Waarom Kaukasus velen een oorlog waard is

De neiging was groot om in het conflict tussen het kleine Georgië en het machtige Rusland snel partij te kiezen voor de zwakkere die zich verweert tegen het geweld van de overmacht. Maar de zaken liggen lang niet zo eenvoudig, ook al omdat het moeilijk is achter de propagandaoorlog te weten wat er werkelijk gebeurt.

De Georgische president Michail Saakasjvili draagt ongetwijfeld een zware verantwoordelijkheid in het uitbreken van de vijandelijkheden, iets wat de NAVO graag negeerde. Hij ontketende het conflict om diverse redenen. Onder meer om zijn positie in eigen land op te vijzelen en eveneens om aan te tonen dat zijn land bedreigd is en dus snel lid moet worden van de NAVO. Wie zo met vuur speelt, dreigt zichzelf echter zwaar te verbranden. Saakasjvili heeft Moskou meteen een voorwendsel bezorgd om te laten zien dat het zijn essentieel geachte belangen gewapenderhand verdedigt.

Saakasjvili kwam eind 2003 aan de macht na een zogenaamde “rozenrevolutie”, gedragen door een groot deel van de Georgische bevolking die de corruptie en fraude onder zijn voorganger Sjevardnadze beu was. Maar die “revolutie” was ook fel gesponsord door Amerikaanse groepen die eerder actief waren in Belgrado en een jaar later in Oekraïne. Die groepen willen zo de invloed van Rusland in de Kaukasische regio verder terugdringen.

A little help from my friends

Saakasjvili kreeg voor zijn “revolutie” van die Amerikanen geld en raadgevers om de macht te veroveren. Georgië werd meer dan ooit een koploper van Amerikaanse hulp in al zijn civiele en militaire vormen. Intussen bleek nu dat ook Frankrijk en Duitsland een handje toestaken om het Georgisch leger uit te bouwen. Georgië is per hoofd van de bevolking zelfs na Israël de topper voor Amerikaanse hulp. Dat zegt heel vele over het belang dat heersende kringen in Washington aan Georgië hechten.

Aangemoedigd door die Amerikaanse houding, beloofde Saakasjvili toen dat hij het land weer zou herenigen en dus een einde zou maken aan de afscheiding van drie gebieden: Adzjarië aan de grens met Turkije, Abchazië en Zuid-Ossetië aan de grens met Rusland. Met Adzjarië, waar een onpopulaire leider de touwtjes in handen hield, had hij geen probleem. Maar met de andere gebieden des te meer, want daar is het wantrouwen in het Georgisch nationalisme zeer groot. Saakasjvili zag intussen zijn populariteit tanen. De corruptie en het machtsmisbruik van de kliek van zijn moeder, zet veel kwaad bloed. Vorig jaar kwamen zijn autoritaire trekjes sterk naar voor bij het neerslaan van protestdemonstraties. Vandaar dat de president dringend iets nodig had om zijn blazoen op te poetsen: een oorlog.

Nationalisme

Georgië was niet toevallig de eerste Sovjetrepubliek die in april 1991, maanden vóór de andere, de volledige onafhankelijkheid uitriep. Het Georgisch nationalisme was altijd al erg levendig geweest. In volle Sovjettijd, in 1978, bekwamen de Georgiërs onder meer met massale protesten dat het Georgisch de officiële taal bleef. De toenmalige Georgische partijleider, Edward Sjevardnadze, werd onder Gorbatsjov Sovjetminister van Buitenlandse Zaken en nummer drie van het Politburo, de hoogste politieke instantie van het Sovjetsysteem. Een goed jaar na de onafhankelijkheid deden coupplegers om hem een beroep om de nieuwe Georgische president te worden, waarop die Sjevardnadze prompt het Georgisch nationalisme omhelsde en goede maatjes werd met Washington – als Sovjetminister had hij ook al nauwe banden gesmeed met Amerikaanse oliebelangen, Chevron voorop.

