de COPEI, kregen maar 9 procent. In april 1999 kreeg Chavez 90 procent van de stemmen voor zijn voorstel voor een grondwetgevende vergadering. In juli dat jaar won zijn aanhang 95 procent bij de verkiezingen voor dat parlement met grondwetgevende bevoegdheid. Veelzeggend was dat leden van AD en COPEI het voorzichtiger hadden gevonden om aan de verkiezingen mee te doen als ,,onafhankelijke”.

Bolivar

Als aanhanger van het Latijns-Amerikaans pan-nationalisme herdoopte Chavez het land tot Bolivariaanse Republiek (naar Simon Bolivar, de onafhankelijkheidsheld die Latijns-Amerika wilde verenigen). Hij riep op tot een multinationale veiligheidsmacht voor Latijns-Amerika, zonder de Verenigde Staten. Hij bood _ ongevraagd _ bemiddeling aan in het conflict in buurland Colombia. Als bewonderaar van Fidel Castro sloot hij een akkoord met Cuba waardoor dat land goedkope Venezolaanse olie kreeg in ruil voor hulp in de medische en toeristische sector. In het vooruitzicht van een top van olieproducerende landen (Opec) in Caracas reisde hij naar Irak en Libië. Amerikaanse kritiek op die bezoeken wees hij af met de verklaring dat zijn land zijn buitenlandse politiek zelf bepaalt.

Chavez wees de procedure af waarbij Washington jaarlijks goed en slechte punten uitdeelt aan landen voor hun medewerking aan de Amerikaanse manier van drugsbestrijding. Aan die punten zijn economische voordelen of sancties verbonden. Op een OAS-conferentie in 1999 in Guatemala wees Chavez’ minister van Buitenlandse Zaken José Vicente Rangel op mogelijke corruptie bij drugsautoriteiten in de VS. ,,Hoe haalt een land dat de belangrijkste markt is voor drugs het zich in zijn hoofd om de inspanningen van andere landwen te certifiëren’’, vroeg Chavez’ minister van Buitenlandse Zaken José Vicente Rangel zich in 1999 af op een OAS-bijeenkomst in Guatemala.

Vorig jaar bekritiseerde Chavez de Amerikaanse bombardementen op Afghanistan wegens het aantal burgerslachtoffers dat die maakten.

Grondwet, vakbond

De grondwetgevende vergadering zorgde voor een nieuwe grondwet die de instellingen grondig herschikte _ de constitutie van 1961 bevoordeelde volgens Chavez de politieke partijen. Beide kamers van het parlement zijn vervangen door één enkele kamer. Rechters worden niet langer door parlementsleden benoemd, maar via openbare examens. De grondwet geeft de president, Chavez, ook meer machten, zoals de bevoegdheid om het parlement te ontbinden. Ze herstelt _ hoewel in vage termen _ de ontslagvergoeding voor werknemers, die de vorige neoliberale regering had geschrapt.

Chavez stelde ook voor de leiding van de grootste vakbond, de Confederacion Venezolana de Trabajadores CTV, door interne vakbondsverkiezingen te laten aanstellen. Hij wilde ook de niet-georganiseerde werkende mensen _ zoals de vele straatventers die deel uitmaken van de 33 procent actieven in de ,,informele economie’’_ zouden kunnen stemmen. Maar die voorstellen kregen voorlopig geen gevolg.

Tegelijk ging Chavez in het verzet tegen voorgenomen privatiseringen in de gezondheidssector en het onderwijs. Die zouden hebben geleid tot een klassensysteem, met degelijke gezondheidzorg en onderwijs voor wie het kan betalen, en haperende diensten voor de rest. Hij trad ook op tegen privé-scholen die niet aan de basisnormen voldeden _ een maatregel die hem extra-wantrouwen opleverde bij de katholieke hiërarchie.

De achilleshiel van Chavez bleef de armoedebestrijding. Die bleef ver beneden de gewekte verwachtingen. De inschakeling van militairen in de bouw van wegen en de voedselverkoop in armenbuurten loste weinig op, ze zorgde bovendien voor ontevredenheid bij sommige militairen en lokale besturen.

Ook zijn sterke neiging om persoonlijk op te treden en zijn tegenstanders aldoor als het schuim der aarde te bestempelen, leverde Chavez kritiek op. Vorig jaar bleek uit de peilingen dat Chavez- populariteit snel daalde, ook al bleef zijn aanhang in de sloppenwijken groot.

