Er kan veel gezegd worden over boomers, maar niet dat ze hun tijd niet kennen. Hun grote voordeel vandaag is dat ze ook kunnen terug blikken, dat ze weten hoe onvoorstelbaar gepriviligieerd ze zijn geweest door te leven in Europa, in wat misschien wel de beste tijd uit de moderne geschiedenis kan genoemd worden. West-Europa was sinds de tweede wereldoorlog een continent van groei, van welvaart, van mensenrechten, van vrijheid van meningsuiting, van verzorgingsstaten. Jazeker, er waren problemen, er was racisme en discriminatie en sommigen zullen zeggen dat dit alles niet mogelijk was geweest zonder het (neo)kolonialisme. Maar het resultaat kan niet geloochend worden.
Vandaag, na een kwart nieuwe eeuw, staat alles op de helling. Wat zeker was, is dat niet langer. Verzorgingsstaten worden afgebouwd, arme mensen worden overboord gegooid, liberale principes van democratie en mensenrechten worden op al dan niet slinkse wijze omzeild en verguisd.
Om deze tijd goed te begrijpen en zo mogelijk om te buigen, is het goed te weten waar we vandaan komen, om te beseffen hoe, geleidelijk aan, ‘waarden’ en ‘normen’ overboord zijn gegooid, hoe een nieuwe waarheid ingang vond, hoe politiek en economie op elkaar inspeelden, hoe, wat we gisteren vanzelfsprekend vonden, vandaag wordt veroordeeld.
In dit artikel wil ik aantonen hoe de waarheid is veranderd en hoe we vandaag, opnieuw, op de drempel van een nieuwe tijd staan die de successen van gisteren tot nederlagen maakt.
Na de oorlog
De tweede wereldoorlog heeft het continent in puin gelegd. Een volkenmoord die miljoenen joden in ovens verbrandde, aan beide kanten bommenwerpers die steden herleidden tot gruis.
Het is goed er vandaag aan te herinneren dat de nieuwe wereldorde van na de oorlog al werd voorbereid aan het begin van die oorlog of zelfs nog ervoor. Veel heeft uiteraard te maken met de Krach van de jaren ’30, met de akkoorden tussen Churchill en Roosevelt in 1941, met de debatten rond Keynes en wat na de oorlog de Mont Pèlerin Society zou worden.
In 1945 waren de hoekstenen van de nieuwe wereldorde gelegd. Er was een Verenigde Naties, in 1948 kwam er een Universele Verklaring voor de rechten van de mens, er bestonden sinds 1944 een Wereldbank en Internationaal Muntfonds, de Internationale Arbeidsorganisatie ontstond in 1919. Ze werd aangevuld met een ‘Verklaring van Philadelphia die stelt dat arbeid geen koopwaar is.
Er kwam een Koude Oorlog en een wapenwedloop maar in het Westen had het keynesianisme gewonnen. Er begon een periode van vrijheid en welvaart, kolonies verwierven hun onafhankelijkheid en aan de landen van het Zuiden werd beloofd dat de industrielanden zouden bijdragen tot hun ontwikkeling.
Er waren nog oorlogen en conflicten, jazeker, denk aan Korea, Algerije of Vietnam. Er was verzet dat bloedig werd neergeslagen, denk aan Madagascar of Indonesië. Van meet af aan werd een strijd gevoerd tegen ‘het communisme’ waardoor de democratische ontwikkeling van het Zuiden ernstig werd verhinderd.
De oude kolonies probeerden zich te verenigen, denk aan Bandung en later de Tricontinentale.
Tegelijk is het hartverwarmend de oude teksten van de VN van onder het stof te halen. Resoluties over samenwerking, over de rechten en plichten van Staten, over een nieuwe internationale economische orde, over een informatie-orde, over sociale vooruitgang, over een recht op ontwikkeling … Denk ook aan de rapporten van de Commissie Brandt, we schreven toen al 1980, de goede bedoelingen waren de wereld nog niet uit.
Achteraf bekeken is het makkelijk te zeggen dat het Westen dat in feite niet heeft gewild. Er is nooit genoeg politieke wil aanwezig geweest om echt aan ontwikkelingssamenwerking te doen, om in te gaan op de vragen van het Zuiden, om het debacle van vandaag te vermijden.
In het Westen liep alles op wieltjes. West-Europa werd een haven van welvaart en welzijn. Neen, de armoede werd nooit uitgeroeid, maar er was een bereidheid tot solidariteit, de ongelijkheid bleef beperkt. Men geloofde tot op zekere hoogte in planning, de Staat speelde een rol in het economisch proces, er was overleg in erg veel domeinen, de vakbonden werden sterke partners. Er was een ‘algemeen belang’.
Achteraf werd over de ‘trente glorieuses’ gesproken, dertig jaar van vooruitgang waaraan in de jaren ’70 een brutaal einde kwam: het afbreken van de akkoorden van Bretton Woods, sterke stijging van de olieprijzen, begin van het probleem van de schuldenlast in het Zuiden.
Het was een drastische kentering en het begin van een nieuw tijdperk. Weg met het keynesianisme, begin van het neoliberalisme
Neoliberale tijden
Grondige veranderingen komen er nooit van dag op dag. Het gaat geleidelijk aan, zodat veel mensen het niet echt merken en pas na enige tijd verbouwereerd op hun loonbriefje zien dat ze minder verdienen en alles in de supermarkt duurder is geworden.
Het soberheidsbeleid is begonnen in de jaren ’70. Werknemers moesten inleveren en de begroting moest op orde zijn.
Toen na de vloed van petrodollars die over de landen van het zuiden werd uitgegooid, Paul Volcker van de Federale Bank van de VS de rentevoeten optrok, was dat voor heel veel landen de strop om de hals. De schuldenlast werd ondraaglijk, Wereldbank en IMF kwamen met ‘hulp’: structurele aanpassingsprogramma’s, later ‘Washington Consensus’ genoemd en nog later gewoon ‘neoliberalisme’.
Het begon in Latijns Amerika, zwermde uit naar Afrika en Azië, landde in de Europese Unie met de Europese Akte en het Verdrag van Maastricht.
Wat dat neoliberalisme precies betekende was niet meteen duidelijk. Achteraf bekeken kunnen de verschillende fasen wel makkelijk herkend worden.
Het begon in de jaren ’80 met een economisch programma van open grenzen voor goederen en kapitaal, alle macht aan de markt, privatiseringen en dereguleringen.
Het werd gevolgd door een periode van ‘sociaal’ neoliberalisme, prioriteit voor de armoedebestrijding om tegelijk de verzorgingsstaten – hoe beperkt die ook waren in het Zuiden – af te bouwen. Protest was er niet, want de sociale bewegingen dachten dat het goed was.
Geleidelijk aan werd duidelijk dat het neoliberalisme ook een politiek programma was. Het ging niet over wat men aanvankelijk dacht, het afslanken van de staat, maar wel het versterken van de staat in een beperkt aantal taken: het beschermen van de concurrentiekracht, bescherming van privé-eigendom, de markt goed laten functioneren, consumenten beschermen in plaats van het arbeidsrecht respecteren.
Neoliberalisme zegt wat het is: liberalisme en dus impliciet een zekere mate van vrijheid. Mensenrechten stonden hoog op de agenda, democratie en respect voor de rechtsstaat hoorden er bij. Arme mensen waren diegenen die door een paternalistische staat onder het mom van bescherming van de markt werden uitgesloten. De oplossing van hun probleem was participatie aan de markt. Armoedebestrijding werd ‘sociale bescherming’, maar nog enkel ter verdediging van de markt en de groei. Een ‘algemeen belang’ was er niet langer, de collectiviteit moest plaats maken voor het individu in al zijn verscheidenheid.
In de overgang van keynesianisme naar neoliberalisme ging ook ‘ontwikkeling’ verloren. De plannen voor industrialisering en uitbouw van infrastructuur, de collectieve nationale plannen voor economische en sociale welvaart, ze lieten het leven. In de plaats kwam humanitaire hulp. De economie werd volledig aan de democratische besluitvorming onttrokken. Wat in de jaren ’60 en ’70 nog ‘ontwikkelingseconomie’ werd genoemd, belandde in de onderste lade. In de plaats kwam een ‘pensée unique’ van één economie met dezelfde regels voor iedereen. We noemden het ‘mondialisering’ en het probleem van de ‘onderontwikkeling’ werd een zaak van de ‘onderontwikkelden’.
Rechts conservatisme
In 1989 kwam een eind aan de koude oorlog. De ‘democratie’ en ‘de markt’ werden uitgevoerd naar nieuwe territoria. Er kwamen ‘schoktherapieën’ om hele bevolkingen in het nieuwe keurslijf te dwingen en de kapitalistische krachten te laten plunderen, zoals het telkens opnieuw gebeurt met gebiedsveroveringen.
Het werd een pijnlijke transitieperiode waarvan we pas nu de contouren beginnen te zien. Het systeem botste op zijn grenzen, in eerste instantie omdat veel mooie woorden nooit door daden werden gevolgd, in tweede instantie omdat het neoliberalisme geen welvaart voor iedereen kán brengen. De armoede verminderde niet en de ongelijkheid swingt de pan uit. Door de ontwikkeling van de financiële markten werden goede economische bedoelingen vaak in een mum van tijd tot niets herleid. Tel daarbij de klimaatverandering die men slechts met één dicht geknepen oog wilde zien, maar die wel voor veel onheil zorgde. Er kwam protest, er kwam verzet, maar zonder organisatie, zonder structuur, zonder strategie. Ook de sociale bewegingen waren in het neoliberalisme gaan geloven en pleitten voor verscheidenheid in plaats van eenheid. Met de intersectionaliteit haalde de dominantie het van de uitbuiting. De strijd om identiteit haalde het van de klassenstrijd.
Pleidooien voor verandering konden niet langer beantwoord worden want de staat had noch de politieke, noch de financiële middelen meer. Er kwamen meer en meer vragen voor verandering maar wie kon die beantwoorden?
Traditioneel was de sociaal-democratie de hoeder van welvaart en welzijn. Toen na de val van de muur in Berlijn de overwinning van het kapitalisme en de nederlaag van het socialisme werden uitgeroepen, was ook die politieke strekking daar meer en meer gaan in geloven. Ze werkte mee met de neoliberalisering, ze ging denken dat versoberen goed was voor de mensen, daarin gesterkt door een opkomende groene politieke beweging. Verandering stond niet langer op de agenda. Wel bij groen, maar dan in omgekeerde richting, minder consumeren, mindere vliegen, minder verkwisten. Daar hadden de lagere klassen begrijpelijkerwijs geen oren naar.
Conservatief rechts stond wel klaar met antwoorden voor wie om een ander beleid vroeg. Zij had makkelijke antwoorden op moeilijke vragen: minder migranten, minder vluchtelingen. Doordat de herverdelingsagenda was afgevoerd kon de materiële welvaart van mensen enkel gegarandeerd worden met … minder mensen. Het ging erin als zoete koek.
Rechtse krachten groeiden in heel Europa, maar ook elders. Het volstaat te denken aan Marine Le Pen, Giorgia Meloni, Viktor Orban en Geert Wilders, aan Narendra Modi in India, Erdogan in Turkije, Jair Bolsonaro in Brazilië en uiteindelijk Trump in de Verenigde Staten.
Vandaag is het duidelijk geworden. Een nieuwe tijd is begonnen en er wordt een eind gemaakt aan normen en waarden die sinds de Franse Revolutie en de Verlichting gemeengoed geworden waren. Emancipatie is nu uit den boze.
Mensenrechten zijn niet langer van tel, in eigen land en elders in de wereld worden ze gretig met voeten getreden, denk hier aan de wetgeving op de opvang van vluchtelingen of denk aan het groeiend aantal daklozen. De grenzen gaan overal dicht. Prikkeldraad is in. Het summum is de volkenmoord in Gaza waar Westerse regeringen zelfs geen kwaad in zien.
De rechtsstaat wordt een lachertje, wat het duidelijkst te zien is in de Verenigde Staten, maar alweer, ook elders, ook in Europa. Het gerechtelijk apparaat verliest aan kracht, parlementen zijn machteloze praatbarakken geworden. Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting staan onder druk.
De staat wordt weer sterk en krachtig, vooral in repressie. Economisch gezien is vandaag de macht meer in handen van grote transnationale bedrijven dan in die van de politiek. En die bedrijven weten dat concurrentie veel te lastig is, dat is voor de verliezers, zoals Peter Thiel het zegt. Leve de monopolies!