Vanaf 1988 was in Georgië een andere bom gebarsten. In het autonoom gebied Abchazië, deel van Georgië, bracht het “Abchazisch Volksfront” een beweging op gang om zich los te maken van Georgië. Als reactie kwam het tot felle Georgische protesten. Op 9 april 1989 vielen op een plein in Tbilisi 20 doden toen Sovjettroepen een groep hongerstakers aanvielen. Het Georgische protest werd er alleen maar heviger door en verklaart mee het succes van Georgische nationalisten die zo snel als ze konden de onafhankelijkheid uitriepen.

Het was de Georgiër Stalin (half Osseet, half etnisch Georgiër) die in 1931 Abchazië bij Georgië had ingedeeld, al hadden de meeste inwoners veel liever bij de Russische Federatie gezeten. Want inderdaad, onder Georgisch bestuur werd het Abchazisch geweerd en trokken etnische Georgiërs massaal naar dit gebied. Volgens de Abchazen en de andere minderheden in dit gebied, was er sprake van “etnische zuivering”. Maar na de mislukte poging van Sjevardnadze in 1992 om het gebied onder controle te krijgen, vluchtten de etnische Georgiërs (meer dan 250.000) massaal weg uit Abchazië. Daar herinnert men zich nog levendig hoe de Georgische troepen aan het plunderen gingen.

Met de verdwijning van de Sovjet-Unie waren binnengrenzen ineens staatsgrenzen geworden. Ook de vroegere binnengrenzen die vaak zeer willekeurig waren. Zo schonk Nikita Chroesjtsjov in 1964 het Krim-schiereiland aan de republiek Oekraïne om de 300ste verjaardag van de aansluiting van Oekraïne bij Rusland te vieren. Vandaag is de Krim daardoor Oekraïens, ook al wordt dit gebied vooral door Russen bewoond (nadat Stalin in 1944 de Krim-Tartaren uit die regio verjaagde). Als arbitrair getrokken binnengrenzen ineens staatsgrenzen worden, komt er vaak herrie, zie maar naar ex-Joegoslavië.

Osseten

De Osseten van Zuid-Ossetië (3.900 km², tot de 16de eeuw volledig Georgisch) waren al evenmin gelukkig met hun indeling bij Georgië. De Osseten zijn in de Kaukasus een zeer apart volk dat een Perzische taal spreekt. Ze vormen dus een soort “Perzisch” eiland in een gebied waar vooral Kaukasische volkeren leven. In het begin van de jaren 1920 hadden Georgische nationalisten talrijke Ossetische dorpen uitgebrand. Het gebied van de Osseten werd in 1922 opgedeeld in een noordelijk deel bij de Russische Federatie en een zuidelijk, dun bevolkt, deel bij Georgië werd gevoegd. Voor de Georgiërs lag dat voor de hand, tot de 16de eeuw woonden daar vooral etnische Georgiërs en hoorde dit gebied dus historisch bij Georgië.

De vrees van de Osseten voor het Georgisch nationalisme werd bewaarheid. Eind 1990 won de Georgische nationalist Zviad Gamsachoerdia met grote meerderheid de presidentsverkiezingen van Georgië. Een van zijn eerste maatregelen was de opdoeking van het autonoom gebied Zuid-Ossetië. De hoofdstad van het gebied, Tschinvali, werd in de winter van 1990-1991 een tijdje van de buitenwereld afgesneden en uitgehongerd. Tienduizenden Osseten vluchtten naar het noorden, bij gevechten kwamen tientallen, volgens andere bronnen honderden, Osseten om het leven. De Osseten grepen, gesteund door hun volksgenoten in het noorden en door Moskou, naar de wapens en riepen hun onafhankelijkheid uit. Met in het achterhoofd de hoop op eenmaking met Noord-Ossetië.

In die regio Noord-Ossetië, waren de leiders niet beter dan de Georgische nationalisten. Tijdens een ware pogrom in 1992 die amper een weekend duurde, verdreven ze tienduizenden Ingoesjen uit Noord-Ossetië. Honderden Ingoesjen werden afgemaakt, maar er waren geen camera’s in de buurt en er waren toch zoveel andere conflicten bezig, zodat de buitenwereld er nauwelijks weer van kreeg. Naast het Russisch leger ageren in de Kaukasus, ook in het jongste conflict, talrijke milities uit Ossetië en andere regio’s die zich weinig gelegen laten aan oorlogsrecht, laat staan mensenrechten. Zo meldden verscheidene media de aanwezigheid van het Tsjetsjeense bataljon ‘Vostok’ van Soelim Jamadajev dat berucht is om zijn wreedaardig optreden tegen Tsjetsjeense burgers.

