Voor een socialisme van de 21ste eeuw

Sinds het eind van de jaren 90 is de andersmondialiseringsbeweging het wereldwijde collectieve bewustzijn aan het veranderen. Na de overtuiging dat er geen alternatief was voor de kapitalistische markt, zoals mevrouw Thatcher placht te zeggen, is men gaan denken aan een andere mogelijke wereld. Dat was het basisidee van de sociale fora, wereldwijd, regionaal, nationaal, lokaal.

Het is een proces dat nog verder moet worden uitgediept, zich geografisch over alle continenten moet verspreiden en zich sectoraal in alle sociale kringen moet zien te verankeren. Ook theoretisch moet er verder worden gewerkt om de oorzaken en de gevolgen van het neoliberalisme in kaart te brengen.

Het is ook onontbeerlijk om nog een volgende stap te zetten, van het collectieve bewustzijn naar het opbouwen van collectieve actoren. De Sociale Fora hebben op dit vlak al een belangrijke rol gespeeld door het bevorderen van netwerken, zoals Via Campesina met meer dan 100 boerenbewegingen in de hele wereld. Het kan ook nog verder gaan, door netwerken van netwerken te creëren die verschillende sectoren met gemeenschappelijke doelstellingen laten samen werken.

Het politieke handelen van de sociale bewegingen is ook noodzakelijk om reële veranderingen teweeg te brengen, na het tot stand komen van het collectieve bewustzijn. In Latijns Amerika is al heel wat vooruitgang geboekt met de overgang van het verzet naar het uitbouwen van alternatieven.

Het concept ‘socialisme van de 21ste eeuw’ gaat uit van de vaststelling van het ambigue karakter van de term ‘socialisme’. Er heerst heel wat verwarring over bij de publieke opinie. Gaat het over stalinisme? Pol Pot? Sociaal-democratie? De derde weg? De Vierde Internationale? Er moet dus eerst een inhoud worden bepaald. Waarover hebben we het als we spreken over postkapitalisme of over het socialisme van de 21ste eeuw? Eén ding is duidelijk: het gaat níet over het socialisme van de 20ste eeuw.

Het uitgangspunt is in de eerste plaats een delegitimering van het kapitalisme als wereldsysteem voor de economische ordening. In zijn neoliberale versie heeft dit zulke vernietigende gevolgen, voor de natuur zowel als voor de mens, dat het niet langer kan gaan over het wegwerken van misbruiken en uitwassen, maar dat de logica zelf van het systeem moet worden veranderd. Slechts in die termen kan worden gedacht aan een ‘socialisme van de 21ste eeuw’.

  1. De krachtlijnen van het socialisme van de 21ste eeuw

De vier krachtlijnen die het socialisme kunnen vernieuwen zijn de vier fundamentele elementen van het menselijk bestaan. Zij zijn ondeelbaar en met elkaar verbonden. Het gaat over het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het vervangen van de ruilwaarde door de gebruikswaarde, de veralgemening van de democratie en de interculturaliteit.

  1. Het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen

    De afgelopen maanden is men duidelijk gaan beseffen dat het fysieke en biologische leven in gevaar komt als de natuurlijke hulpbronnen zonder meer verder worden uitgeput. De mensheid wordt geconfronteerd met de eindigheid van sommige hulpbronnen en met de vernietiging van andere hulpbronnen die essentieel zijn voor het overleven van de mens. De meest geïndustrialiseerde samenlevingen verbruiken drie tot vier keer zoveel als theoretisch mogelijk is voor het overleven van de planeet.

    Het evenwicht herstellen is dus een kwestie van overleven geworden. De niet hernieuwbare bronnen, zoals voor energie, kunnen niet worden uitgeleverd aan de accumulatielogica van het kapitaal en moeten dus collectief worden beheerd om op een rationele manier te kunnen bijdragen tot het gemeenschappelijk goed van de mensheid.

    Dit betekent dat er een nieuwe filosofie nodig is voor het verband tussen mens en natuur. Van uitbuiting moeten we overgaan naar symbiose. Dit is het tegendeel van eindeloze vooruitgang, want de natuur is wel degelijk eindig, iets wat men in de eeuw van de Verlichting niet wist. Het betekent ook dat we sommige waarden moeten herontdekken van de prekapitalistische samenlevingen, zoals de fundamentele eenheid tussen mens en natuur, zowel als de solidariteit als basis voor menselijke samenlevingen. Uiteraard moet daarbij rekening worden gehouden met de reële vooruitgang van het analytische denken, met aandacht voor de oorzakelijke verbanden in het maatschappelijke en fysieke leven. De mystiek waarbij het symbool met de werkelijkheid wordt geïdentificeerd, moet worden overstegen. Dat betekent ook dat we afstand nemen van het socialisme van de 20ste eeuw dat sterk werd beïnvloed door het sciëntisme en door een lineaire vooruitgangsfilosofie.

    Het einde van de 20ste eeuw werd gekenmerkt door een kritiek op de moderniteit, wat in de sociale wetenschappen tot uiting kwam door nieuwe oriëntaties in de natuurwetenschappen.

    Zo werd de concepten ‘complexiteit’ (Prigogine) en onzekerheid ingevoerd, met aandacht voor het toeval en het willekeurige, in de fysica zowel als in de biologie. Bij de filosofische en maatschappelijke perspectieven heeft Edgar Morin een kritiek ontwikkeld die het radicale postmodernisme vermijdt. Dat postmodernisme loochent het bestaan van systemen en structuren om de door mensen opgebouwde onmiddellijke geschiedenis, met de ‘kleine vertogen’, te bevoorrechten. Verklarende theorieën of ‘grote vertogen’ worden afgewezen. De auteur erkent het bestaan van de onzekerheid en de willekeur maar beweert wel dat er een fundamenteel paradigma is dat zowel in de fysieke, de biologische als de antropologische wereld bestaat, dit is de overgang van wanorde naar zelfreorganisatie, of met andere woorden de continuïteit van het leven.

    Wat vandaag op het spel staat, aldus Edgar Morin, is de mogelijkheid van het herordenen. Menselijke activiteiten produceren onomkeerbare effecten met rampzalige gevolgen voor natuur en mens. De Franse filosoof en socioloog trekt zeer pessimistische conclusies en is van mening dat het waarschijnlijk al te laat is. Misschien is dat wat al te extreem, hoewel we moeten beseffen dat er een radicale reactie nodig is. Hierbij komt duidelijk een ethisch probleem om de hoek kijken, want het is nodig om op diverse vlakken voor een herordenend proces te zorgen. We hebben het hier over het leven zelf, zoals Enrique Dussel heeft aangetoond in zijn boek ‘De ethiek van de bevrijding’[1]. Een aantal intellectuelen hebben dat eveneens begrepen en namen in 2004 in Mexico een nieuw initiatief: ‘Voor de Verdediging van de Mensheid’.

  2. Gebruikswaarde in plaats van ruilwaarde

    Deze begrippen zijn gemeengoed geworden, maar komen van Marx. De gebruikswaarde is de waarde van goederen en diensten voor mensen. De ruilwaarde is wat deze goederen en diensten gaan kosten op de markt. Het kapitalisme geeft de voorkeur aan die ruilwaarde als motor van economische ontwikkeling. Dat is ook logisch, aangezien alleen met de ruilwaarde winst kan worden gemaakt en er een proces van accumulatie op gang kan komen.

    Hiermee wordt de markt genaturaliseerd en niet langer beschouwd als een maatschappelijke verhouding. De prioriteit die aan de markt wordt gegeven is een dogma waar al de rest automatisch uit voortvloeit. De markt, of de wet van de waarde, legt zijn logica op aan alle collectieve menselijke verhoudingen en aan alle activiteitssectoren, ook onderwijs, gezondheid, sport of cultuur. Alle andere parameters, zoals kwalitatieve criteria, de kwaliteit van het bestaan of de zogenaamde externaliteiten, worden met dergelijke logica uitgesloten. Het gaat over alles wat een markttransactie voorafgaat of erop volgt en waardoor een aantal kosten niet worden meegerekend. De voorkeur geven aan de gebruikswaarde betekent dus dat men de mens voor het kapitaal plaatst, en dat heeft een aantal gevolgen. We willen er enkele van vermelden.