Landhervorming, olie

Bij Chavez’ machtige tegenstanders liep de emmer over in november 2001. Toen liet de president wetten goedkeuren die ongebruikt land onder landloze boeren verdeelden, en de staatscontrole over de petroleumsector moesten waarborgen. De grote ondernemers waren ziedend. Chavez schond het recht op privé-bezit, sneerden ze, en had geen respect voor privé-initiatief. Hij was inderdaad de autoritaire leider die van Venezuela ,,een nieuw Cuba’’ wilde maken, luidde het.

Op 10 december kwam het tot een patronale staking die de steun kreeg van de CTV-leiding, de kerkelijke hiërarchie, de traditionele politici en de grote media.

Chavez, die nooit uitblonk in het organiseren van zijn achterban bij de armen, kon daar weinig tegen in brengen. Toen hij begin dit jaar ook nog de munt moest devalueren, met prijsstijgingen en groeiende sociale onvrede tot gevolg, zagen zijn tegenstanders een tweede kans.

De aanleiding was een staking van kaderleden van PVDSA tegen de nieuwe directie die Chavez in het staatsoliebedrijf had benoemd. De oude directie had volgens Chavez teveel banden met de oude, neoliberale politici. Dat was volgens hem een gevaar voor verdere privatisering van een sector die voor de helft van alle belastinginkomsten zorgt. Volgens Chavez’ tegenstanders wilde de president echter eigen mannetjes benoemen, ook al waren die niet voldoende bekwaam.

De acties bij PVDSA leidden op 9 april tot een algemene staking van 48 uur. Die liep op 11 april uit op een anti-Chavez-betoging met 200.000 deelnemers _ geen volksopstand, wel een aanduiding van de gegroeide ontevredenheid. Het was het sein voor een staatsgreep die al maanden was voorbereid _ met discrete aanmoediging door Amerikaanse regeringskringen.

Pinochet-bewind

De staatsgreep duurde twee dagen, van donderdagavond tot zondag. Meteen riep de leider van de werkgeversorganisatie Fedecamaras, Pedro Carmona, zich uit tot interim-president. Hij voerde ook meteen het decreet uit dat de samenzweerders daags voor de coup hadden opgesteld: hij schrapte de grondwet die bij referendum was goedgekeurd, hij ontbond het democratisch parlement, en hij eigende zich de bevoegdheid toe om de democratisch verkozen gouverneurs af te zetten. Hij benoemde een regering die uitsluitend uit ondernemers bestond. De CVT-leiders en militairen die de coup hadden gesteund, kwamen bedrogen uit. CVT-leider Carlos Ortega zei dat hij zich ,,verraden’’ voelde. De chef van de strijdkrachten, Efrain Vasquez, verklaarde dat hij ,,het spel verliet’’ en afhaakte.

Het bleek een staatsgreep van de rijken te zijn. Onmiddellijk groeide bij de Venezolanen het gevoel dat ze op een soort Pinochet-bewind afstevenden. Zaterdag 13 april kwam het tot massale protesten tegen de samenzweerders, zondag was Chavez opnieuw president.

Washington

Onvermijdelijk rees de vraag over de houding van Washington in het drama. De Amerikaanse regering was nooit opgezet met Chavez, zijn vriendschap met Cuba, zijn reizen naar Irak en Libië, zijn kritiek op de Afghaanse oorlog. Maar het was gevoelig voor waarschuwingen als die van de toenmalige Venezolaanse minister van Energie Ali Rodriguez (nu Opec-baas) in 1999: ,,Hugo Chavez was het meest efficiënte bolwerk tegen de sociale explosie van het land’’.

Maar met de tanende populariteit van Chavez leek dit bolwerk af te brokkelen. Daarnaast dreigde Chavez’ anti-neoliberale retoriek aanstekelijk te worden voor andere Latijns-Amerikaanse landen, waar het neoliberale ,,model’’ aldoor méér onder vuur kwam, zeker na de crisis in ,,modelland’’ Argentinië.

De Amerikaanse ambassadrice in Caracas, Donna Jean Hrinak (sinds kort ambassadrice in Brazilië) stak het niet onder stoelen of banken dat haar regering Chavez liever kwijt dan rijk was. Maar openlijk een staatsgreep steunen tegen een staatshoofd dat zo vaak en zo overtuigend een mandaat van de kiezers had gekregen, kon niet. Want officieel is ,,verdediging en bevordering van democratie’’ een grondrichtlijn van het Amerikaans buitenlands beleid.

Niettemin voerden hoge Amerikaanse ambtenaren verscheidene malen overleg met de Venezolaanse samenzweerders. Ze wisten waar die op uit waren, en steunden hun doelstellingen. Dat was natuurlijk een aanmoediging.

Wie zat achter de coup?