Volgens de Georgiërs hebben de leiders van Zuid-Ossetië van hun gebied vooral een zeer winstgevende smokkelroute gemaakt en klampen ze zich daarom vast aan die onafhankelijkheid en goede banden met Rusland. Wellicht is dat ook zo, maar hetzelfde kan worden gezegd van de rest van Georgië.

Vlucht vooruit

Het zal hoe dan ook wel duidelijk zijn dat het een illusie was te denken dat de Osseten zich op hun gemak zouden voelen in Georgië. Vooral niet met een president als Saakasjvili die verklaarde dat hij de afscheidingen ongedaan zou maken. Zijn populariteit in Georgië was het voorbije jaar sterk gezakt, er waren vorig jaar massale protestbewegingen die hij hardhandig onderdrukte. Het verzet tegen zijn beleid groeide. Bij die oppositie zitten dan wel enkele zakenlui van zeer twijfelachtig allooi, maar ook Saakasjvili heeft op dat vlak boter op het hoofd.

Wat veel leiders doen als ze in nauwe schoentjes zitten, deed Saakasjvili ook: de vlucht vooruit in de vorm van een militaire operatie. Saakasjvili wist zich daarin gesteund door het Westen. Zijn voorganger Edward Sjevardnadze had zich daar ook al niets van aangetrokken en had een militair samenwerkingsakkoord met de Amerikanen gesloten waardoor er Amerikaanse militairen in Georgië kwamen. Om zijn pro-Amerikaanse gevoelens in de verf te zetten, stuurde Saakasjvili 2.000 militairen naar Irak. Ook de Europese Unie steunde Saakasjvili, al waren veel West-Europese leiders eerder dit jaar zo voorzichtig om toch nog de deur van de NAVO niet open te zetten.

Westen en Moskou

Saakasjvili hoopte ongetwijfeld met de aanval op Zuid-Ossetië Moskou voor schut te zetten. Ofwel moesten de Russen werkloos toekijken, ofwel militair reageren. In dat laatste geval kon Georgië zich in de slachtofferrol wringen en nog harder aankloppen bij het Westen. Maar dat Westen, vooral Washington, heeft zich tot nog toe altijd erg partijdig opgesteld. Het was dan ook bizar dat de Franse leiders dachten dat zij daar namens de EU bemiddelaar konden spelen. Moskou gaf Sarkozy en zijn minister Kouchner wel de indruk dat zij even op de voorgrond konden treden.. Maar dat was vooral bedoeld om binnen de EU de tegenstelling te vergroten tussen de regeringen (Frankrijk, Duitsland, Italië…) die met Moskou op goede voet willen staan en regeringen uit Centraal-Europa die meer Atlantische(VS) dan Europese reflexen hebben (Polen, de Balten…). Bij dit alles viel vooral de afwezigheid op van de zogenaamde EU-minister van Buitenlandse Zaken, Javier Solana. Het zegt veel over de samenhang binnen de EU na het Iers referendum.

Voor Moskou, premier Vladimir Poetin voorop, stond er echter teveel op het spel om Saakasjvili te laten betijen. Moskou is al jaren erg verontrust over de aantasting van zijn posities in de vroegere Sovjetrepublieken. Het kon niet beletten dat de drie Baltische gewezen Sovjetrepublieken tot de EU en NAVO toetraden. Maar toen zogenaamde fluwelen revoluties zijn posities nog verder aantastten in Oekraïne en Georgië en toen de Amerikanen met hun rakettenschild in Polen en Tsjechië op de proppen kwamen, was voor Moskou de maat vol.

