Verkiezingen Haïti : de juiste uitslag, maar om de verkeerde redenen

Op dinsdag 7 februari gingen de kiezers in Haïti naar de stembus om voor de vierde keer sedert 1990 een president te kiezen. Met veel geduld en vastberadenheid omzeilden ze de officiële wanorganisatie, de incompetentie en discriminatie, en voor de vierde keer sedert 1990 bezorgden zij hun uitverkoren leider een overweldigende overwinning.

En voor de vierde keer begon de Haïtiaanse elite, met de steun van de Internationale Gemeenschap, die zege te ondergraven met het doel aan de onderhandelingstafel binnen te halen wat ze niet via de stembus kon krijgen.

Het middel om onderhandelingen af te dwingen was de impasse over het feit of de succesvolle kandidaat, René Préval, al dan niet 50% van de stemmen behaalde – een aantal dat nodig is om een tweede ronde tegen zijn naaste rivaal te vermijden. Volgens de eerste officiële resultaten en de onofficiële tellingen van Préval’s campagneploeg, van internationale waarnemers en van journalisten zat Préval ruim boven de 50%, maar vijf dagen later zat hij er 1,3% onder.

De onderhandelingen leidden tot een deal, waaronder de behandeling van de blanco-stemmen door de Verkiezingscommissie, werd veranderd. Daardoor kwam Préval opnieuw boven de 50%. Door Préval de zege te gunnen, wordt er niet meer gekeken naar de ernstige beschuldigingen dat de interim-regering van Haïti de tellingen manipuleerde en stembrieven deed verdwijnen om te verhinderen dat hij zou winnen. En de internationale gemeenschap kan nu, na twee jaren van brutaal en ondemocratisch bestuur door de interim-regering, zeggen dat er democratie is in Haïti.

De deal geeft iedereen wat, en dat is een probleem. Er wordt niet verondersteld dat verkiezingen iedereen gelukkig maken. Ze worden verondersteld, op basis van vaste regels, de politiek macht toe te kennen op basis van de meerderheid van de stemmen. Naar alle waarschijnlijkheid zou een juiste telling Préval de overwinning in de eerste ronde hebben gegeven, zoals voorspeld door de exit-polls en onofficiële tellingen. Het akkoord, waarover werd onderhandeld, leidde tot hetzelfde resultaat als datgene dat bereikt zou zijn door een correcte telling. Maar het doet dat door de regels te veranderen in plaats van de schendingen van de regels recht te zetten.

Het akkoord geeft munitie aan degenen die Préval willen deligitimiseren en zijn progressieve sociale en economische plannen, waarvoor hij werd gekozen, willen onderuit halen. De ongelukkige tegenkandidaten protesteren nu al dat het er niet eerlijk aan toeging. Ze gaan de steun krijgen van de elite van Haïti en van de internationale gemeenschap. En snel genoeg zal het inroepen van de “betwistte verkiezingen van februari 2006” volstaan om een hele reeks economische en politieke dwangmaatregelen tegen de verkozen regering te rechtvaardigen.

Ook Leslie Manigat, die op de tweede plaats eindigde, wint bij het akkoord. Hij kreeg minder dan 12% van de stemmen en had geen enkele kans in een eerlijke tweede ronde, ook al zouden alle andere 30 kandidaten hem hun steun geven. Het akkoord bespaart Manigat een afstraffing in de tweede ronde, maar staat hem toe te beweren dat hij de kans niet kreeg te winnen in een tweede ronde en dus werd bedrogen. Hij bracht al direct de bal aan het rollen door op een bijeen geroepen persconferentie kritiek te leveren op de internationale gemeenschap en op de interim-regering, die zouden gezwicht zijn voor dreigend geweld. Manigat heeft gelijk als hij zegt dat niemand voor geweld zou mogen zwichten. Maar men zou moeten buigen voor de duidelijke stem van het volk voor Préval.

De manke telling is gewoonweg de laatste van een lange rij pogingen om de impact van de arme kiezers, die Préval steunen, te minimaliseren. De interim-regering zette een uitgebreid programma op om, in de tien maanden voorafgaand aan de verkiezingen, de politieke activiteiten van de Lavalas-beweging, waaruit Préval het grootste deel van zijn aanhang haalde, aan banden te legen. Verscheidene prominente politici konden niet aan de verkiezingen deelnemen als kandidaat of als activist omdat ze illegaal gevangen werden gezet. Onder die politieke gevangenen vindt men de laatste grondwettelijke eerste minister van Haïti, een voormalig lid van het Huis van Afgevaardigden, de voormalige minister van Binnenlandse Zaken, en tientallen lokale partijambtenaren en grassroots-activisten. Toen vastgesteld werd dat Haïti’s meest prominente dissident, de eerwaarde Gérard Jean-Juste, aan leukemie leed, was er een grootscheepse campagne nodig, met de onder meer de tussenkomst van vooraanstaande Amerikaanse Republikeinen, om zijn voorlopige invrijheidsstelling te verkrijgen voor een hoogdringende behandeling.

Tijdens de registratie van de kiezers werd systematisch gepoogd de arme rurale en stedelijke kiezers te ontmoedigen zich in te schrijven. In 2000 voorzag de democratische regering van Haïti in meer dan 10.000 registratiecentra. De interim-regering installeerde er nu minder dan 500. En zelfs al zouden die evenwichtig verspreid zijn geweest over het land, dan waren er te weinig en te verafgelegen voor vele stemgerechtigden. Ze werden in grote mate gevestigd in zones waarvan werd verondersteld dat ze de interim-regering en haar bondgenoten zouden steunen. Halfweg de registratieperiode, bij voorbeeld, waren er drie kantoren in de chique voorstad Pétionville, en evenveel in het uitgestrekte en nauwelijks van wegen voorziene departement Central Plateau. In de steden kregen de arme buurten als laatste registratiecentra, en in Cité Soleil, de grootste arme buurt, kwam er nooit een.

Klachten en protesten dwongen de interim-regering de registratieperiode driemaal te verlengen en bijkomende registratiekantoren te openen. Uiteindelijk werden er 3,5 miljoen kiezers geregistreerd, of ongeveer drie vierden van het geschat aantal mogelijke stemgerechtigden. Maar we zullen nooit weten hoeveel potentiële kiezers niet in een registratiecentrum geraakten of er de brui aan gaven omdat ze al te veel broodnodige werkdagen verloren in hun pogingen er te geraken. We weten wél dat de registratieproblemen zich in grote mate voordeden in de arme landelijke en stedelijke zones, die in overweldigende mate voor Préval stemden.

Noch de Lavalas-beweging noch Prévals aanhang konden effectief campagne voeren. De politie vuurde geregeld naar vreedzame pro-Lavalas-manifestaties tijdens de twee jaren van het bewind van de interim-regering. In januari vernielde een pro-regeringsbende installaties die werden opgericht voor een campagnetoespraak van Préval in de stad Saint-Marc, waardoor de gebeurtenis diende te worden afgelast. Niemand werd gearresteerd. Geweld en dreigingen met geweld leidden tot de annulatie van volgende campagnegebeurtenissen, zelfs in de laatste week voor de verkiezingen.

De interim-regering beperkte het aantal stembureaus tot 807, wat veel te weinig was, ook al zouden de kiesverrichtingen gesmeerd verlopen zijn. Op de verkiezingsdag titelde het persbureau Reuters om 13u :”Chaos, fraudeclaims ontsieren verkiezingen in Haïti”. De meeste stembureaus openden te laat en beschikten niet over stembrieven of ander materieel. Pas laat in de namiddag werden ze operationeel. Stemgerechtigden arriveerden bij de aangewezen bureaus om dan te ontdekken dat die op het laatste moment naar elders waren verplaatst. Velen die het op hun kiezerskaart vermelde bureau vonden, schoven uren in rijen aan om dan te horen te krijgen dat ze niet konden stemmen omdat hun naam niet op de lijst stond. In sommige centra waren tienduizenden kiesgerechtigden samengepakt in een voldoende groot gebouw, waardoor verwarring ontstond en in één geval dodelijke paniek.

Zoals met de registratieproblemen, waren het ook nu weer de armen die met het grootste deel van de problemen op de verkiezingsdag te maken kregen. Het ergste ging het er aan toe in de twee verkiezingscentra voor Cité Soleil, die buiten de Cité gelegen waren. Een van de twee, de site Carrefour Aviation, werd op het laatste moment overgebracht naar een gebouw, waar 32.000 kiezers de juiste rij moesten vinden om aan te schuiven. Van enige informatie of instructies was geen sprake. Journalisten en waarnemers stelden vast dat de centra in Pétionville en andere welstellende zones beter georganiseerd en uitgerust waren.

Zoals tijdens de registratie, zetten vele stemgerechtigden door ondanks alle obstakels. Toen gefrustreerde kiezers de straat op gingen in spontane protestbetogingen, deed de interim-regering toegevingen. De stembureaus bleven langer open dan voorzien en mensen met kieskaarten, die niet op de lokale lijsten stonden, mochten toch stemmen op bepaalde plaatsen. Op het einde van de dag opereerden de verkiezingscentra op een minimaal niveau. Meer dan 60% van de geregistreerde kiezers brachten hun stem uit. Maar we zullen nooit weten hoeveel mensen het opgaven omdat ze het beu waren of naar huist moesten.

Na alle problemen met de registratie- en de kiesverrichtingen, waren de aanhangers van Préval aangenaam verrast dat de Voorlopige Verkiezingsraad hem een ruime voorsprong gaven in zijn eerste mededelingen. Op donderdag 9 februari kondigde de verkiezingsraad aan, dat met 22% van de stemmen geteld, Préval aan de leiding stond met 62%. Manigat volgde met 11%, en Charles Henri Baker, kwam op de derde plaats met 6%. Onofficiële rapporten van de lokale resultaten van internationale en Haïtiaanse waarnemers gaven Préval steevast ruim meer dan 50%. Maar tegen zaterdag had de verkiezingsraad het aantal stemmen voor Préval verminderd tot 49,61% en maandag 13 februari stond het op 48,7% of ongeveer 22.500 stemmen te weinig om de 50% te behalen.

De interim-regering beweerde dat dit het resultaat was van bijkomende informatie en van betere berekeningen. Maar vele vragen bij de telling, gecombineerd met de pogingen om de Lavalas-kiezers buiten spel te zetten tijdens en voor de verkiezingsdag, doen twijfels rijzen bij die bewering. Op dinsdagnamiddag zei Préval over bewijzen te beschikken dat hij met 54% van de stemmen gewonnen had en dat de verkiezingsraad dit cijfer op frauduleuze manier had verminderd.

Kort na die aankondiging zond de Haïtiaanse tv daar bewijzen van uit: duizenden stembrieven, sommige verbrand, de meeste met een stem voor Préval, werden gevonden op een stort nabij Cité Soleil, niet ver van het telcentrum van de verkiezingsraad. De tegenstanders van Préval beweren dat zijn aanhangers de stembrieven daar dumpten als provocatie na de toespraak van hun leider. Maar die theorie verklaart niet waarom getuigen de stembrieven al de dag voor de toespraak hadden zien liggen, noch hoe duizenden stembrieven konden verdwijnen bij de verkiezingsraad.

Een groot aantal lijsten met resultaten van de stembureaus werden niet meegerekend. 254 lijsten werden vernield, naar verluidt door bendes van politieke partijen die tegen Préval gekant zijn. Op 504 lijsten ontbraken naar verluidt de codes om ze officieel te kunnen meetellen. De ontbrekende resultatenlijsten vertegenwoordigen waarschijnlijk ongeveer 190.000 stemmen, of meer dan 9% van het totaal aantal stemmen, en volgens de Verenigde Naties kwamen ze vooral uit arme gebieden, die Préval steunen. Préval had niet eens het overgrote deel van die 190.000 stemmen nodig om de officieel ontbrekende 22.500 stemmen binnen te halen.

De Verkiezingsraad werd in 2004 via een ingewikkeld proces samengesteld en wordt verondersteld de resultaten op te tellen. In feite is het Jacques Bernard, die vorig jaar tot “Uitvoerend directeur” van de raad werd benoemd door de eerste minister – een functie die niet bestaat onder de Haïtiaanse wet -, die de activiteiten van de raad leidt. Een lid van de verkiezingsraad, Pierre Richard Duchemin, beschuldigt Bernard ervan de resultaten te “manipuleren” en “te pogen te voorkomen dat de mensen vragen stellen”. Een ander lid van de raad, Patrick Fequiere, beweert dat Bernard werkt zonder de raad en niet zegt waar zijn informatie vandaan komt. De vredesmissie van de VN moest de deuren van het telcentrum verwijderen om te voorkomen dat Bernard en zijn adviseurs in het geheim zouden werken.

Verkiezingsambtenaren hebben 147.765 stemmen, meer dan 7% van het totaal, als ongeldig verklaard. Ze tellen niet meer voor de berekeningen. Artikel 185 van de verkiezingswet laat de ambtenaren toe stembrieven ongeldig te verklaren als ze “de bedoeling of de politieke wil van de kiezen niet kunnen herkennen”. De stemming was echter ingewikkeld, met 33 kandidaten, en verliep soms in moeilijke omstandigheden bij kaarslicht. Maar 147.765 ongeldige stemmen is verdacht veel, vooral omdat de beslissing een stem ongeldig te verklaren genomen werd door lokale ambtenaren die zorgvuldig werden uitgekozen door een Verkiezingsraad, waarin geen vertegenwoordigers zaten van Prévals Lespwa-partij noch van Lavalas. Zeer strikte criteria (zo mag de X niet buiten het vakje van een kandidaat komen), zelfs neutraal toegepast, treffen vooral arme kiezers; die niet gewoon zijn formulieren in te vullen en dus meer vergissingen begaan.

Een andere groep stemmen, 85.290 of 4,6% van het totaal aantal geldige stemmen, werd als “blanco” geklasseerd. Die stemmen werden tegen Préval geteld omdat zij onder de verkiezingswet behoren tot het totaal aantal geldige stemmen waarop de drempel van 50% wordt berekend. Dit is een potentieel redelijk systeem, maar onredelijk toegepast in Haïti. In principe kunnen de kiezers hun ongenoegen over de kandidaten tonen door voor niemand te stemmen. En dit lijkt redelijk in plaatsen waar stemmen gemakkelijk is. Maar in de praktijk is het systeem onredelijk in Haïti: het is absurd te denken dat 85.000 mensen, van wie velen niet genoeg te eten hebben, hun kinderen, hun velden en ander werk zouden verlaten, uren zouden stappen en wachten in de tropische hitte om gewoonweg te gaan zeggen dat ze niemand van de 33 kandidaten willen. Een meer waarschijnlijke uitleg is dat sommige kiezers in de war geraakten door de gecompliceerde stembrieven en er niets op aanstipten. Ook dit komt vermoedelijk veel meer voor bij arme kiezers die voor Préval stemmen.

De regels voor blanco en ongeldige stemmen werden ook in vorige verkiezingen in Haïti gehanteerd. Op zichzelf kunnen ze dus niet bedrieglijk worden genoemd. Maar ze leidden wel tot een te voorziene en te voorkomen vertekening van de uitslag. Hetzelfde probleem deed zich voor bij elke verkiezing sedert 1990. Dit zou kunnen voorkomen worden door een eenvoudige campagne ter voorlichting van de kiezers, waarbij in de arme wijken zou worden gedemonstreerd hoe stembrieven moeten worden ingevuld.

Er was geld beschikbaar voor zo’n programma. De verkiezingen kostten meer dan 70 miljoen dollar, of meer dan 30 dollar voor elke uitgebrachte stem. En dit geld kwam grotendeels uit het buitenland. De politieke partijen, waarvan vele slechts een fractie van een percent van het electoraat vertegenwoordigen, ontvingen genereuze subsidies. Maar er werden geen echte inspanningen gedaan om het grootste deel van de kiezers te helpen en ze te leren hoe een stembrief in te vullen.

Om de problemen met het tellen van de stemmen op te lossen, zou men de berekeningen openlijk moeten overdoen. De berekeningen zouden moeten worden gecontroleerd aan de hand van de originele resultatenlijsten. Waar op die lijsten de codes ontbreken, zouden de lokale ambtenaren moeten worden opgetrommeld om te bevestigen dat de resultaten correct zijn.

In het geval van materiaal dat verdween op weg naar de Verkiezingsraad, is het mogelijk het resultaat weer samen te stellen via de backup-systemen van de verkiezingswet. Het tellen van de stemmen wordt ter plekke gedaan, na de sluiting van de stembureaus, in elk stembureau. De ambtenaren van het bureau tellen de stemmen in aanwezigheid van waarnemers van politieke partijen. Van het verslag van de resultaten worden ten minste zes kopieën gemaakt. De ambtenaren en de waarnemers ondertekenen alle kopieën als ze akkoord zijn met het rapport. De kopieën worden ruim verspreid: een wordt aangebracht op de deur van het stembureau, en er gaat een kopie naar het Gemeentelijk Verkiezingskantoor, het Departementaal Verkiezingskantoor, de Verkiezingsraad, en naar elk van de waarnemers.

Die kopieën gaan dus van het stembureau in vele richtingen. Het kan gemakkelijk zijn een aantal kopieën te onderscheppen, maar het is bijna onmogelijk de kopieën die in handen zijn van de waarnemers vast te krijgen. Ook is het moeilijk voor een waarnemer om een frauduleuze kopie van verdwenen resultaten voor te leggen, omdat daar verscheidene handtekeningen zouden moeten worden voor vervalst.

Ook de ongeldige stemmen kunnen opnieuw worden bekeken om te zien of ze wel ongeldig werden verklaard volgens de regels. Indien Préval 22.500 van de officieel 147.000 ongeldige stemmen zou kunnen krijgen, dan was hij al over de 50%. Ook de herkomst van de stembrieven die werden gevonden op de vuilnisbelt van Cité Soleil kan worden opgespoord. Alle stembrieven zijn immers genummerd en elk kiesbureau houdt een lijst bij van de nummers op de stembrieven die werden gebruikt en die niet werden gebruikt. Er kan worden nagegaan wie achtereenvolgens de hoede had over de verdwenen stembiljetten.

Dit zijn allemaal wel omslachtige procedures, maar ze zouden controleerbare antwoorden hebben gegeven op de vragen die rezen over de stemmentelling. Eveneens zouden ze een duidelijk antwoord hebben gegeven op de vraag of er een twee ronde zou moeten komen voor Préval. Ze zouden ook een antwoord hebben gegeven op de vraag of de telling gemanipuleerd werd en wie de stembrieven deed verdwijnen naar de vuilnisbelt van Cité Soleil.

Préval gaf zijn recht op een correcte telling op. Waarschijnlijk ging hij ervan uit dat de internationale gemeenschap, die niet reageerde op de problemen bij de verkiezingen en bij de registratie van de kiezers, en maar lauw protest liet horen over de politieke gevangenen, ook niet veel zou doen aan de onregelmatigheden bij de telling van de stemmen. En hij weet ook dat als hem de zege in de eerste ronde kon worden ontstolen, dat ook in de tweede ronde zou kunnen gebeuren.

De onderhandelaars hadden het niet over het corrigeren van de telling. Ze besloten de regels voor het tellen van de blanco stemmen te wijzigen. Ze kenden die stemmen proportioneel toe aan de kandidaten, in overeenstemming met het aantal stemmen dat ze officieel hadden behaald. Zo kreeg Préval 48,7% van de blanco stemmen, Manigat 12% enz, waardoor Préval over de drempel van 50% geraakte. Deze oplossing lijkt redelijk. Ze gaat er, vermoedelijk terecht, van uit dat de blanco stemmen het resultaat zijn van verwarring. Het resultaat is hetzelfde als indien de Verkiezingsraad de blanco stemmen niet zou laten meetellen, of met andere woorden ze zou behandelen als ongeldige stemmen.

Maar wat redelijk is, is niet altijd wettelijk. De tegenstanders van Préval weten dat een regime dat via onderhandelingen aan de macht kan komen ook via dezelfde weg kan worden afgezet. Ze hebben alvast het standpunt ingenomen dat de positie van Préval illegaal is omdat door de deal de regels van het spel tijdens het spel werden veranderd. Ze zullen dat blijven zeggen en zullen al snel de steun krijgen van de “internationale gemeenschap”. In een niet zoverre toekomst zal illegaliteit van de verkiezingen als een “feit” worden aanvaard in de Haïtiaanse en in de internationale pers, in de Verenigde Naties, de Organisatie van Amerikaanse Staten en de internationale financiële instellingen. Het “feit” zal worden ingeroepen om geen geld meer te geven voor scholen en hospitalen en om geld te zenden naar politieke partijen zonder veel electorale steun. Vrij algemeen wordt aanvaard dat Manigat geen kans had om de tweede ronde te winnen, maar dat zal snel worden vergeten of zelfs niet eens geweten zijn eens de volgende aflossing van diplomaten en journalisten in Haïti er is.

De toekomst lijkt al begonnen blijkens een recent editoriaal in de New York Times. Daarin wordt gezegd dat de deal “een smet werpt op de democratische legitimiteit” van Preval’s overwinning. Die smet, aldus de krant, kan worden verwijderd als Préval “de hand reikt aan zijn tegenstanders” (wat betekent dat hij een politiek zou moeten gaan voeren, die door de kiezers verworpen is) en “zijn tot geweld neigende aanhangers intoomt”. Het editoriaal suggereert niet dat de tegenstanders van Préval, van wie vele een sleutelrol speelden in de gewelddadige omverwerping, met duizenden doden, van de Haïtiaanse democratie twee jaar geleden, hun aanhangers zouden moeten intomen. De New York Times schreef ook dat “Haïti nog lange tijd behoefte zal hebben aan internationale steun”. Maar het refereerde daarbij niet aan zijn eigen ophefmakend bericht van 29 februari, waarin te lezen stond dat de Verenigde Staten, naast andere leden van de “internationale gemeenschap”, bewust de in 2004 verkozen regering van Haïti ondermijnden en omverwierpen.

De Times vindt de context van twee weken of twee jaar geleden niet relevant, maar somt wel de zonden van Préval uit zijn eerste ambtsperiode op. En die lijst zullen we de volgende jaren waarschijnlijk wel dikwijls te horen krijgen. De politie “bleef brutaal en corrupt” (volgens alle verslagen werd de politie brutaler en corrupter onder de interim-regering); “er werd geen vooruitgang geboekt bij het uitbouwen van een competente justitie” (onder Préval kende Haïti in 2000 de twee beste vervolgingen voor schendingen van de mensenrechten uit zijn geschiedenis, die op veel bijval mochten rekenen van de Verenigde Naties, van Amnesty International en van onder andere de New York Times; Préval maakte ook de Academie voor Rechters operationeel, die onder de interim-regering weer werd ontmanteld); “de wetgevende verkiezingen kenden ernstige gebreken”; “de drugshandel bloeide”; enz.

De verkiezingen van 7 februari waren de vierde presidentsverkiezingen sedert 1990. De voorgaande drie – in 1990, 1995 en 2000 – verliepen zonder zwaar geweld. De kiezers steunden telkens overtuigend de kandidaat van de politieke beweging Lavalas – geen enkele tegenkandidaat behaalde ooit 16% van de stemmen. Maar telkens wist een minderheid in Haïti, met de steun van de internationale gemeenschap, met succes het mandaat van de verkozene in te dijken. President Jean-Bertrand Aristide, de overwinnaar in de eerste en derde van deze verkiezingen, werd tweemaal door een staatsgreep afgezet en bracht de helft van zijn ambtstermijnen in ballingschap door. President Préval slaagde erin zijn hele termijn uit te doen en de macht over te dragen aan een verkozen opvolger (hij was de eerste Haïtiaanse president om dit te doen). Maar hij kreeg te maken met een gefabriceerde politieke crisis en een voortdurend gebekvecht, die hun doel bereikten: de crisis leidde de aandacht en de energie van president Préval af van de economische en sociale ontwikkelingspolitiek, die hij had moet voeren.

De politiek van Haïti is geen salonspel. Elke staatsgreep kost duizenden mensen het leven. Nog veel meer komen er om door ziekten die zouden kunnen worden voorkomen of behandeld door de programma’s van een minder belaagde regering. De levensverwachting voor mannen in Haïti is tot onder de 50 jaar gezakt. Het is tijd dat de “internationale gemeenschap” ermee ophoudt Haïti te veroordelen tot herhaling van deze schandalig onrechtvaardige geschiedenis.

(Uitpers, nr. 73, 7de jg., maart 2006)

Brian Concannon Jr. Esquire, leidt het Institute for Justice & Democracy in Haïti en was waarnemer voor de Organisatie van Amerikaanse Staten bij verscheidene verkiezingen in Haïti. Zie: www.ijdh.org

Eerdere stukken over Haïti in Uitpers:

Guido De Schrijver. Het verborgen verhaal van Haïti (Uitpers nr. 53, mei 2004)

Lode Vanoost. Een vergeten drama: Haïti, de gruwelijke mishandeling van een volk passeert onopgemerkt onder de mediaradar (Uitpers nr. 59, december 2004)

Visited 7 Times, 2 Visits today

Tags :