    Als de gebruikswaarde voorop wordt gesteld, hebben produkten een langere levensduur en dat heeft volgens Wim Dierckxsens talrijke voordelen. Om het kapitaal sneller te laten draaien en de accumulatie vlotter te laten verlopen moet de levensduur van producten worden ingekort. Met een langere levensduur moeten minder grondstoffen en minder energie worden verbruikt, is er minder afval en kan het leefmilieu beter worden beschermd. De invloed van het financieel kapitaal kan er mee terug gedrongen worden.

    Met eenzelfde logica kunnen gedifferentieerde prijzen voor dezelfde landbouw- of industriële producten worden aangerekend, afhankelijk van de regio. Nu eisen de wetten van de markt dat iedereen zich afstemt op de laagste prijs. Voor landbouw betekent dit b.v. de prijs die kan gehanteerd worden in de meest kapitalistische en productivistische systemen (waar vaak ook nog subsidies bestaan en waar men dus aan dumping doet). Door de gebruikswaarde te hanteren kan men gedifferentieerde prijzen toepassen die in strijd zijn met het marktdogma. Waarom zou rijst dezelfde prijs hebben in de Verenigde Staten en in Sri Lanka, als men weet dat rijst een deel is van de geschiedenis en de cultuur van Sri Lanka en dat de productie ervan noodzakelijk is voor de voedselsoevereiniteit? Een dergelijke overweging vindt geen plaats in een marktlogica, maar wel in die van de gebruikswaarde.

    Productie kan ook gerelocaliseerd worden om milieuschadelijke transportkosten en verkeersopstoppingen te vermijden.

    Door de gebruikswaarde voorop te stellen kan de kleine landbouwsector die voor veel werkgelegenheid zorgt eveneens bevoordeeld worden. Kijken we naar de dienstensector, dan zien we dat onderwijs in functie van mensen en niet van de markt geherdefinieerd zal worden. De geneesmiddelenproductie kan gebeuren in functie van bestaande ziektes in de wereld, en niet langer afhankelijk van hun rentabiliteit.

    De voorkeur geven aan de gebruikswaarde betekent dus dat het menselijk leven centraal staat. Het wordt onmogelijk om 20 tot 30 % van de wereldbevolking aan haar lot over te laten, in ellende te laten leven omdat het toch maar een ‘nutteloze menigte’ is die niet bijdraagt tot de productie van meerwaarde en geen koopkracht heeft. Men kan niet enkel uitsluitend zorgen voor de bevoorrechten en de rest van de bevolking vergeten, want met de gebruikswaarde zijn het ook de menselijke behoeften die de motor van de economie worden. Het betekent dus ook dat de rijkdom herverdeeld wordt en dat de bestaanszekerheid veralgemeend wordt.

    Met een dergelijk perspectief is een nieuwe economische filosofie vereist. Men kan de economie niet langer definiëren als een activiteit die meerwaarde produceert. Men zal terug moeten gaan naar de fundamentele definitie die stelt dat het erom gaat de materiële basis te produceren die noodzakelijk is voor het fysieke, culturele en spirituele leven van alle mensen in de hele wereld. Dit leidt tot een ethiek van het leven, dit is de noodzaak om een voor iedereen noodzakelijke basis veilig te stellen. In zekere zin had het socialisme een dergelijk nieuw perspectief geboden, maar dat werd snel ondergesneeuwd door de concurrentie met het kapitalisme.

  3. Veralgemening van de democratie

De democratie veralgemenen is iets wat geldt voor alle sectoren van de menselijke verhoudingen. Uiteraard is het eerste toepassingsgebied de politiek. De representatieve democratie schiet tekort en wordt momenteel in heel wat regio’s ongeloofwaardig. Dit komt tot uiting in de hoge mate van onthoudingen als er geen kiesplicht is. Er moeten dus andere mechanismen bijkomen die vandaag participatief worden genoemd. Ook als is de inhoud ervan wat warrig geworden, omdat er te veel misbruik van gemaakt wordt, blijft het begrip wel van fundamenteel belang. Het gaat er om dat de verantwoordelijkheid van de burgers veel ruimer moet gezien worden.