Poetin en Medvedev willen duidelijk de puntjes op de i zetten, aangeven dat volgens hen de limieten zijn overschreden. Volgens Moskou is die limiet ook overschreden met de onafhankelijkheid van Kosovo dat zich afscheurde van Servië. Waarom mag Kosovo dat wel, maar Abchazië en Zuid-Ossetië niet? Die vraag zal Moskou natuurlijk nooit stellen als het om Tsjetsjenië gaat… En het Westen heeft er ook geen enkele moeite mee gehad dat een maffiagebied als Montenegro een onafhankelijke staat wordt.

Olie en gas

In feite vond Moskou al in 1994 dat de maat vol was, toen de Georgische president Sjevardnadze instemde met het BTC-plan. BTC staat voor Bakoe-Tbilisi-Ceyhan. Het gaat om een pijpleiding die sinds vorig jaar in werking is en die olie uit de Kaspische Zee vanuit Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan, via Georgië naar de Turkse haven Ceyhan voert.

Het was een bijzonder duur project, maar Washington vond dat de moeite waard. Want de BTC is een politieke pijpleiding, zo moet de olie niet via Rusland naar een Russische haven, Rusland wordt omzeild! Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Russische luchtmacht een bombardement uitvoerde in de buurt van die pijpleiding, als waarschuwing dat ze de aanvoer van olie kan dwarsbomen.

Ook wordt een deel van die olie naar de wereldmarkten gebracht via de Georgische haven Supsa. Er wordt een nieuwe terminal aangelegd, terwijl er ook een spoorlijn in aanbouw is vanuit Azerbeidzjan via Georgië naar Turkije. Naast de oliepijplijn komt er ook een leiding voor het transport van gas.

Dat is een flinke doorn in het oog van het oppermachtige Gazprom dat de grootst mogelijke controle wil op de gasbevoorrading van Europa. Moskou heeft twee grote projecten, Northstream (onder de Baltische Zee naar Duitsland en verder) en Southstream (onder de Zwarte Zee naar Bulgarije en vandaar verder westwaarts), terwijl westerse groepen (met steun van Washington) alles op het project Nabucco zetten, een pijpleiding die Rusland omzeilt. Het probleem is wel (technisch en politiek) dat er veel Iraans gas nodig is om die pijpleiding degelijk te laten werken.

Nog brandhaarden

Zuid-Ossetië is een van de vele brandhaarden in de regio van de Kaukasus. Er is natuurlijk ook nog altijd Abchazië. Maar aan de grens met Georgië, aan de kant van Rusland, is er Tsjetsjenië waar de leider van een gevaarlijke bende, Ramzan Kadyrov, met de zegen van mentor Poetin ongenadig de plak zwaait. In het naburige Dagestan zijn er diverse haarden van onrust. Osseten en Ingoesjen zijn allesbehalve goede buren, elk ogenblik klaar om naar de wapens te grijpen.

Er is ook een andere brandhaard in Rusland zelf: het racisme tegen de tsjornoi, de “zwarten”, benaming waarmee allerhande groepen uit de Kaukasus en Centraal-Azië worden aan geduid. De racistische campagnes tegen onder andere Georgiërs kostten al tientallen mensenlevens. De gruwelverhalen die Ossetische vluchtelingen vertellen, zijn voer voor allerlei uiterst-rechtse xenofobe groepen.

En ten zuiden van Rusland is er nog het zeer gevaarlijke conflict rond Nagorno Karabach. Armeense troepen bezetten er al vijftien jaar een vijfde van het grondgebied van Azerbeidzjan, waaronder het door Armeniërs bewoonde Nagorno Karabach. De meeste inwoners van die gebieden leven al jaren als vluchtelingen. Ook in Azerbeidzjan zit een president, Ilham Aliëv, die er luidop van droomt de Armeense troepen te verdrijven.

Het klopt natuurlijk dat in die brandhaarden, zowel Zuid-Ossetië als Nagorno Karabach, internationale bemiddeling niets heeft opgelost. Maar daarom naar de wapens grijpen in een regio waar al dat kruitvat ligt, is zeker geen alternatief.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008)

F. De Pauw is auteur van “Volken zonder vaderland” (Davidsfonds) over etnische problemen in Centraal- en Oost-Europa en coauteur van “Kruitvat Kaukasus” (EPO).

(Visited 10 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 94 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook