Voor een globalisering van onderuit

In september verschijnt bij Academia Press het boek "Ya Basta, voor een globalisering van onderuit". Prijs: rond de 15 euro. Auteurs: Jan Dumolyn, Peter Tom Jones, David Dessers. Met bijdragen van Didi De Paris, Patricia Lasoen, Herman J. Claeys, Elvis Peeters, Jaap Kruithof (voorwoord), Robin Van Stokrom, 8 interviews met diverse activisten van de beweging. Uitpers biedt hier hoofdstuk III aan in voorpublicatie.

III Over Scylla en Charybdis

Aan de andere kant, er vlak tegenover, liggen twee rotsen, waarvan de hoogste zijn scherpe top tot in de hemel priemt, doch schuil gaat in de wolken, die nooit willen wijken, zodat daar, zelfs in het heetst van de zomer de lucht niet klaar is. Geen sterveling, hoe roekeloos ook, kan die verschrikkelijke rotswand beklimmen, al had hij ook twintig voeten en handen om hem die bergtocht gemakkelijker te maken. Die rots toch is zo glad, al was hij gepolijst. Doch halfweg de helling is een schemerige grot (…). Daar moet ge langs, mijn here Odysseus. (…) Daar woont Scylla, het monster, dat zo vervaarlijk kan bulderen (…). Twaalf voeten heeft ze, die er maar losjes schijnen bij te hangen, en niet minder dan zes lang gerekte halzen, die eindigen in monsterachtige koppen. (…) Tot haar middel steekt dat vrouwtjesmonster in de grot, maar haar koppen rekt zij naar buiten, speurend naar dolfijnen, zwaardvissen of die nog grotere en nare dieren waarvan het wemelt in de diepte der zee. Geen schip is ooit langs de Scylla gevaren zonder verliezen aan manschappen. (…) De tweede rots is lager, zoals ge zelf zien zult, Odysseus, en de afstand tussen de één en de ander is niet groter dan een pijl vliegt. Op die rots groeit er een vijgenboom met weelderig gebladerte, en daarbeneden drinkt Charybdis gulzig het donkere water. Drie keer per dag slobbert ze het gretig binnen, driemaal daags spuwt ze het weer uit, onsmakelijk om te zien en gevaarlijk om te beleven. De onsterfelijken mogen u ervoor bewaren, dat ge daar ter plaatse zijt, als zij daar op de wijze van een walvis bedrijvig is. Dan zou zelfs Poseidon u niet kunnen redden. (…) En ik antwoordde de godin met een vraag en zei haar: “Is het dan niet mogelijk, godin, om én Charybdis én Scylla te mijden”? Toen viel Circe tegen mij uit en sprak: “O, in uw koppigheid verdwaasde! Moet ge dan altijd weer de onsterfelijken uitdagen?!”(1)

(Homeros)

Tegen de achtergrond van onze westerse consumptie- en informatiemaatschappij tekent zich een waslijst van nakende milieucatastrofen af, die de (on)leefbaarheid van onze planeet in een veel belangrijker mate zullen determineren dan high-tech gadgets of de alom geprezen toegang tot de cyberspace. Het ogenschijnlijke succes van de technologische ontwikkelingen blijkt de wereldleiders onder te dompelen in een roes van euforie. De levendigheid van de virtuele wereld wordt maar al te vaak verward met de gezwind dalende gezondheid van de reële wereld. De Titanic mag dan wel aan het zinken zijn, het orkest blijft vrolijk spelen.

In de vorige hoofdstukken gaven we al aan dat het hedendaagse wereldsysteem in feite gebukt gaat onder een vijfvoudig deficit: de sociaal-economische dualisering, de moreel-menselijke ontworteling en de daarmee verbonden ondraaglijke leegheid van het bestaan, de verregaande ontmanteling van de democratie, de culturele verschraling en de ecologische achteruitgang. Een coherente kritiek op de neoliberale globalisering moet fundamenteel holistisch van aard zijn. Dat houdt in dat men de deelproblemen die samenhangen met het neoliberalisme, in hun onderlinge complexe verbondenheid en wisselwerking moet beschouwen. De ecologische crisis waarmee we bij de dageraad van dit prille millennium worden geconfronteerd, kunnen we niet isoleren van de andere ondeugden van het neoliberalisme.

Nochtans dateert de ecologische achteruitgang al van vóór de opkomst van het neoliberalisme. Het staat buiten kijf dat niet alleen het kapitalisme maar ook het zogenaamde ‘reëel bestaande socialisme’ tot grote milieucrises hebben geleid. Dit toont aan dat we de wereldproblemen niet langer uitsluitend kunnen vatten vanuit de sociaal-economische tegenstellingen. Naast de oude breuklijn tussen kapitaal en arbeid is er ongetwijfeld een nieuwe bijgekomen: de ecologische kwestie. We komen er later nog op terug via het concept ‘risicomaatschappij’. Toch is het zonneklaar dat de ecologische crisis aanzienlijk is verergerd sinds de definitieve doorbraak van het zogenaamde turbokapitalisme. Dat is een dwingend systeem waarin alles steeds sneller of grootschaliger moet verlopen: de warenproductie, het transport, de landbouw, de circulatie van kapitaal en, onvermijdelijk, de schier grenzeloze westerse consumptieniveaus onder het adagium too much but never enough!.

De kloof tussen theorie en praktijk

Sinds jaar en dag publiceren allerlei officiële instanties alarmerende rapporten over de toestand van de aarde. Daarnaast worden er tal van plannen en strategieën uitgewerkt om de ecologische degradatie tegen te gaan. Men ziet immers de noodzaak in van ecologisch verantwoorde ontwikkeling. Eens buiten de conferentiezalen moet dat inzicht echter wijken voor economische bekommernissen en scheefgetrokken machtsverhoudingen. In de praktijk worden de plechtige woorden en principes nooit omgezet in concrete daden.(2) De houding van Bush – en in feite ook van de Europese landen met België op kop – tegenover de grote milieu-akkoorden, spreekt in dat verband boekdelen.

De toestand van onze planeet

In het rapport Global Environment Outlook 2000 (GEO-2000)(3) schetst het milieuprogramma van de VN (UNEP) de grote lijnen van de hedendaagse sociaal-ecologische toestand van de aarde. Primo. Het mondiale ecosysteem wordt bedreigd door ernstige onevenwichten in productiviteit en in de verdeling van goederen en diensten. De steeds toenemende kloof tussen extreme rijkdom en armoede bezoedelt de stabiliteit van de samenleving in haar geheel evenals die van het mondiale milieu. Secundo. De wereld ondergaat een razendsnelle evolutie waarbij ‘mileubeheersing’ naijlt op de economische en sociale ontwikkeling. Het UNEP vestigt er de aandacht op dat als de huidige trends in bevolkingstoename, economische groei en consumptieniveaus bestendigd blijven, de gezondheid van mens en milieu in toenemende mate aan een zijden draadje zal komen te hangen.

Scylla-Charybdis impasse

In het gangbare denken over de strijd tegen milieuproblemen legt men steevast éénzijdig de nadruk op technologische oplossingen (environmental engineering). Dat betekent dat het huidige paradigma van de winsteconomie, gekenmerkt door een tomeloze groeidwang, niet in vraag mag worden gesteld. Het is nochtans een illusie om te geloven dat men via ecologische modernisering alleen een duurzame samenleving op wereldschaal tot stand kan brengen. There is no alternative: zonder een drastische paradigmaverschuiving naar een sociaal-ecologisch duurzame economie, zal men steeds opnieuw met een verschrikkelijk dilemma worden geconfronteerd. Ludo Abicht vat de koe bij de hoorns in zijn boek Intelligente Emotie (2001): “Zullen we echt in staat zijn om de vreselijke keuze te vermijden tussen een wereldbevolking van 1.6 miljard mensen met een levensstandaard als die van bijvoorbeeld Canada of een wereldbevolking van 30 miljard met de levensstandaard van Bangladesh?”. Zelfs de meest fervente techniekoptimist kan hier bitter weinig tegen inbrengen. In academische kringen spreekt men van de zogenaamde Scylla en Charybdis-impasse. Daarmee verwijst men naar de onmogelijkheid om, zolang het huidige bestel in voege blijft, zowel de Scylla-klip (de sociaal-economische Noord-Zuidkloof) als de Charybdis-klip (de milieucrisis) te omzeilen. Etienne Vermeersch stelt het in zijn werk De Ogen van de Panda (1988) als volgt: “Hoe groter het gedeelte van de wereldbevolking dat in welstand leeft, hoe meer het ecosysteem in gevaar is; hoe meer het ecosysteem wordt gevrijwaard, hoe meer dit gepaard gaat met mateloze ellende.”(4) De Scylla en Charybdis-impasse hangt als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de mensheid, en vormt de onvermijdelijke achtergrond voor elke zinnige discussie over de zoektocht naar instrumenten voor een andere, meer rechtvaardige wereld.

Het consumptieniveau van de gemiddelde westerling (bijvoorbeeld energie-, water-, grondstoffen- en vleesconsumptie) kan, gezien het beperkte ecologische draagvlak van de aarde (milieugebruiksruimte), onmogelijk worden veralgemeend naar de totale wereldbevolking. Hierbij kunnen we verwijzen naar de gerenommeerde publicaties van de VN, het Worldwatch Institute en het World Wide Fund for Nature (WWF), evenals tal van wetenschappelijke publicaties omtrent deze materie. Volgens berekeningen van het WWF overschrijdt sinds midden jaren ’70 de totale ecologische voetafdruk van de wereldbevolking de mondiale regeneratiecapaciteit van de aarde. Het concept ecologische voetafdruk geeft aan welke oppervlakte nodig is om voor een bepaalde persoon, stad of land al de geconsumeerde goederen te produceren en het afval te verwerken. In 1997 was de mondiale ecologische voetafdruk al 30% groter dan de totale regeneratiecapaciteit van de aarde. De excessieve ecologische voetafdruk resulteert rechtstreeks in de vernietiging van fauna en flora met een drastisch verlies in biodiversiteit tot gevolg evenals verslechterende algemene levensomstandigheden. De Noord-Zuidkloof is hier schrijnend. Het ‘eerlijke aarde-aandeel’ bedraagt momenteel zo’n 1,7 hectare per persoon. Een gemiddelde Belg gebruikt 5 hectare, een Noord-Amerikaan 9 hectare. Voor het Zuiden blijft er al veel minder over. Zo gebruikt een doorsnee inwoner uit India slechts 0,8 hectare. Enkele andere voorbeelden van deze vorm van milieuonrechtvaardigheid spreken boekdelen: de 20% rijksten op deze wereld zijn verantwoordelijk voor 80% van de mondiale vervuiling en 90% van de wereldwijde consumptie; een gemiddelde westerse baby verbruikt 40 tot 70 keer meer water dan een pasgeborene uit het Zuiden; een doorsnee Noord-Amerikaan stoot 19 ton koolstofdioxide per jaar uit tegenover minder dan 2 ton per jaar vanwege een inwoner uit het Zuiden. Uiteraard zijn er ook zeer grote verschillen wat betreft de ecologische voetafdruk tussen armere en rijkere burgers binnen de vervuilende landen zelf.

Ecologische schuld

In klare taal: wij kunnen hier in het Noorden enkel en alleen op de kap van het Zuiden ongebreidelde productie en consumptie blijven nastreven. Hoewel wij gewoon zijn om over de uitstaande (financiële) derdewereldschuld van het Zuiden aan het Noorden te spreken, wordt het dringend tijd te wijzen op de nog veel hogere ecologische schuld van het Noorden ten aanzien van het Zuiden. De ‘ontwikkelde’ landen staan op dit gebied immers aanzienlijk in het rood bij de ‘ontwikkelingslanden’. Deze ecologische en historisch-menselijke schuld hangt nauw samen met de oneerlijke relaties tussen het Noorden en het Zuiden. Het betreft de historische uitbuiting (slavenhandel, genocide van inheemse bevolking, grondstoffenroof) evenals de huidige exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van het Zuiden (grond, bossen, visgronden, genetische rijkdom), oneerlijke handelsrelaties ten gevolge van de verslechterende terms of trade en de overmatige koolstofdioxide-uitstoot van het Noorden (naast andere gassen zoals distikstofoxide, methaan, CFK’s…) De meest actuele vorm van ecologische schuld is zonder enige twijfel het klimaatprobleem. Ondertussen spreekt geen enkel zichzelf respecterend wetenschapper die feiten nog tegen. Klimaatwijzigingen als gevolg van het door menselijk toedoen versterkte broeikaseffect zijn reëel. Ondertussen heeft de globale opwarming haar eerste nationale slachtoffer gemaakt: de autoriteiten van het eiland Tuvalu hebben het gevecht tegen de oceaan officieel opgegeven en treffen de voorbereidingen voor de evacuatie van de bevolking richting vasteland. Volgens de VN zullen er in 2050 150 miljoen milieuvluchtelingen zijn.(5)

Volgens de verzekeringsreus CGNU zouden de klimaatveranderingen binnen vijftig jaar het failliet van de globale economie inluiden.(6) De verantwoordelijkheid ligt hoofdzakelijk bij de op fossiele brandstoffen gebaseerde (historische) economische ontwikkeling in het Noorden. Nochtans zijn de armen het grootste slachtoffer van de globale opwarming en de daarmee gepaard gaande internationale klimaatwijzigingen (zoals overstromingen, orkanen, hittegolven, opmars dodelijke ziekten). Het meest frappante aan deze milieuonrechtvaardigheid is het feit dat de armste mensen – in het Noorden maar vooral in het Zuiden – noch een wezenlijke bijdrage hebben geleverd tot het probleem, noch financieel baat hebben gehad bij de fossiele brandstofindustrie. Het UNEP schat dat de kosten van de rampen ten gevolge van klimaatveranderingen voor ‘ontwikkelingslanden’ tijdens de volgende twintig jaar zullen neerkomen op een grotesk kostenplaatje van 6.500 miljard dollar.

