Waar blijft het echte defensiedebat?

Onze nieuwe minister van Defensie heeft alvast een verdienste. Hij plaatste zijn departement in het middelpunt van de belangstelling. Dat ligt trouwens niet louter aan hem, maar evenzeer aan zijn voorganger Flahaut, die zo bezeten op De Crem inhakt dat hij vergeet deel uit te maken van de meerderheid.

Maar dat is het dan ook. Het ‘debat’ lijkt soms een beetje op een slapstick van het komische duo Laurel en Hardy en bijna grappig in de clinch gaan over de verbrande Rus Kerimov, een geleasde motor die niet werkt, ministeriële uitstapjes met legervliegtuigen, te veel champagne op het kabinet, de annulering van bestelde 90 millimeterkanonnen en de invoering van de vrijwillige legerdienst. Allemaal leuke dossiertjes met hoog show-gehalte, dat wel, maar niet erg inspirerend voor de essentie van wat het echte debat moet zijn: welke toekomst voor het Belgische defensiebeleid.

Misschien is dat omdat er achter de schermen grotendeels een consensus bestaat over de manier waarop België zich militair moet ontwikkelen. Nagenoeg iedereen, van links tot rechts, is het er over eens dat ons leger moet hervormen tot een kleiner, maar modern en efficiënt uitgerust interventie-apparaat binnen een multinationale structuur. De grote lijnen van het kader en de voorwaarden waarin dat moet gebeuren kunnen we lezen in de partijprogramma’s van de belangrijkste regeringspartners CD&V en MR. Daarbij is een eerste vaststelling dat zij België niet alleen een prominentere plaats willen geven op het internationaal militair toneel, maar dat ons land ook moet deelnemen aan risicovollere operaties. Het sturen van een contingent F-16s naar Afghanistan voor de ondersteuning van de grondtroepen in de strijd tegen de Taliban past in dat plaatje. De beleidsadviserende denktank, Egmont – Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen, pleitte er kort na de verkiezingen voor om “bij te dragen aan het volledige gamma van vredesondersteunende operaties, incl. peace enforcement…”. Een tweede trend is dat deze regering veel minder moeite heeft met het transatlantische karakter van ons militair apparaat. Ook daar past de Afghanistan-beslissing in. Politiek legt België nog altijd zijn eieren in Europa, maar zonder de NAVO af te vallen. Kwatongen beweren dat dit een gevolg is van de internationale ambities van Verhofstadt. Een derde aspect is dat er budgettaire consequenties aan verbonden zijn. Niemand lijkt vandaag openlijk te durven stellen dat het defensiebudget omhoog moet op momenten waar men op zoek is naar vers begrotingsgeld. Maar de directe koppeling van ons leger aan het Europese veiligheids- en Defensiebeleid zal er toe leiden dat het standaardantwoord op elke kritiek steevast zal luiden: ‘het moet van Europa’. Weg debat.

In het Verdrag van Lissabon staat: “de lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren” (art 28A lid 3). In de door alle lidstaten goedgekeurde Europese Veiligheidsstrategie, staat zwart op wit dat er meer middelen nodig zijn voor defensie. In de daarnet aangehaalde Egmont-paper staat het er onrechtstreeks zo: enerzijds moet België een “pauze inlassen alvorens de getalsterkte te reduceren” (aanbeveling 6) en anderzijds mogen personeelskosten binnen ‘afzienbare’ tijd “maximaal 50 procent van het defensiebudget bedragen” (aanbeveling 7). Logische deductie: een forse stijging van het defensiebudget.

Op zich mag veiligheid wel wat kosten, alleen is de vraag of die veiligheid er wel mee gediend is. De vredesbeweging heeft altijd gezegd dat bewapening op zich tot meer onveiligheid leidt. Bovendien hebben de meeste conflicten in de regio’s waar men wil interveniëren oorzaken die buiten de militaire sfeer liggen en dus ook elders een antwoord behoeven, bijvoorbeeld in de sociaal-economische sfeer. Maar het ergerlijkst is de illusie dat de hardere militaire interventies, waarop deze regering lijkt te wedden, effectief een bijdrage kunnen vormen tot de oplossing van een conflict. We zouden na Somalië, Kosovo, Afghanistan en Irak toch wat voorzichtiger moeten zijn bij dat soort boude beweringen. Dat we het conflict wel eens kunnen verergeren is blijkbaar geen optie. De echte reden voor ons militair apparaat? Het Oostenrijkse Federale ministerie stelde in 2001 al onomwonden dat de Europese Veiligheidspolitiek ook tot doel heeft om “toegang te verzekeren tot strategische ruwe grondstoffen en het behoud van vrije handel en navigatie”. Wel over dit alles moet er een dringend politiek debat komen, een ander debat dan dat over de akkefietjes van De Crem en Flahaut, zodat we wat minder onbezonnen F-16s sturen naar een verloren bezettingsconflict.

Ludo De Brabander

(Uitpers, nr 95, 9de jg., maart 2008)

Dit artikel verschijnt in het volgende nummer van het ‘Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek’.

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 56 Times, 1 Visit today

Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).