Vrijheid én gelijkheid in plaats van bommen en granaten

‘Anarchisme’, zo leert ‘de dikke’ Van Dale, is de “leer van de verloochening en omverwerping van alle staatsgezag” en “de onbegrensde zelfstandigheid van elk individu”.

“Iedereen die geen autoriteit erkent en daartegen vecht is een anarchist”, zo vatte Sébastien Faure het destijds zeer beroemd-en-beruchte verschijnsel grofweg samen toen hij omstreeks 1900 in Parijs een vierdelige ‘Encyclopédie anarchiste’ publiceerde.

Uit die beide omschrijvingen blijkt alvast duidelijk dat ‘anarchisme’ wel heel erg breed kan gedefinieerd worden. Abicht waarschuwt dus meteen op de eerste bladzijden van zijn boek tegen mogelijke begripsverwarring. Precies omdat anarchisme zo groot belang hecht aan de vrije keuze door het individu, en dus aan “het recht van iedere individuele deelnemer of deelnemende groep, zelf te beslissen hoe ze dit algemene begrip invullen”, én aangezien er “per definitie nooit een ‘anarchistisch Vaticaan of Centraal Comité’ kan bestaan”, kunnen er “binnen de anarchistische nevelvlek tientallen, vaak elkaar uitsluitende definities” opduiken.

De meest fundamentele scheidingslijn is dan of je anarchisme opvat als extreem individualisme, boven elke wet óf binding, dan wel als “een sociale theorie en beweging die de vrijheid van het individu wil verbinden met de radicale sociale gelijkheid”. Het zal niemand verbazen dat dit het anarchisme is waar Abicht voor kiest. Daarom, zo verduidelijkt hij verder, verzet dit anarchisme zich “zowel tegen het kapitalisme als tegen de autoritaire vormen van een door de staat geleid en gecontroleerd socialisme.”

Iets als ‘het’ anarchisme bestaat dus niet, en uit de schier eindeloze ‘nevelvlek’ van mogelijke interpretaties kiest Abicht duidelijk voor (de varianten van) “een beweging die streeft naar een wereld met zoveel mogelijk gelijkheid en vrijheid”, waaruit volgt “dat het in het kielzog van het socialisme moet worden verwezenlijkt”. In die optiek zijn twee elementen van wezenlijk belang: het gaat om theorie en beweging, en het gaat om zowel vrijheid als gelijkheid. En daarmee onvermijdelijk – en essentieel – om de spanning tussen die beide idealen.

Iedereen kent natuurlijk de ideële drie-eenheid die vanaf de Franse Revolutie van 1789 wereldwijd voor onrust zorgde én blijft zorgen. Liberté, égalité, fraternité staat gebeiteld op talloze officiële gebouwen in Frankrijk, ook al wil de praktijk binnen die gebouwen daarvan wel ‘s afwijken. Het droombeeld ‘fraternité’ wordt sinds enkele decennia veeleer geformuleerd als ‘solidarité’, en is als zodanig tegelijk het onmisbare instrument om duurzame gelijkheid en vrijheid tot stand te brengen.

Maar laat het nu precies die twee waarlijk fundamentele elementen zijn, die in de voorbije (minstens twee) eeuwen veeleer conflictueel dan coöperatief de geschiedenis hebben getekend. Tussen het ongebreidelde ‘wilde’ kapitalisme en het vervangen van autoritair gezag door ‘horizontale’ overlegstructuren vanuit basisgemeenschappen kan je zelfs niet de ‘afkeer van wetten’ (anarchie als ‘wetteloosheid’) als gemeenschappelijk kenmerk aanduiden. Want in het eerste geval is geprivatiseerde winst-maximering het doel, in het tweede het zo nauw mogelijk op elkaar afstemmen van lokale noden en bestuur.

Terecht maakt Abicht dan ook van bij het begin duidelijk dat een hemelsbreed verschil bestaat tussen ‘anarchokapitalisme’ en ‘sociaalanarchisme’. Want zo’n (à la Faure) breed gedefinieerde ‘anarchist’ kan zowel naar rechts als naar links kantelen. In elk westers land vind je wel soixantehuitards die nadien als anars de droite flink geld gingen verdienen in (bijvoorbeeld) marketing en publiciteit. En de onvergelijkelijke Fernando Pessoa schreef (honderd jaar geleden…) een magistrale parodie over ‘de anarchistische bankier’.

