Vergeten verhalen van verre kusten

Lucas CATHERINE: Verre kusten van verlangen – curieuze reizen, Epo, 152 blz., 17 euro

Iedere nieuwe uitgave van een boek van Lucas Catherine maakt me nieuwsgierig. Deze Schaarbeekse auteur heeft een bijzondere interesse voor onze recente vaderlandse geschiedenis, met bijzondere aandacht voor koning-kolonist Leopold II en de uitspattingen van onze landgenoten in onze oud-kolonie Kongo.

Ook snuffelt hij graag in de rijke geschiedenis van de Islam, al is het maar om wat tegengas te geven tegen zowel de enge interpretaties door de moslimintegristen van hun godsdienst, als tegen het terroristenbeeld dat onze media met veel zin voor pathos en verkoopcijfers schilderen. Je hoeft niet altijd akkoord te zijn met de besluiten en bedenkingen van Catherine – als lezer van zelfs gerenommeerde auteurs en denkers mag je nooit je kritische zin op nul zetten – maar wat hij vertelt is interessant. Voeg daarbij dat in de geschriften van Catherine een beeld van een levensgenieter naar voren komt – iets wat naadloos aansluit bij het door ons beleden Bourgondisch – of zo U wil Breugheliaans – socialisme – en U begrijpt onze interesse in zijn werk.

‘Verre kusten van verlangen’ stelde ons niet teleur in onze verwachtingen. Het is weer een Catherine op z’n best, met de nodige zin voor zelfrelativering en zelfs enige zelfspot.

De verre kusten van Catherine liggen in dit boek trouwens niet zo ver. Hij opent met een beschrijving van z’n jeugd, een aaneenschakeling van leuke anekdotes. Omdat hij een aantal dialecttermen in fonetische vorm neerschrijft, krijgt zijn oer-Vlaams verhaal zelfs iets exotisch. Wie de rand van Brussel niet kent, zal wellicht even moeten nadenken voor hij de geboortestreek van Catherine weet te situeren.

De heroïek van ontdekkingsreizen?

Bijzonder leuk – en ook ontluisterend voor de heroïsche verhalen van onze grote ontdekkingsreizigers – is het hoofdstukje ‘dan maar de Nijl op’. Het is het verhaal van de schatrijke dames Tine, die uit pure verveling naar Egypte trokken en daar op eigen kracht, gebruikmakend van wat er was als lokaal transport en verbindingen op hun gemak tot bijna de bronnen van de Nijl reisden en daar een huis bouwden. Dit exploot leverden deze twee vertegenwoordigers van het zgn. ‘zwakke geslacht’ in een tijd (tweede helft negentiende eeuw) dat hier te lande nagelbijtend de ontdekkingsverhalen van Stanley en Livingstone werden gevolgd. Nochtans is het relaas dat Catherine uit de geschriften van beide dames haalt, geen verhaal van ontberingen en geweld. Goh ja, je leest wel eens een regel over de dreiging die uitgaat van bepaalde stammen, en de proviandering wilde ook wel eens haperen. Maar de dames moesten zich zeker niet schietend een weg banen door onherbergzame rimboe, belaagd door giftige of hongerige beesten, of wrede inboorlingen. Wie zoiets zoekt, blijft op z’n honger. Dat één van de dames haar einde vindt tijdens een roofoverval, doet geen afbreuk aan het zeer relativerende van dit verhaal, of vallen hier te lande misschien nooit doden bij criminele feiten.

‘Het beeld van twee tortelduiven zegt me niks’, is het verhaal van Jerome Becker, iemand die eind vorige eeuw via Oost-Afrika naar putje Afrika trok. Hierbij kon in grote mate beroep gedaan worden op een reeds door de Arabieren uitgebouwde netwerk. Arabieren die zich in eerste instantie zelfs zeer welwillend opstelden tegenover de Belgen, als geboren commercanten zagen zij wellicht nieuwe mogelijkheden in de interesse van Europeanen in Afrikaanse producten, zoals bijvoorbeeld ivoor. Hoewel Leopold blijkbaar een populaire figuur is bij de Arabische regenten, is het maar pover gesteld met de reputatie van onze producten. De vermaarde geweren van Herstal worden daar verkocht als zijnde van Engels fabrikaat. En de Arabieren zijn er ook niet over te spreken dat Europa zich tegen de slavernij kant. Als je hun betoog leest, zijn de Afrikanen beter af zo. Het typisch discours van paternalistische heersers, zoals we tot op vandaag nog wel durven horen van leden van het patronaat die menen beter te weten wat goed is voor hun werkvolk, dan het werkvolk zelf. Catherine levert (helaas?) geen kritiek op het flatterend beeld van de slavernij uit Arabische mond, maar heeft wel aandacht voor de internationale context, met Belgische, maar ook Engelse, Europese en Ottomaanse belangen. Afrika was duidelijk al wel ‘ontdekt’, ver voor onze vermaarde Stanley nog maar werd geboren.

Boertige koning

Niet bepaald flatterend voor onze monarchie is het verhaal van het bezoek van de jonge Leopold II aan Istanboel. In 1860 was het Ottomaanse rijk een wereldrijk, zij het één op lemen voeten. Het bezoek van Leopold was niet zomaar een vriendschapsbezoek – gebeten door de koloniale microbe wilde Leopold de mogelijkheid onderzoeken of er met of ondanks de hulp van de sultan geen vette brokken in te pikken waren. Hij kreeg een gul onthaal, maar bleek een ondankbare gast. Hoewel vanuit zakelijk oogpunt zijn bezoek een succes was – hij kreeg interessante toezeggingen, o.m. voor bestellingen voor onze belangrijke spoorindustrie – ontpopte hij zich als een boer, een man die z’n wereld niet kende. Schijnbaar argeloos vroeg hij de sultan enkele kostbare zaken ten geschenke, iets wat de sultan volgens de plichten van de Arabische gastvrijheid niet kon weigeren. Hoe de Belgische diplomatie dit incident oploste, is een hilarisch, maar niet flatterend verhaal.

‘Een vriend van Bacchus en Venus’ illustreert dat de belangstelling vanuit onze contreien voor de Congolose gebieden al stamt van tijden ver voor de Belgische onafhankelijkheid. Pieter Van den Broeck vaarde al begin zeventiende eeuw naar de monding van de Kongo om handel te drijven, en nogal gastvrij ontvangen te worden door de lokale potentaten. Van den Broeck was zo gecharmeerd door z’n eerste onthaal, en waarschijnlijk ook door de winst die deze exotische reis hem opgebracht had, dat hij nog enkele reizen ondernam naar de monding van de Kongo. Catherine citeert veel en gretig uit zijn beschrijving van het land en z’n volkeren. De naam Van den Broeck vind je niet of nauwelijks terug in onze boeken ‘Vaderlandse geschiedenis’. Misschien omdat Van Den Broeck vooral de Hollanders gediend heeft, en mee gemaakt heeft dat koffie als drank onze streken veroverde. Diezelfde Hollanders waren nog concurrenten van Leopold II toen die zijn ogen liet vallen op de rijkdom van de Congo. Wellicht daarom dat Van den Broeck nooit door zijn eigen land omwille van z’n verdiensten is erkend geworden.

Het laatste verhaal in deze bundel neemt ons niet zo ver mee terug in de tijd. Het gaat over de belevenissen van Yvonne Sterck in het Midden-Oosten. Haar liefde voor poëzie bracht haar in contact met de emir van Sharja, een kleine staat die omwille van imperiale belangen in de handen van de sjah van Iran viel. De emir vond gastvrijheid in het Cairo van Nasser, waar Yvonne Sterk hem een bezoek bracht. Dat bracht haar meteen in contact met de Palestijnen, waar zij de kant koos van het Democratisch Front, een Palestijnse beweging die ijverde voor een eengemaakt Palestina, met persoonsgebonden en religieuze rechten voor de Joden. Later nog werd zij secretaresse van Druzenleider Jumblatt, tot deze in het door burgeroorlog geteisterde Beiroet vermoord werd. Nu leeft de bejaarde Yvonne weer midden de heide van haar jeugdjaren.

Het mag duidelijk zijn, ‘Verre kusten van Verlangen’ brengt interessante en vergeten verhalen, vooral over een Europa dat op het punt staat Afrika te koloniseren. Het is een welkome aanvulling op het beeld dat wij te vaak van Afrika hebben, nl. van een continent dat pas begint te bestaan als de blanke man begint met de ontginning ervan. Maar ook Afrika had zijn vaak grote vorstendommen en feodale verhoudingen. Gesteund door een snelle wetenschappelijke en industriële ontwikkeling onderwierp Europa de rest van de wereld, en verpakte zijn economische honger als een missie om de beschaving te verspreiden. De verhalen die Catherine opdiept, zijn alleszins nuttig om dit zogezegde missioneringverhaal van de nodige kanttekeningen te voorzien.

(Uitpers, nr. 71, 7de jg., januari 2006)

Bron: Aktief, ledenblad van het Masereelfonds, nr.4, jaargang 2005