Een overzicht van de milieucrisis

De toestand is hopeloos, doch niet ernstig. Het UNEP trok, wetende dat er geen mondiale nooduitgang voorhanden is, recent nogmaals aan de ecologische alarmbel in haar rapport GEO-2000. Hierin vestigt zij de aandacht op de volgende problematische toestanden:

  • Het is onwaarschijnlijk dat de wereldwijde watercycli in staat zullen zijn om in de komende decennia het hoofd te bieden aan de vraag naar water. Als de huidige waterconsumptie gehandhaafd blijft, dan verwacht men dat tegen het jaar 2025 twee op drie mensen van deze aarde in zones met een tekort aan water (water stressed zones) zullen leven.
  • De bodemdegradatie heeft de vruchtbaarheid en het landbouwpotentieel gereduceerd. Deze verliezen doen de vooruitgang als gevolg van de expansie van landbouwgebieden en de toegenomen productiviteit te niet.
  • De vernietiging van de tropische regenwouden is te ver gevorderd om onomkeerbare schade te vermijden. Het zou tal van generaties vereisen om de verloren bossen te vervangen, terwijl de culturen die mee ten onder zijn gegaan nooit meer kunnen worden vervangen.
  • Een groot aandeel van ‘s werelds biodiversiteit is al verloren of met uitsterven bedreigd als gevolg van de trage respons van het milieu en beleidsmakers. Het is te laat om alle biodiversiteit die de aarde ooit kende in stand te houden.
  • Tal van visgronden zijn overgeëxploiteerd en hun herstel zal zeer traag zijn.
  • Meer dan de helft van ‘s werelds koraalriffen worden bedreigd door menselijke activiteiten. Hoewel we sommige nog kunnen redden, is het te laat voor vele andere.
  • Stadsverontreiniging begint hachelijke vormen aan te nemen in tal van megasteden in de ontwikkelingslanden, waardoor de gezondheid van menig stadsbewoner aangetast wordt.
  • Het is waarschijnlijk te laat (letterlijke vertaling) om de globale opwarming te verhinderen als gevolg van de toegenomen broeikasgasemissies; bovendien zullen veel van de doelstellingen van het Kyoto-akkoord niet worden gehaald.

Het UNEP geeft zelf aan dat, om de milieuproblematiek werkelijk aan te pakken, een drastische vermindering van de materiële consumptie vereist is: “Een tienvoudige reductie in grondstoffenverbruik is een noodzakelijke langetermijndoelstelling om voldoende grondstoffen ter beschikking te stellen aan de zich ontwikkelende landen.” De rapporten van de VN en andere instellingen zoals het WWF laten er geen twijfel over bestaan. De ecologische crisis is mondiaal, grensoverschrijdend en bedreigt het welzijn – en op langere termijn zelfs het voortbestaan – van mens en milieu. Dat betekent dat deze crisis ook grensoverschrijdende en stringente maatregelen vereist.

Groot was dan ook de verbazing van menig wetenschapper en activist toen de Deense professor in de statistiek Bjorn Lomborg het verbazingwekkende boek The Skeptical Environmentalist (2001) publiceerde. In dit werk beweert Lomborg doodleuk dat de ecologische problemen flink overdreven worden en dat er eigenlijk geen milieuprobleem bestaat. Sindsdien beroepen de neoliberale profeten van bijvoorbeeld The New York Times en The Economist evenals allerlei broeikasnegationisten (zoals de Cooler Heads Coalition) zich gewillig van dit boek om de neoliberale gang van zaken goed te praten. Ondertussen werd Lomborg in diverse wetenschappelijke (en tevens onverdachte) gerenommeerde tijdschriften zoals Nature, Science en Scientific American totaal ontmaskerd.(7) Men toonde aan hoe hij systematisch verkeerde interpretaties en voorstellingen maakt van data om de reikwijdte van enkele prangende milieugevaren te onderschatten. Bovendien wordt uitvoerig uit de doeken gedaan hoe deze ‘wetenschapper’ selectief en onkritisch gebruik maakt van (vaak ‘niet-gereviewde’) wetenschappelijke literatuur. Lomborg’s visie voor de toekomst – één waarin kinderen die vandaag geboren worden langer en gezonder kunnen leven, meer en beter voedsel, zuiverder water en beter onderwijs kunnen genieten zonder het milieu te beschadigen – is er wellicht één die we allen delen. Nochtans is de kans dat we een dergelijke toestand daadwerkelijk zullen bereiken groter door in het hic et nunc bedachtzame maatregelen te ondernemen, eerder dan een roze bril op te zetten en verkeerd te gokken dat het allemaal wel vanzelf zal beteren.

UNEP versus WTO

En daar wringt precies het schoentje. De laatste decennia zijn er grondige machtsverschuivingen opgetreden. Instellingen zoals de VN verloren sterk aan inspraak en beslissingsmacht, terwijl de uitgesproken neoliberale supranationale organen zoals de WTO, het IMF en de Wereldbank aan belang wonnen. De internationale gemeenschap, gedomineerd door WTO en co, werkt met twee maten en gewichten: een ‘harde wet’ voor internationale handelsregels versus een ‘zachte wet’ voor de befaamde Multilateral Environmental Agreements (multilaterale milieuakkoorden veelal in het kader van de VN). Zo legt de WTO strenge vrijhandelswetten op die met zware sancties worden bestraft in het geval van niet-naleving, terwijl men milieuakkoorden bijna niet kan afdwingen. Dat is catastrofaal voor de inwoners van het Zuiden voor wie multilaterale milieuakkoorden zoals het Montreal-protocol (over ozonafbrekende stoffen), de Basel-conventie (inzake het verbod op handel in toxische stoffen), de Rio-conventie (aangaande biodiversiteit), het Bioveiligheid-protocol (ter regulatie van genetisch gewijzigde organismen) en het Kyoto-klimaatakkoord zulke gewichtige instrumenten voor milieurechtvaardigheid vormen. Zo kunnen de VS probleemloos het (sowieso al totaal ontoereikende) Kyoto-protocol naast zich neerleggen, terwijl Europese consumenten en hun overheden door de WTO worden bestraft omdat zij de import van (hoogstwaarschijnlijk ongezond) met hormonen behandeld vlees uit de VS willen verbieden. Wat de aanpak van grensoverschrijdende milieuproblemen betreft, ontstaat er ontegensprekelijk een gapende kloof tussen de principes die door de VN worden verdedigd (zoals het voorzorgsprincipe, duurzaamheid) tegenover de non-filosofie van de WTO (die zich baseert op het principe van de ‘betrouwbare’ wetenschappelijke kennis: sound science). De WTO draait hierbij het Voorzorgsprincipe om: dat houdt in dat zij de bewijslast bij de consument legt in plaats van bij de producent wat tot noodlottige toestanden kan leiden. De vrijhandelswetten van de WTO vormen een gevaar voor mens en milieu aangezien zij elke vorm van nationale of internationale milieureglementering proberen te veroordelen als ‘niet-tarief gebonden handelsbarrières’. Daarom eist de andersglobaliseringsbeweging dat de multilaterale milieuakkoorden voorrang krijgen op de zelfvernietigende ‘vrijhandelsprincipes’ van de WTO.

Ook de Wereldbank draagt, meestal in nauwe samenwerking met grote broer IMF, een verpletterende verantwoordelijkheid voor de wereldwijde achteruitgang van het milieu. Zo is zij bijvoorbeeld de belangrijkste publieke financier van koolstofuitstotende olie-, gas- en steenkoolprojecten in de ‘ontwikkelingslanden’. De Wereldbank leent 25 keer meer geld uit in het kader van fossiele brandstof-energieprojecten dan voor duurzame of hernieuwbare alternatieven. De olieprojecten komen vooral ten goede aan de aandeelhouders van de multinationale ondernemingen waarmee de Wereldbank nauw samenwerkt. De Wereldbank is medeverantwoordelijk voor tal van sociaal-desastreuze en tevens milieuonvriendelijke megalomane damprojecten in het Zuiden, die vanzelfsprekend tot massaal protest leiden bij de plaatselijke bevolking (bijvoorbeeld in de Narmada-vallei in India en in Brazilië)(8).

Ecologisch deficit neoliberale globalisering

Om de winstvoeten van de investeerders hoog genoeg te houden, splitsen de multinationale ondernemingen hun productieketens ruimtelijk op. Arbeidsintensieve activiteiten worden uitbesteed aan de speciale export processing zones (lees: sociale kerkhoven); milieubelastende activiteiten worden verplaatst naar de vervuilingsparadijzen; terwijl winsten worden geaccumuleerd in de belastingsparadijzen. In de praktijk leiden de neoliberale richtlijnen tot de zogenaamde race to the bottom, aangezien de landen van het Zuiden onder druk worden gezet om zowel de sociale en fiscale normen als de nationale milieureglementering steeds verder te verzwakken ten einde mobiel internationaal kapitaal aan te trekken.

De toegenomen internationale handelsstromen in het kader van het globaliseringsproces van de wereldeconomie hebben tezelfdertijd een ingrijpende impact op de ecologische en sociale evenwichten. Het GEO-2000 rapport wijst op het negatieve effect van de invasie van vreemde soorten als gevolg van de toegenomen globalisering. Het vervoer van grondstoffen, halffabrikaten en afgewerkte producten is pijlsnel toegenomen door de globalisering. Meer internationale handel betekent dus meer weg- en luchttransport, met belangrijke onrechtstreekse gevolgen voor de gezondheid van de mens en de kwaliteit van het milieu. Nu al sterven jaarlijks 3 miljoen mensen als gevolg van luchtverontreiniging. Transport is volgens de VN verantwoordelijk voor één vierde van het wereldwijde energieverbruik, wat overeenkomt met 50% van ‘s werelds olieproductie.

De huidige wereldeconomie draagt een fenomenaal kostenplaatje, kosten die men afwentelt op de maatschappij, op de rest van de natuur, op de minst-bedeelden in het Noorden maar vooral in het Zuiden, evenals op de toekomstige generaties. Laten we het niet-duurzame en sociaal-onvriendelijke karakter van het nu wereldwijd uitgedragen neoliberale consumptiepatroon even illustreren aan de hand van de westerse vleesconsumptie. Een gemiddelde Belg eet per jaar 70 tot 80 kilogram vlees. De verspilling die hiermee gepaard gaat is fenomenaal. Iemand voeden met vlees vereist 25 keer meer grond dan via de consumptie van groenten en fruit. Water, gekoppeld aan de omzettingsprocessen tot (levend) vlees, wordt op een analoge wijze verkwist. Hetzelfde kan worden gezegd van de energieverspilling bij de vleesproductie: productie van pesticiden en meststoffen voor de teelt van soja en andere graanvervangers, het wereldwijd gesleep met veevoeders en vlees, het vermalen van beenderen en karkassen tot beendermeel, het omzetten van de mestvloed in mestkorrels, het uitvoeren van die korrels, enzovoort. Bovendien zijn er, afhankelijk van het type vlees, zeven kilogram graan of graanvervangers nodig voor de schamele productie van één kilogram vlees. Voeg daarbij nog het feit dat boeren vanwege de rentenspiraal van hun investeringen worden gedwongen om steeds op grotere en dus minder diervriendelijke schaal te produceren. Luc Vankrunkelsven, coördinator van de Werkgroep voor een rechtvaardige en verantwoorde landbouw (WERVEL), slaat de spijker op de kop: “Vlees eten, veel vlees eten, is een energetische, ecologische en sociale ramp.”(9)

Ook een Noord-Zuiddimensie is niet vreemd aan het voedselprobleem. Wat betreft de voedselsoevereiniteit van lokale gemeenschappen in het Zuiden, hebben de neoliberale modellen, gericht op het zogenaamde ‘comparatieve voordeel’ van een bepaald land, eveneens verwoestend huis gehouden. Kleine boeren worden weggeconcurreerd door multinationale ondernemingen, die overgesubsidieerde producten op lokale markten aan te lage prijzen dumpen. Landbouwgronden worden omgeschakeld om exportgericht en kapitaals- en technologie-intensief te produceren. Veel landbouwdiversiteit gaat hierdoor verloren, terwijl traditionele gewassen worden verdrongen door geïmporteerde producten. De impact is ongetwijfeld het meest dramatisch in het Zuiden waar meer dan de helft van de bevolking afhankelijk is van de landbouw. Wat betreft de Noord-Zuidverhoudingen ontstaat er mede dankzij de steeds verslechterende handelsvoorwaarden een steeds grotere afhankelijkheid van de kleine Zuiderse boeren ten aanzien van multinationale ondernemingen uit het Noorden.

Eens te meer is het nochtans te simpel om te spreken van het conflict tussen het arme Zuiden en het rijke Noorden. Ook kleine boeren in de geïndustrialiseerde landen zijn vaak het slachtoffer van de neoliberale kapitaalsintensieve landbouwmodellen. De Europese boerenvereniging Coordination Paysanne Européenne wijst er op dat de échte tegenstelling haar oorsprong vindt in het conflict tussen de geïndustrialiseerde landbouw verbonden met de belangen van de agro-industrie en multinationale elites uit het Noorden én het Zuiden enerzijds, tegenover duurzame, op familiale bedrijven uitgeoefende landbouw die de belangen van de kleine boeren en van de consumenten dienen anderzijds.(10)

De risicomaatschappij

Het huidige neoliberale turbokapitalisme tast de pijlers van zijn eigen voortbestaan aan: sociale vrede en een gezond leefmilieu. De zogenaamde vrije markt kent immers geen waarde toe aan wat geen prijs heeft, en onderkent geen behoefte waar geen koopkrachtige vraag voorhanden is. Het betreft in wezen een irrationeel en blind systeem. Dirk Holemans (11) stelt in Samenleving en Politiek terecht dat de markt als besluitvormingsorgaan noch geheugen noch toekomstvisie kent. Voeg daarbij de intrinsieke doel-middelomkering die ervoor zorgt dat het middel (winst maken) doel is geworden, terwijl het – theoretisch –oorspronkelijke doel (bevrediging van behoeften) tot een middel is herleid om meer winst te maken. De vraag welke producten zullen worden voortgebracht (graan, kruisraketten, windmolens) is vanuit het standpunt van de kapitalist onbelangrijk. Uiteraard moeten de producten wel worden afgenomen maar hiertoe kan men eventueel zelf (schijn)behoeften creëren via allerlei psychologisch-uitgekiende marketingstategieën. De doelen van de mens zijn dus secundair ten opzichte van de winstproductie. Gezien de alsmaar diepere penetratie van de markt in het globale maatschappelijke gebeuren en gezien de Scylla-Charybdis impasse dringt een paradigmaverschuiving zich op. We moeten ons bewust zijn van de beperktheid van het ecologisch draagvlak van de aarde dat afgebakend wordt door welgekende biofysische en thermodynamische grenzen. Als we werkelijk menen dat elke wereldburger recht heeft op een even groot ‘eerlijk aarde-aandeel’ van de (beperkte) ecologische milieugebruiksruimte, dan is een grondige herziening van de westerse consumptieniveaus vereist, make no mistake about it!

De hedendaagse ecologische crisis stelt bovendien het fundament van de naoorlogse welvaartsstaat in vraag: namelijk de sociale consensus tussen arbeid en kapitaal over het belang van de onbeperkte economische groei. Dit ‘productivisme’ was trouwens ook een van de grote kwalen van het klassieke marxisme, dat in de voormalige communistische landen tot vaak nog grotere ecologische catastrofes heeft geleid dan in het Westen. Zowel in het Oostblok als in de naoorlogse westerse welvaartsstaten lijden werkgevers én werknemers aan een blind vooruitgangsoptimisme, gekoppeld aan een éénzijdige antropocentrische visie op de natuur. Via een doorgedreven industrialisering van de productie kon men een grote economische taart produceren die kon worden verdeeld onder de werkgevers en de (westerse) arbeiders. Wat men in de constructie van die welvaartstaat echter buiten beschouwing laat, staat nu centraler dan ooit op de maatschappelijke agenda: de ecologische risico’s verbonden met een te ver doorgedreven industrialising en commercialisering van de maatschappij (gekke koeien, dioxines en PCB’s, genetisch gewijzigde organismen, klimaatproblematiek, radioactief afval). Tot enkele jaren geleden werden deze risico’s opgevat als hoogstens onvermijdelijke ‘neveneffecten’, collaterale schade van een voor de rest gesmeerd proces. Deze opvatting is vandaag voorbijgestreefd. De ecologische risico’s zitten in het centrum van de maatschappelijke problemen. De Duitse socioloog Ullrich Beck lanceerde in 1986 in zijn werk Risikogesellschaft het concept ‘risicomaatschappij’ om deze maatschappelijke evolutie aan te geven. In de risicomaatschappij staat niet langer alleen de verdeling van de welvaart op de agenda, maar gaat het evengoed om de vraag hoe om te gaan met de ecologische risico’s en de daarmee verbonden kwesties van de verantwoordelijkheids- en beslissingsvraag. Een mondiale welvaartsstaat die zich spiegelt aan het naoorlogse model en dat wenst uit te breiden op planetair vlak lijkt met andere woorden een doodgeboren kind te zijn.

Deglobalisering?

Een sociaal-ecologisch duurzame economie vereist een zekere deglobalisering. Waarom moeten producten die men lokaal of regionaal kan vervaardigen, worden ingevoerd uit de andere kant van de wereld? Is het zinvol dat zelfs de geassembleerde delen van een eenvoudig karton voor Europese yoghurt een reis afleggen van in totaal 9000 kilometer, zoals Wolfgang Sachs zich terecht afvraagt?(12) De wereldeconomie moet zich ontwikkelen in een pluraliteit van ruimten – internationaal, nationaal en regionaal – die slechts ten dele met elkaar verbonden zijn. Het concept economische subsidiariteit kan hierbij soelaas bieden. Beslissingen omtrent economie moeten op het meest lokaal mogelijke niveau genomen worden. Tezelfdertijd moeten we werken aan slagkrachtige radicaal-democratische internationale organen die zich buigen over grensoverschrijdende milieuproblemen en sociaal-ecologische duurzaamheid promoten. Milieuvriendelijke spitstechnologie kan daarbij geen deus ex machina zijn, maar eerder een belangrijk hulpmiddel.

De ecologische voetafdruk van het Westen moet omlaag. We kunnen niet langer ongestraft de aarde als een onuitputbaar reservoir voor de productie, noch als als vuilbak behandelen. Dit alles incorporeert dat er wel degelijk grenzen aan de economische groei zijn. Daarmee verwijzen we naar de gangbare betekenis van dat concept, namelijk BBP-verhogende groei. We moeten een onderscheid leren maken tussen zinvolle, welzijnsverhogende groei enerzijds en klassiek-economische groei anderzijds. Dit vormt trouwens één van de grootste uitdagingen van dit prille millennium. Ongetwijfeld zal dit debat ook met de vakbonden en de traditioneel-linkse organisaties in het Westen moeten worden gevoerd. Het spreekt voor zich dat we hier op de grenzen van het kapitalistische systeem botsen.

Het zogenaamde economisch realisme is in de ecologische realiteit met andere woorden zeer onrealistisch. Daarom moeten we ijveren voor een duurzame steady-state economie: een productiesysteem dat een aanzienlijke beperking inhoudt van de input van eindige, natuurlijke hulpbronnen. Om niet eindeloos op de klippen van Scylla en Charybdis te pletter te varen.

(Uitpers, juli-augustus 2002)

Voetnoten

(1) Tekstgetrouwe weergave van de Scylla-Charybdis passage van Homeros (vertaling Frans Van Oldenburg) uit HOMEROS, Ilias en Odyssea, Retie, 1959.
(2) Op mondiaal vlak kan men met andere woorden bezwaarlijk van een milieubeleid spreken. Nochtans wordt daar op Europees niveau wel (een beetje) werk van gemaakt, maar dat gebeurt binnen de grenzen van het economische systeem waarbij de realiteit continu wordt achternagehold. In de werkelijkheid blijven die EU-richtlijnen grotendeels in gebreke.
(3) Dit rapport kan men raadplegen via de website van het UNEP (http://www.unep.org/). Net voor de afwerking van dit boek publieerde het UNEP haar nieuwe rapport GEO-3 (http://www.unep.org/GEO/geo3/). De conclusies van dit rapport zijn minstens even alarmerend als die van GEO-2000.
(4) Wij gaan echter niet akkoord met het overmatige belang dat Vermeersch als ‘neo-malthusiaan’ aan de bevolkingsdruk als onafhankelijke factor toekent.
(5) Andrew SIMMS, ‘Going down in history’, New Internationalist, Nr. 342, 2002.
(6) Andrew SIMMS, ‘Ecologische schuld’, Uitpers, Februari 2002.
(7) Zie o.a. Stuart PIMM en Jeff HARVEY, ‘No need to worry about the future’, Nature, Vol. 414, 8/11/2001; Michael GRUBB, ‘Relying on manna from heaven’, Science, Vol. 294, 9/11/2001; Stephen SHNEIDER, John HOLDREN, John BONGAARTS en Thomas LOVEJOY, ‘Misleading math about the earth, science defends itself against the Sceptical Environmentalist’, Scientific American, Januari 2002. En zie een overzicht van het wetenschappelijke bewijsmateriaal tegen Lomborg’s dwaalleer op www.anti-lomborg.com.
(8) Zo is er in Brazilië een heuse basisbeweging opgestaan (MAB – Movimento dos Atingidos por Barragens) die zich verzet tegen megalomane stuwdamprojecten waarbij grote ondernemingen zoals Tractebel en Alcoa nauw zijn betrokken. Gelijkaardige opstanden vinden plaats in India.
(9) Luc VANKRUNKELSVEN, ‘Gekke koeien, gekke mensen’, Rood, Nr. 23, 2000.
(10) CPE, ‘How international institutions and negotiations affect agricultural policies, food production and land’, Januari 2000.
(11) Dirk HOLEMANS, ‘Een rood-groen verhaal is rijker dan het bestrijden van sociale ongelijkheid’, Samenleving en Politiek, Jg. 8, Nr. 10, 2001.
(12) Wolfgang SACHS, ‘De macht van limieten’ in MERTENS J. (ed.), De groei van groen, 20 jaar ecologische politiek in Europa, Antwerpen/Baarn, 2001.

Visited 9 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Uitpers