Dat het sociaal gemotiveerde anarchisme zich wel “in het kielzog van het socialisme” beweegt, betekent echter niet dat het daarvan slechts een verlengstuk of een variant zou zijn. Hoegenààmd niet. De rijk geschakeerde én fel bewogen geschiedenis van het anarchisme (of liever: van de anarchismen) toont maar al te goed hoe zowel reformistische als radicale socialisten vaak tegenover in plaats van nààst de anarchisten stonden. Marx tegen Bakoenin. De stalinisten tegen de anarchisten in de Spaanse burgeroorlog. Niet zonder reden herhaalt Abicht telkens weer dat sociaalanarchisten even weinig van staats-socialisme willen weten als van kapitalisme, en (dus) door beide werden en worden bestreden.

Het boek is zeker geen exhaustieve geschiedenis van anarchistische bewegingen en initiatieven, maar licht aan de hand van enkele concrete voorbeelden toe hoe ideeën en praktijk altijd verweven zijn geweest. Het is evenmin een volledig overzicht van de diverse grondgedachten en de varianten daarop, maar bespreekt wel enkele toonaangevende figuren (‘leiders’ is uiteraard een taboe-woord als het over anarchisme gaat..) om verschillen én gelijkenissen tussen die varianten duidelijk – én aannemelijk – te maken. En hoewel dit door ernstige, onbevooroordeelde auteurs al lang wordt erkend, is het zeker ook nuttig dat Abicht hier nog ‘s ingaat tegen het (vooral als anti-propaganda gehanteerde) cliché als zou anarchisme gelijkstaan met geweld. Integendeel: hij besteedt zeer terecht veel aandacht aan de fundamentele pedagogische bekommernis van de sociaalanarchisten, en laat dus uitvoerig mensen als Ivan Illich of Paolo Freire – én Bertrand Russell, A.S. Neill (‘Summerhill’), Paul Goodman of Colin Ward – aan het woord. Die beschouwden zichzelf wellicht niet als anarchisten in de gebruikelijke zin van het woord, maar – stelt Abicht terecht – sloten daar met hun opvattingen over niet-autoriaire opvoeding naadloos bij aan.

Wie al wat theorie of praktijk van het anarchisme achter de kiezen heeft zal evenwel het meest geboeid worden door de hoofdstukken over ‘anarchisme vandaag’, en met name over ontwikkelingen op het gebied van de nieuwste communicatietechnieken, waar (als je ze zo mag noemen) ‘neo-anarchisten’ hun kennis terzake principieel onbaatzuchtig delen, daardoor ook verrijken, en zo ter beschikking stellen van iedereen. Met een merkwaardige verwijzing naar collectief grondbezit (zoals dat in vele Europese landen bleef bestaan tot voor de vroegste industrialisering) hebben zij het over ‘commons’. Zou je dat niet kunnen beschouwen als een twintigste-eeuwse vorm van ‘collectivisering van de productiemiddelen’?

Zo wordt nog maar eens geïllustreerd dat anarchisme “geen geloofsleer of dogma” is, maar in wezen een “methode, een weg naar iets” – in dit geval een toekomstige samenleving van vrije en gelijke burgers” geeft de auteur de lezers mee in zijn ‘voorlopige conclusie’. En, zoals uit dit boek blijkt, een idee die telkens in nieuwe gedaanten opduikt, in weerwil van alle pogingen om ze met wortel en al uit te roeien. Houden zo !

Edi Clijsters

PS. Een tikkeltje meer inspanning en iets minder overhaasting van de startende uitgeverij had dit zo leerrijke boek nog beter kunnen maken. Een acribische nalezer had er (enkele schaarse) feitelijke foutjes en (teveel) tikfouten kunnen uithalen. En een register zou eigenlijk voor een werk als dit een evidentie moeten zijn.

Anarchisme. Van Bakoenin tot de Commons,, 2021; 287 pp.
Ludo ABICHT
Aalter, Ertsberg
2021
287
(Visited 122 times, 1 visits today)
Deel dit artikel