Maar er was meer. Tijdens de staatsgreep, op vrijdag, had de zelfverklaarde interim-president Pedro Carmona een telefonisch gesprek met Otto Reich, de topman van de regering-Bush voor Latijns-Amerika.

Reich, onderminister van Buitenlandse Zaken voor Inter-Amerikaanse Aangelegenheden, vroeg Carmona het parlement niet te ontbinden omdat dit ,,een stommiteit’’ zou zijn, dat een lawine van protesten zou uitlokken, schreef de New York Times. Carmona en zijn Venezolaanse broodheren deden het toch, wat meteen tot een kloof in de samenzwering en de nederlaag van de coup leidde.

Reich, wiens benoeming fel omstreden was omdat hij in de jaren 80 het Amerikaans Congres en de opinie hielp misleiden over de hulp aan de contra’s in Nicaragua, was ambassadeur in Caracas van 1986 tot 1989. Hij is op Cuba geboren en behoort, samen met de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, John Negroponte, tot het extreem-rechtse netwerk dat de contra’s met drugsgeld financierde. In Washington vertegenwoordigt hij de anti-castristische lobby. Hij is een van de architecten van de wet-Helms-Burton uit 1996, die ook niet-Amerikaanse bedrijven straft als ze op Cuba investeren. Een van de eerste verklaringen van de Venezolaanse samenzweerders was dat Cuba ,,geen vat olie’’ meer zou krijgen. De goedkope Venezolaanse olie is van levensbelang voor het Caribische eiland.

Cisneros

De mentoren van Carmona waren zijn werkgever, de 32-jarige Isaac Perez Recao, en mediamagnaat Gustavo Cisneros. Perez Recao, die voortvluchtig is, is de erfgenaam van de familie Perez Recao, hoofeigenaar van het petrochemisch concern Venoco. Cisneros geldt als de meest invloedrijke man van Venezuela. Hij leidt een van de grootste mediaconglomeraten van Latijns-Amerika, met onder meer Venevision, de grootste omroep van zijn land. Otto Reich heeft toegegeven dat hij tijdens de coup ,,twee of drie keer’’ met Cisneros heeft gesproken.

Cisneros, die graag gaat vissen met ex-president Bush, de vader van de huidige Amerikaanse president, is ook een oude vriend van de Venezolaanse ex-president Carlos Andres Perez _ tegen wie Chavez tien jaar geleden een coup ondernam. Een andere aanstichter van de coup was de voormalige privé-secteraris van Perez, Daniel Romero. De regering van de samenzweerders,,werd samengesteld in de kantoren van Cisneros, die de opperste leider was’’, zei parlementslid Pedro Pablo Alcantara.

Sterke vermoedens zijn er dat ook John Maisto een rol heeft gespeeld in de coup tegen Chavez. Maisto adviseert president Bush over Latijns-Amerika, en was onder diens voorganger Bill Clinton ambassadeur in Caracas van 1997 tot 2000. Tot 1996 was hij drie jaar ambassadeur in Nicaragua. , voordien onderminister voor Centraal-Amerikaanse Zaken.

Zware verdenkingen rusten ook op een andere adviseur van Bush, de in Washington levende Venezolaan Luis Giusti. Deze kampioen van de privatiseringen was tot maart 1999 voorzitter van het staatsoliebedrijf PVDSA, dat hij openstelde voor privé-participatie. Volgens hem kan een privé-oliebedrijf beter werken ten gunste van een olieproducerend land dan een ,,grote parasitaire afhankelijke regering die de ontwikkeling van dat land blokkeert’’.

Met zijn houding tegenover de coup tegen een verkozen staatshoofd heeft Washington een zware blaam opgelopen in Latijns-Amerika. Tijdens de coup, op zaterdag 13 april, kwam de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) in Washington bijeen om de staatsgreep te veroordelen. Alle landen pasten daar het Inter-Amerikaans Democratisch Handvest toe, behalve de Verenigde Staten. Dat Handvest verplicht tot veroordeling en onderzoek voor elke machtswisseling op het continent die buiten de wettelijkheid verloopt. De VS hebben het op 11 september in Lima ondertekend. Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell heeft het aangeprezen als een ,,fundamentele richtlijn’’ van de Amerikaanse politiek op het westelijk halfrond.

Maar op de OAS-vergadering probeerde de Amerikaanse ambassadeur, Roger Noriega, de aanwezigen ervan te overtuigen de val van Chavez iedereen goed uitkwam, en dat de coup daarom niet moest worden veroordeeld. Het hele Amerikaanse beleid van ,,bevordering van democratie’’ werd er nog ongeloofwaardiger door. De belangen van de Amerikaanse bedrijfswereld gaan voor.

(Uitpers, mei 2002)

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :