Verhalen van een componerend schrijver

Een nieuw boek van Westerman lezen is voor mij al jaren een feestje. Ik loop even langs de rekken van mijn bibliotheek en onder de ‘w’ vind ik zestien titels, inclusief dit laatste werk. Daarmee bedoel ik niet dat Westerman een veelschrijver zou zijn – een stilist zoals hij kan dat per definitie niet zijn – het zegt eerder iets over mij als gefascineerde veellezer. Wanneer een auteur mij bevalt lees ik alles van hem/haar. Kapuscinski behoort daar ook toe en dat zal wel niet toevallig zijn want in deze nieuwe bundel verhalen bekent Westerman dat hij ‘in de (kleine) schoenen van Maestro Kapu’ loopt.

Een indrukwekkend oeuvre

 Als schrijver is Frank Westerman een laatbloeier. In 1994, op zijn dertigste, debuteerde hij  – Westerman was toen een de Volkskrant correspondent in Belgrado – met ‘De brug over de Tara’, het relaas van zijn reis langs de frontlinies van ex-Joegoslavië. Oost-Europa. Dat was een geografische en professionele carrièreswitch voor de Wageningse landbouwingenieur die in de Altiplano van Peru als stagiair mee waterwerken had helpen ontwerpen. In de plaats van dammen aanleggen in Latijns-Amerika belandde hij echter in de journalistiek onder meer als verslaggever van NRC Handelsblad en zo kwam hij terecht in vele internationale brandhaarden in Oost-Europa en verder. Samen met collega-journalist Bart Rijs wist hij als enige journalist door te dringen tot Srebrenica ten tijde van de val in 1995. Zij schreven daarover het boek ‘Het Zwartste Scenario’ waarbij ze geheime VN-documenten en interviews met ooggetuigen gebruikten om de oorlogsjaren van Srebrenica te reconstrueren. Tussen 1997 en 2002 was Westerman correspondent voor NRC Handelsblad in Moskou. Daar rondde hij zijn derde non-fictieboek af, ‘De Graanrepubliek’, dat in 1999 verscheen. ‘De Graanrepubliek’ laat zien hoe het Nederlandse landschap in de afgelopen honderd jaar veranderd is, en wat de gevolgen daarvan zijn geweest voor mens en natuur. Het is een thema dat  in vrijwel al zijn schrifturen aanwezig is. Westerman volgt in dat boek vooral de levensgeschiedenis van Sicco Mansholt, nazaat van rijke herenboeren die zijn grootschalige landbouwpolitiek tot diep in Europa zal laten doordringen – tot hij later, maar te laat, zelf van zijn geloof valt en de ecologische landbouw zal propageren.

Westerman wisselt van standplaats en na vier jaar correspondentschap in Moskou schrijft hij ‘Ingenieurs van de Ziel’(2002), een boek over de megalomane waterbouwprojecten van Jozef Stalin en de socialistisch-realistische romans die hierover geschreven werden. Met dat boek dat herhaaldelijk in de prijzen viel, vestigde de journalist zijn naam als schrijver. De grote doorbraak kwam er met ‘El Negro en ik’ (2004), een fascinerende reisreportage over ras, cultuur en identiteit waarvoor hij een flink stuk van de aardbol afreist. Dit boek werd bekroond met de Gouden Uil literatuurprijs 2005, shortlist-nominatie AKO Literatuurprijs 2005 en nominatie voor de Bob den Uylprijs 2005.

Na ‘Ararat’ (2007) dat zich afspeelt op het breukvlak van godsdienst en wetenschap, mythologie en geologie verschenen er prompt Duitse, Spaanse en Engelse, Franse, Poolse, Italiaanse en Kroatische uitgaven. In ‘Dier, bovendier’ dat in 2010 verschijnt, balanceerde Westerman weer op het snijvlak van verschillende disciplines: geschiedenis, paardenfokkerij, etologie, eugenetica, epigenetica, darwinisme, nazisme, stalinisme en – natuurlijk – journalistiek. Een mysterieuze ramp in Kameroen waarbij zeker 1200 mensen het leven lieten. Dat is dan weer het uitgangspunt van ‘Stikvallei’ uit 2013 en het werd voor hem een ideale kapstok om op zoek te gaan naar de geboorte van verhalen en hoe die terugslaan op de werkelijkheid waar ze uit voortkomen. In ‘Een woord een woord’ uit 2016 probeert Westerman op zijn geëigende manier het fenomeen ‘terreur’ en ‘radicalisering’ te benaderen. Actueler kan haast niet. Wat kan een redenaar uitrichten tegen een moordenaar? Kunnen woorden opgewassen zijn tegen kogels? En welke woorden dan wel? Of nog anders geformuleerd: als taal en terreur het duel met elkaar aangaan, welke van die twee legt het dan af? In ‘Wij, de mens’ uit 2018 neemt Westerman de lezer dan weer mee op een filosofische wereldreis – van de Maasvallei tot op de vulkaanhellingen van Indonesië. De inzet is hoog. Want als wij de overtreffende trap van het dier zijn, waarin schuilt dan het onderscheid? Dat vraagt hij zich af. In ‘De kosmische komedie’ (2021) komt Westerman met alweer andere, grote vragen voor de dag Wat was er ‘in den beginne’? Richten we ons daarvoor naar God of naar de oerknal, naar dat ‘schitterend ongeluk’ waaruit het leven is voortgekomen? Waarom willen we de kosmos bevaren? Uit een gevoel van leegte? Een gemis? Wat denken we op de maan of op Mars te vinden dat we op aarde niet hebben?

In die reeks van zestien zijn er nog drie verzamelbundels van verhalen waarin zijn werk van iets kortere adem bij elkaar wordt gebracht: ‘In het land van de ja-knikkers. Verhalen uit de polder (2017), ‘De wereld volgens Darp. De nagalm van de Koude Oorlog sinds de val van de muur (2019) en dan nu ‘Te waar om mooi te zijn’.

Non-fictie?

‘Te waar om mooi te zijn’ bundelt veertien verhalen waarvan een aantal al links en rechts te lezen waren, maar er werd ook nieuw werk opgenomen. In het titelverhaal ‘Te waar om mooi te zijn’ geeft Westerman uitdrukking aan zijn schrijverscredo en daarvoor gaat hij een polemiek aan met Gerard Reve die vindt dat een schrijver die naam waardig per definitie met fictie bezig moet zijn. De realiteit, meende Gerard Reve, is simpelweg ongeloofwaardig. Te mooi om waar te zijn. Westerman draait die uitspraak liever om: ‘veel zaken zijn te waar om mooi te zijn’. ‘Ik wil niet dat mijn reportages op drift raken en afdrijven. Daarom veranker ik ze in de werkelijkheid,’ schrijft hij als verdediger van het waargebeurde verhaal dat volgens hem nogal eens denigrerend ‘non-fictie’ wordt genoemd. Dat vindt hij maar niets: ‘Ik wil geen label op mijn werk dat zegt wat het niet is. Stel, ik sta op de markt met meloenen, dan prijs ik mijn waar toch niet aan met: Geen bananen!’ Daarom verwijst de veel vertaalde Westerman naar de Poolse vertalingen van zijn werk dat, naar het voorbeeld van Ryszard Kapuscinski en Hanna Krall die de reportage als kunstvorm hebben verheven, het label literatura faktu, literatuur van de feiten’ krijgen opgeplakt. Die discussie is intussen door de feiten achterhaald, wat onder meer is gebleken door het toekennen in 2015 van de Nobelprijs literatuur aan de wit-Russische auteur en onderzoeksjournalist  Svetlana Alexijevitsj.  In ‘In de schoenen van Maestro Kapu’ gaat Westerman verder in op die ‘literatuur van de feiten’ zoals ze door Ryszard Kapuscinski op zijn eigen literaire manier werd bedreven waarbij zijn biograaaf Arthur Domoslavski vraagtekens plaatste die door Westerman sterk gerelativeerd werden. Hij krijgt daarvoor steun van Salman Rushdie die schrijft dat Kapuscinski met zijn  reportages bereikt wat alleen kunst vermag: ‘dat wil zeggen het zet onze verbeelding in vuur en vlam’.

Ik ijsbeer, jij ijsbeert, wij hebben geijsbeerd…

Deze verzamelbundel gaat niet alleen over kunst, maar, zoals te verwachten, ook in grote mate over de mens en de natuur. Een van de ‘reportages’ bracht Westerman vorig jaar naar Longyearbyen op Spitsbergen. Daar, op de meest noordelijk gelegen camping ter wereld, werd in augustus 2020 de Nederlandse kampeerder Job Kootte in zijn tentje gedood door een ijsbeer. Niet veel later leefde ook ijsbeer Snow niet meer – doodgeschoten, niet ver van de camping. Westerman wilde voor zijn boek op Spitsbergen de dood van de man en die van de ijsbeer reconstrueren. Wat was er op die onzalige zomerdag precies gebeurd? En wat bezielde de ijsbeer? Normaliter wandelen die geen camping op, en gaan ze al helemaal niet kijken wie er in die tentjes slaapt. Samen met zijn dochter trekt hij naar Spitsbergen om het verhaal achter het verhaal in beeld te krijgen. Het perspectief dat hij zoekt is niet de tragedie van die doodgebeten Nederlander, maar die andere tragedie van de ijsbeer Snow die doodgeschoten wordt omdat hij als zijn soortgenoten uit zijn natuurlijke omgeving verdreven is geworden. Gaat het over Spitsbergen, dat geen oorspronkelijke bewoners kent, dan kun je je met recht afvragen: wie dringt er wiens leefgebied binnen? Hoe ervaart dit dier het smelten van zijn wereld, nu wij de temperatuur op aarde opvoeren? Westerman probeert de natuur niet door een mensenbril te zien en er niet voetstoots van uit gaan dat een boomschurende beer jeuk heeft. Onder het lemma ‘ijsberen’ vermeldt de Dikke van Dale ‘rusteloos (in een vertrek) heen en weer lopen’. Westerman schrijft: ‘Eigenlijk zou ik alle talen dit werkwoord gunnen. Ik ijsbeer, jij ijsbeert, wij hebben geijsbeerd’, maar hij voegt eraan toe: Als homo sapiens niet was overgegaan tot het kooien van andere soorten, zou niemand – in geen enkele taal – dit schitterende woord hebben bedacht’.  (p.80)

Frank Westerman gebruikt geen wetenschappelijke taal en geen wetenschappelijke gegevens om over de klimaatverandering te schrijven. Dat doet glacioloog Peter Kuipers Munneke in ‘Alles smelt’ wel – en dan wel zeer gedetailleerd – wanneer hij het in zijn boek over Groenland heeft. Hij schrijft daarin dat het eiland sinds de eeuwwisseling netto gemiddeld rond de 280 gigaton ijs per jaar verliest. Dat is intussen ongeveer vijf biljoen ton water van het eiland dat in zee stroomt en dat geeft 1,3 centimeter zeespiegelstijging wereldwijd, van de kust van New York tot op het strand van Katwijk. Zeggen die cijfers (280 gigaton of 2.800.000.000.000 ton ijs!) meer dan zijn onrechtstreekse benadering van het probleem? Wat maakt het meeste effect: platgeslagen worden door cijfers of door een Westerman die in de huid van een ijsbeer probeert te kruipen om een tragedie bloot te leggen?

 De componist in Westerman

Die onrechtstreekse benadering om de klimaatverandering en om de vaak nefaste rol die de mens daarin speelt onder de aandacht te brengen is ook sterk aanwezig in het langere verhaal ‘De zalm die lacht’. Zoals steeds is hij als ik-figuur aanwezig, nu weerd in de hoedanigheid van ingenieur die opgeleid werd om water tegen te houden of om woestijnen tot bloei te brengen. Nederlandser kan haast niet. Maar is dat wel zo goed? Dat is de vraagstelling waarmee hij worstelt wanneer hij kijkt naar La Roche-qui-boit in het Franse Ducey waar Duitse krijgsgevangenen na afloop van de Eerste Wereldoorlog een barrage maakte van het riviertje Sélune. Daar ontstond le petit lac dat een buffer vormt tegen overstromingen. Goed idee maar niet voor de zalm. De wand is te steil en te hoog en een vistrap is er niet. Ook nu weer duikt hij in dat andere perspectief, dat van de natuur, die hij als landbouwingenieur hielp beheersen, maar waarop hij later is teruggekomen. Hij was ooit, zoals hij zichzelf noemde ‘een dompteur  van de natuur’. Dat was het geval toen hij als landbouwstudent in het Tunesische droge Sidi Bouzid mee hielp aan het ‘wateroogsten’, aan het omgaan met schaars water. Dat was toen een nietszeggend stadje waar ene Mohammed Bouazizi werd geboren. Hij probeerde later te overleven door meloenen te verkopen waarvan wij zagen hoe moeizaam ze groeiden. Dertig jaar later, in 2011, nam de politie zijn weegschaal in beslag. Daarna stak hij zichzelf in brand en barstte de Jasmijnrevolutie los, het begin van de Arabische Lente.

Die onverwachte verwijzingen naar het heden brengen Westermans verhaal niet uit evenwicht. Ook niet wanneer hij begint te mijmeren over zijn verblijf aan het Titicacameer in Peru waar hij als ontwikkelingswerker op de vlucht moest voor het ‘Lichtend Pad’ of wanneer hij in een volgende alinea verwijst naar het werk van de Franse filosoof Bruno Latour die het heeft over de emancipatie van ‘niet-mensen’, van oceanen, rivieren, bergen en bossen. Waarom niet meer geluisterd naar de stem van de rivier, de kraanvogel en… de zalm? En hij besluit: ‘Misschien hebben ze gelijk, de jonge klimaatridders. Misschien hebben we, heb ik, genie rural, te lang geluisterd naar de noden en verlangen van ménsen.’ (p. 252)

 ‘De zalm die lacht’ is de titel van zijn verhaal. Maar met wie lacht die ‘niet-mens?’ Dat zegt Westerman niet uitdrukkelijk maar dat maakt het verhaal wel duidelijk. Die boodschap wordt goed verpakt en via verschillende verhaallijnen bij elkaar gebracht, want, ja, Westerman schrijft als een componist die verschillende klanken van zijn (taal)register bij elkaar weet te brengen, – hij aarzelt ook niet om de lezer soms op een schijnbaar dwaalspoor te brengen – maar die er uiteindelijk toch altijd in slaagt variaties op dezelfde melodie op te roepen.

Frank Westerman: een componist die schrijft of een schrijver die componeert.

 

 

 

Te waar om mooi te zijn, over kunst, de mens en de natuur
Frank Westerman
Querido Fosfor, Amsterdam/Antwerpen
2022
309 blz
9789021437064

Visited 302 Times, 2 Visits today

Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken