Verdreven Palestijnen

Naeeda Aurangzeb, Ronald de Hommel (fotografie), Evert-Jan Grit (redactie), ‘Verdreven Palestijnen’, Kit Publishers, Pax Christi Nederland, Amsterdam, 2005, 96 blz., 16,50 euro, ISBN 90-6832-589-2.

‘Naqba’ – catastrofe, zo noemen de Palestijnen de ‘gebeurtenissen’ van 1948. De militaire overwinning van de zionistische milities en de eenzijdige uitroeping van de staat Israël door David Ben Goerion veegde hun land van de wereldkaart. De meerderheid van de Palestijnen (meer dan 80% van de bevolking) werd manu militari verdreven. De Tweede Wereldoorlog was nog maar drie jaar eerder beëindigd. Maar Palestina zou snel het eerste geval van etnische zuivering worden. De gevolgen zijn bijna zestig jaar later nog steeds pijnlijk aanwezig in het dagelijkse leven van de meerderheid van de Palestijnen: in de staat Israël zelf, in de bezette Palestijnse gebieden en in de Palestijnse vluchtelingenkampen in Jordanië, Libanon en Syrië.

In het Nederlands bestaat er relatief weinig literatuur over de Palestijnse vluchtelingen. Dat is vreemd, want het beeld dat de publieke opinie zich vormt over een volk of over een land, hangt in de eerste plaats af van het feit of er wel iets bekend is over dit volk of land. De meerderheid van de Palestijnen blijft nog steeds netjes buiten beeld. Slechts weinigen onder ons realiseren zich dat honderdduizenden Palestijnen sinds 1948 in ellendige omstandigheden leven, vaak op een boogscheut van het dorp waaruit hun grootouders en ouders zijn verdreven. Wie bijvoorbeeld Jeruzalem verlaat, richting Ramallah, staat na iets meer dan tien kilometer in het Palestijnse vluchtelingenkamp, Am’ari. In 1948 was dit een tentenkamp in de olijfgaard van een Palestijnse boer en boerin. De meeste vluchtelingen kwamen uit dorpen uit de directe omgeving en ze waren er vast van overtuigd dat hun exodus hoogstens een kwestie van dagen of weken zou zijn. Begin de jaren negentig was ik in Rashidiyyeh, het meest zuidelijk gelegen vluchtelingenkamp in Libanon. Een stokoude Palestijn nam me mee op het dak van zijn vluchtelingenhuisje. Met het blote oog konden we het dorp zien in Israël, waaruit hij in 1948 met zijn gezin en buren was verdreven. In 1987 – de eerste Intifada was tien dagen eerder losgebarsten – reed ik in de vroege ochtend vanuit Gaza met een groep Palestijnse dagloners mee, die in Israël in de bouwsector werkten. Eén van de bouwvakkers maakte mij er een kwartier na ons vertrek uit Gaza attent op dat we voorbij het ouderlijke huis van zijn vader reden. Het was bewoond door een joodse Israëlische familie. Het spreekt vanzelf dat er bij de overdracht van deze eigendom geen notaris aan te pas was gekomen.

Pax Christi Nederland heeft zo pas een bijzonder fraai uitgegeven en uiterst leesbaar boek uitgebracht: ‘Verdreven Palestijnen’. Het is een verzameling van elf korte essays van Palestijnse, Israëlische en Nederlandse auteurs over het vluchtelingenvraagstuk. De teksten zijn niet langer dan een hoofdartikel in een krant : kort en krachtig.

Naeeda Aurangzeb, die een tijd lang als journaliste en presentatrice voor de Nederlandse Moslimomroep (NMO) werkte en in Israël/Palestina Arabisch studeerde, trok samen met fotograaf Ronald de Hommel naar de Palestijnse vluchtelingenkampen. Dat levert een vijfentwintigtal korte, maar vaak erg ontroerende getuigenissen op van Palestijnen, die de ‘Naqba’ hebben meegemaakt, van hun kinderen en kleinkinderen, die vandaag in Syrië, Libanon, Jordanië, de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en in Israël zelf nog steeds een heel onzeker bestaan leiden. Vooral de Palestijnse vluchtelingen in Libanon en in de Palestijnse gebieden, waar de willekeur van het Israëlische leger wet is, hebben het hard te verduren. Jonge en oude Palestijnen, mannen, jongens, vrouwen en meisjes vertellen hun verhaal van hoop, maar vooral wanhoop.

Leven van de bijstand

Eén van de korte essays is van de hand van de Nederlander Lex Takkenberg. Sinds 1989 heeft hij diverse functies bekleed binnen het UNRWA, het in 1950 opgerichte United Nations Relief and Works Agency, de bijzondere VN-organisatie voor de opvang van de Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten. Vandaag is Takkenberg directeur van het UNRWA in Syrië. Hij schrijft: “Palestijnse vluchtelingen verkeren in een uitzonderingspositie in vergelijking met andere groepen vluchtelingen. Deze laatsten vallen onder het mandaat van het vluchtelingenverdrag uit 1950 en het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR), dat uitdrukkelijk verantwoordelijk is en zorg dient te dragen voor de bescherming van de vluchtelingen, in tegenstelling tot UNRWA, dat slechts een beperkt humanitair mandaat heeft. UNWRA bestuurt dus niet de kampen waar het actief is en is niet verantwoordelijk voor de veiligheid van de vluchtelingen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de landen waar de kampen zich bevinden.”

Lex Takkenberg stelt dat zijn organisatie doorgaans tot een vrij goede coördinatie komt met de gastlanden. “De relatie met Israël is echter gecompliceerd: aan de ene kant heeft UNRWA na de oorlog van 1967 zijn hulpverlening in de bezette gebieden voortgezet op uitdrukkelijk verzoek van Israël, aan de andere kant zijn er veel praktische problemen bij de hulpverlening en gedurende de Intifada is zelfs een aantal medewerkers gedood en zijn er verschillende gebouwen, scholen en distributiecentra beschoten.”

Takkenberg stelt de niet onbelangrijke vraag “hoe gezond het is dat een groeiend aantal mensen nu al meer dan vijftig jaar verstoken blijft van een toekomstperspectief en afhankelijk blijft van de generositeit van de internationale gemeenschap?” Vooral in Libanon, waar de Palestijnse vluchtelingen in de zwartste miserie leven, en in de bezette Palestijnse gebieden (waarbij voor de Gazastrook sinds kort “omsingeld Palestijns gebied” de correcte term is) zijn de noden het hoogst. UNRWA is afhankelijk van de steun van donorlanden en die laten het steeds meer afweten. Cynisch genoeg is dit een gevolg van het ‘vredesproces’. Internationale donoren spendeerden op de eerste plaats aan de Palestijnse Autoriteit en schroefden hun bijdrage aan UNRWA terug. Een deel van de internationale fondsen, die bij de Palestijnse Autoriteit zijn terechtgekomen, werd opgemaakt door een corrupte bureaucratie. Een ander deel werd geïnvesteerd in broodnodige infrastructuur, die inmiddels door de troepen van generaal Ariel Sharon grondig is verwoest. Lex Takkenberg citeert ontstellende cijfers. UNRWA staat in voor vier miljoen geregistreerde Palestijnse vluchtelingen. “In 1975 werd er per geregistreerde vluchteling jaarlijks 200 dollar uitgegeven, tegenover 75 dollar in 2005″…

Verdreven… en vergeten

Verscheidene Palestijnse auteurs wijzen erop hoe het ‘vredesproces’ dat in 1993 tot de inmiddels ten grave gedragen akkoorden van Oslo leidde, de meerderheid van de Palestijnen (de vluchtelingen) genadeloos in de kou zette. Karma Nabulsi, voormalig PLO-vertegenwoordigster in Beiroet, Tunis en het Verenigd Koninkrijk en vandaag docente aan de universiteit van Oxford, beschrijft hoe de PLO tot 1993 echt de vertegenwoordiger was van alle Palestijnen. Het Osloproces heeft hierin grondig verandering gebracht. De PLO is versplinterd, verzwakt, nagenoeg onbestaande. De Palestijnse Autoriteit wordt slechts in beperkte mate geduld in de internationale politieke arena en is alleen verantwoordelijk voor de Palestijnen in de bezette gebieden. Nabulsi komt tot een wrange conclusie: “met de vluchtelingen wordt geen rekening gehouden in de vorming van een nationaal Palestijns beleid, zoals hun recht is.” Het is een pijnlijke vaststelling: de Palestijnse leiders, waarvoor af en toe nog wel eens de rode loper wordt uitgerold in Washington of elders (zij het steeds minder), hebben nauwelijks oog voor de meerderheid van hun volk.

Voor de Palestijnse mensenrechtenactivist Fateh Azzam is het vluchtelingenvraagstuk op de eerste plaats een kwestie van rechten, van mensenrechten. Het Palestijnse recht op terugkeer is sinds 1948 door de VN erkend (de beruchte resolutie 194). De Palestijnen hebben al sinds 1948 “het recht aan hun kant”, merkt ook Ingrid Jaradat op. Zij is directrice van de Palestijnse vluchtelingenorganisatie BADIL. De Palestijnen weten echter uit bittere ervaring dat voor de staat Israël VN-teksten van geen tel zijn. Het is de enige staat in de wereld, die VN-resoluties straffeloos naast zich neer kan leggen. Fateh Azzam wil dat de Palestijnse vluchtelingen hun stem in het kapittel opeisen. “Vluchtelingen zijn geen onbekwame minderjarigen of pionnen in een spel. Zij moeten iets in te brengen hebben over hun toekomst. Door de beperkingen op de uitoefening van hun recht op vereniging, werk, onderwijs, gezondheidszorg en andere fundamentele mensenrechten op te heffen, kan een economisch levensvatbare en gezonde vluchtelingengemeenschap ontstaan, die de financiële druk op UNRWA en de gastlanden vermindert. Dit zou hen tevens in staat stellen om onafhankelijk en op een waardige manier voor zichzelf te zorgen, behoudens hun eis tot terugkeer. Een goed geschoolde gemeenschap kan haar belangen en het recht op terugkeer beter verdedigen.”

Vragen zonder antwoorden

Twee van de elf essays in ‘Verdwenen Palestijnen’ zijn getekend door Israëlische auteurs. Amira Hass is één van de zeldzame Israëlische journalisten, die niet over de Palestijnen schrijft, maar ze zelf aan het woord laat en uiteindelijk besliste om samen met hen in Ramallah onder Israëlische bezetting te gaan leven. Meron Benvenisti is historicus en voormalig burgemeester van Jeruzalem. Hij speelt al jarenlang een sleutelrol in de Israëlische mensenrechtenbeweging. In zijn korte bijdrage ‘Gewijd landschap’ haalt hij de herinnering op aan “de eerste keer dat de tragedie van de Palestijnen door mijn zionistisch schild drong”. In 1953 moest hij voor zijn werk een waterbron inspecteren in het dorpje Rana. “Ik vroeg me af waar de dorpelingen waren?” Vijftien jaar later kreeg hij een antwoord op deze vraag. Na de oorlog van 1967 bezocht hij een vluchtelingenkamp op de pas bezette Westelijke Jordaanoever en daar vond hij inwoners van Rana terug. Benvenisti stelt vragen waarop slechts weinige Israëliërs wensen te antwoorden. “Hebben wij geen verantwoordelijkheid, alleen omdat we als overwinnaars uit de strijd gekomen zijn? Wat hebben we gedaan met de overwonnen vijand? Hebben we een gevecht om te overleven getransformeerd in een etnische zuivering omdat we hun land wilden plunderen?”

Een ondubbelzinnig, niet ontwijkend antwoord op deze vragen zou een oplossing van het Palestijnse vluchtelingenvraagstukken met reuzenschreden doen opschieten…

Welke oplossing?

Naseer Aruri is een Palestijnse vluchteling in de Verenigde Staten, waar hij rector magnificus is aan de Universiteit van Massachusetts. Hij geeft aan dat een oplossing voor het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk allicht niet voor morgen is. Hij doet niettemin een aantal pertinente en hoopvolle vaststellingen. “Het ‘vredesproces’ kan onbedoeld een bijdrage hebben geleverd aan de stichting uiteindelijk van één enkele (binationale) staat in het Palestina van vóór 1948. De inschikkelijkheid van de VS ten aanzien van het nederzettingenbeleid en voortsluipende annexatie door Israël, onder het mom van decennialange zogenaamde diplomatie, heeft een verlammende uitwerking gehad op de twee-statenoplossing.” Voor Naseer Aruri “is sinds begin 2000 het beoogde twee-statenakkoord definitief van tafel”. “Ironisch genoeg zou deze realiteit de basis kunnen vormen voor een gezamenlijke Israëlisch Palestijnse strijd, die voort kan vloeien uit het besef dat de levens van Palestijnen en Israëliërs onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Er waren en blijven gemeenschappelijke belangen op het gebied van de economie, werkgelegenheid, waterdistributie, ecologie, energie, mensenrechten, buitenlandse zaken en de vluchtelingenproblematiek. Het is beduidend gemakkelijker en praktischer om een overeenkomst te bereiken over het vluchtelingenonderwerp binnen de context van één enkele staat dan in een versnipperde Palestijnse eenheid, die staat wordt genoemd. Onlangs is er een nieuwe dialoog op gang gekomen over een bredere sociaal-economische strijd voor gelijke rechten, gelijk staatsburgerschap en gelijke wetten binnen één Israëlisch-Palestijnse staat. Op de lange termijn kan blijken dat structurele waarborgen van wezenlijk belang zijn voor de opheffing van de restricties die de Palestijnen zijn opgelegd in de Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem, in Israël en aan de Palestijnse vluchtelingen in het buitenland.”

“Alleen wanneer de postzionistische dialoog verruimd wordt en de Israëlische meerderheid insluit en doordringt tot de gemiddelde joodse Israëliër, kan het zogenaamde vredesproces werkelijk vreedzame dimensies krijgen. Alleen wanneer de Palestijnen besluiten het kader van hun democratische seculiere staat te herontdekken en te herstructureren en dit om te vormen van inhoudsloze kretologie tot een plan dat rekening houdt met de huidige realiteit, kan er hoop ontstaan op een echte vrede. Noem het een binationale oplossing, een federaal systeem, een kantonsysteem op Zwitserse leest geschoeid: de gemeenschappelijke noemers zullen gelijke rechten, gelijk burgerschap, pluralisme, co-existentie en gedeelde menselijkheid zijn.”

(Uitpers, nr. 70, 7de jg., december 2005)

(*) ‘Verdreven Palestijnen’ wordt in België verspreid, door uitgeverij EPO, Berchem, www.epo.be.