Er zijn veel verschillende formules mogelijk, zoals de bekende participatieve begroting waarmee in Porto Alegre werd begonnen, de controle van burgers op hun verkozenen, het verantwoording afleggen over de gedane zaken of zelfs referenda. Het betekent dat de lobby’s moeten verdwijnen, dat geld niet langer de hoofdrol mag spelen om kandidaat te zijn voor een overheidsfunctie, dat de kieslijsten en de partijwerking transparant zijn.

Democratie moet echter niet enkel op politiek vlak meer toepassing krijgen. Het gaat ook over het opbouwen van maatschappelijke relaties, zoals de genderverhoudingen, gebaseerd op gelijkheid, over de werking van sociale bewegingen en tenslotte ook over de productieverhoudingen. Niets is zo antidemocratisch als het kapitalistische productiesysteem, wat zowel tot uiting komt in de ondernemingen als in de internationale financiële instellingen. Telkens is het dezelfde logica, het overheersen van de ruilwaarde en derhalve de quasi exclusieve beslissingsmacht van het kapitaal. Met een democratisch proces kunnen economische beslissingen niet langer verbonden zijn met het eigendomsrecht van de productiemiddelen. En natuurlijk zijn er veel verschillende manieren om aan democratische processen te denken zonder daarbij de nationalisering van alle sectoren te moeten overwegen. Er zijn coöperaties, producentenverenigingen, lokale gemeenschapsbedrijven en nog vele anderen manieren die een democratische werking mogelijk maken.

Maar ook hiervoor is een andere filosofische benadering noodzakelijk. Democratie wordt gekenmerkt door een dialectiek tussen creativiteit en organisatie. De ‘voorhoede’ wordt er sterk door gerelativeerd of zelfs uitgesloten. Alle mensenrechten worden beschouwd als een mogelijkheid tot participatie, zonder te vergeten dat het belangrijkste mensenrecht het recht op leven is. Met een dergelijke filosofie wordt het individuele en collectieve subject centraal gesteld.

De ethische dimensie van deze derde krachtlijn is het respect voor democratie binnen alle systemen van menselijke verhoudingen, bij politieke partijen, ondernemingen en sociale bewegingen zowel als bij culturele instellingen.

Eén van de fouten van het socialisme van de 20ste eeuw was dat het interne systeem sterk gehiërarchiseerd was, en dat het met de uitbouw van de socialistische regimes alsmaar minder democratisch werd.

c) Interculturaliteit

De vierde krachtlijn betreft de interculturaliteit. Het gaat hier om de participatie van alle culturen, kennis, filosofieën en religies aan de opbouw van een ‘andere mogelijke wereld’. Dit druist in tegen de culturele dominantie van het westen, niet enkel op economisch, kapitalistisch vlak maar ook op het vlak van waarden. De interculturaliteit kan niet gedacht worden zonder de drie bovenstaande krachtlijnen. Het is onontbeerlijk dat ze samen gaan. Een filosofie met racistische principes of waarin de vrouw als ondergeschikt wordt beschouwd is onaanvaardbaar. In het kader van die vier grote beginselen gaat het om het respect van de kosmovisies of de manieren om de werkelijkheid te lezen, waarbij alle culturele rijkdom kan bijdragen tot het gemeenschappelijke goed, zonder te worden teruggedrongen in het isolement van een getto. Dit vereist een filosofie van interculturaliteit als culturele dynamiek, of m.a.w. een open opvatting van cultuur en van haar veranderingspotentieel. Dit veronderstelt eveneens een niet-confessionele opvatting van de Staat als garantie voor interculturele participatie. Op dit vlak zal de ethiek zich vertalen in wederzijds respect, in dialoog, in samenwerking tussen talrijke sociale en culturele initiatieven.

2. Het niveau van de alternatieven

Voor de vier besproken krachtlijnen bestaan er verschillende niveaus waarop alternatieven tot stand kunnen komen, vanaf de utopie of de lange termijn, tot de korte termijn.

Een utopie is iets wat vandaag niet bestaat maar er morgen wel kan zijn. Het is geen synoniem van illusie. Concreet betekent het: welke samenleving willen we opbouwen – een vraag die permanent moet worden gesteld -, welke ondernemingen willen we, welke landbouw, welk onderwijs, welke gezondheidszorg, enz.?

Op middellange termijn moet een tweede dimensie aan bod komen, datgene wat enige tijd zal vergen om werkelijkheid te worden, hetzij om technische redenen, hetzij om culturele redenen, hetzij ook wegens het verzet van het bestaande systeem. Op korte termijn tenslotte moeten we denken aan alle mogelijke reguleringen als kleine stapjes in een algemeen proces en niet als doel op zich. Het gaat hier om onmiddellijke oplossingen om levens te redden of intermediaire maatregelen in een groter proces.

  1. De strategieën

Strategieën om alternatieven uit te werken volgens de vier geschetste krachtlijnen voor het socialisme van de 21ste eeuw moeten in verschillende fasen tot stand komen. Het blijft onontbeerlijk om het kapitalisme te delegitimeren, want die overtuiging is nog lang niet universeel geworden. Het tot stand doen komen van een collectief bewustzijn, niet enkel van de gevolgen, maar van de oorzaken, is een onontbeerlijke eerste stap.

Het stadium van het collectieve bewustzijn moet noodzakelijkerwijs gevolgd worden door meer, met name het tot stand komen van collectieve actoren. De sociale fora leveren hiertoe een belangrijke bijdrage. Met het neoliberalisme wordt het individualisme beklemtoond en de zuiver individuele doelstellingen en verantwoordelijkheden krijgen de voorkeur. Een belangrijke stap voor het creëren van collectieve actoren is de uitbouw van sectorale netwerken: arbeiders- en boerenbewegingen, vrouwenbewegingen, mensenrechtenverenigingen, milieuverenigingen, enz. Ook hierbij kunnen de sociale fora een belangrijke rol spelen. Maar er moet een tandje worden bijgestoken, door netwerken van netwerken te bouwen rond specifieke punten die een transversaliteit met gemeenschappelijke doelstellingen mogelijk maken.

Vanuit strategisch oogpunt en opdat de projecten ook werkelijkheid zouden worden, moeten we overgaan van het verzet naar een offensief. Het aan elkaar koppelen van sociale bewegingen en politieke actoren is derhalve onontbeerlijk. In Latijns Amerika werd begonnen met een beweging in die richting en dat begint resultaten op te leveren. Vandaar dat de klemtoon moet worden gelegd op de noodzaak om de theorie om te zetten in handelen. Dat is nodig om de algemene visie op de doelstellingen niet uit het oog te verliezen en niet te vervallen in wat Rosa Luxemburg al de particuliere verworvenheden noemde. Want dit kan bijdragen tot de reproduktie van het systeem als het niet wordt teruggekoppeld naar de algemene doelstellingen. Het uitwerken van een theorie is uiteraard geen louter academisch werk, maar kan wel het resultaat zijn van ‘organieke intellectuelen’, dit is het werk van al diegenen die afstand kunnen nemen van het onmiddellijke.

Besluit

Het socialisme van de 21ste eeuw uitbouwen is zeker een nieuw initiatief dat gebruik kan maken van de opgedane ervaringen en van de nieuwe gevoeligheden van de hedendaagse sociale bewegingen. Zij leggen de klemtoon op de kwalitatieve waarden van het leven, op democratie als middel en niet enkel als doel. Maar tegelijk is het een werk van continuïteit, want er bestaat kennis en praktijk die ons veel lessen kunnen leren. Ook al heeft het socialisme van de 19de en van de 20ste eeuw niet de verwachtingen ingelost van zij die het hadden bedacht, er is een ontegensprekelijk theoretisch en praktisch fundament. Het gaat er dus om daar selectief mee om te gaan in functie van de nieuwe perspectieven.

Met een dergelijk vooruitzicht kan het socialisme van de 21ste eeuw hoop en enthousiasme opwekken. De strijd moet worden verder gezet om te komen tot alternatieven met het daarvoor noodzakelijke kritische denken.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

(Vertaling: Francine Mestrum)

[1] Enrique Dussel, L’éthique de la Libération’, Paris, L’Harmattan, 2004.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 24 Times, 1 Visit today

Tags :
Over

zie ook