Het multilateralisme, internationale samenwerking, vrijhandel, ontwikkeling, respect voor internationale rechtsregels, ze verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Sociale media worden gebruikt om fake news te verspreiden en vooral veel onzekerheid ten angst te creëren, want wat moet je nog geloven? Zijn alle complottheorieën per definitie fout?
Verzorgingsstaten moeten er aan geloven. Beetje bij beetje gaan de basiselementen van de sociale zekerheid voor de bijl, pensioenen, werkloosheidsverzekering, gezondheidszorg. Het arbeidsrecht wordt afgebouwd, zo liet ITUC zien. De toegang tot rechten wordt voorwaardelijk. Recent onderzoek laat zien dat er meer geld en subsidies gaan naar bedrijven dan naar de sociale zekerheid.
Tijdens het neoliberalisme was de armoedebestrijding een doekje voor het bloeden van de sociale bescherming. Vandaag krijgen ook de armen ervan langs, want de hangmat zou té verleidelijk zijn. Ze moeten aan het werk en wie niet wil of niet kan, die is de pineut. Armoede wordt meer en meer gemoraliseerd en tenslotte gecriminaliseerd.
Rechts conservatisme maakt een eind aan het liberalisme. Of dit programma tot een sluitend eind kan worden gebracht is nog onzeker. We zien in de Verenigde Staten hoe de macht ook bij de zogenaamde anarcho-kapitalisten ligt die beslist niet dezelfde agenda hebben als uiterst rechts. Op veel punten vinden ze elkaar, zoals de rol van de staat die de markt moet beschermen en geen behoefte heeft aan herverdeling of een verzorgingsstaat.
Waar dit eindigt weten we niet, maar de weg is duidelijk. Hoeveel verzet – een revolutie? – hiertegen komt is evenmin te voorspellen. Meer en meer bewegingen beginnen te beseffen dat een groot deel van de ‘civil society’ – het middenveld – door het neoliberalisme werd ingepalmd en verzwakt.
Het sociaal beleid is niet verloren, maar het zal beperkt en moraliserend zijn, met hulp voor kroostrijke gezinnen en de ontmenselijking van wie niet mee kan.
Bescherming gebeurt voortaan met wapentuig, niet met rechten.
Er worden zware woorden gebruikt voor dit nieuwe beleid dat ons kan terug brengen naar een eeuw geleden. Ik gebruik ze liever niet, omdat nog veel elementen onzeker zijn en de geschiedenis zich nooit in dezelfde vorm herhaalt. Het toenemend geweld in de samenleving, inclusief de knokploegen die ‘orde op zaken’ komen stellen boezemen terecht veel angst in.
De nieuwe tijd belooft ‘vrijheid’ om te doen en te laten wat men wil, maar steeds minder mensen hebben daar de middelen voor. Bovendien wordt de digitale sector misbruikt voor een onzichtbare maar toenemende controle op mensen. De ongelijkheid neemt alvast dermate hallucinante proporties aan dat gewone mensen massaal en machteloos uit de boot vallen.
Kapitalisme
Uiteraard, de drie periodes die ik heb beschreven waren drie periodes van kapitalisme, maar het mag duidelijk zijn dat dit kapitalisme in verschillende variaties bestaat.
Het mag even duidelijk zijn dat de loop van de geschiedenis niet in de sterren staat geschreven. Ook vandaag zijn er uitzonderingen, landen die proberen nog wel een algemeen belang te verdedigen. Denk aan Mexico, aan Brazilië of aan een geheel ander politiek model in China. Er ligt een brede waaier van mogelijkheden open, men moet die willen zien en men moet er willen aan werken. Men moet stoppen met geloven dat alles op het lokale vlak kan worden beslecht met horizontaliteit en ‘bottom-up’. Wat voor beleid men ook wil verdedigen, men zal buitengaats moeten kijken en werken, samenwerken, bondgenootschappen sluiten, en vechten. Fight, fight fight!
Men moet wellicht ook stoppen met een simplistische antikapitalistische boodschap die meer dan honderd jaar oud is maar weinig heeft opgeleverd. We moeten uit dat kapitalisme, dat staat vast, maar we moeten ook weg van het nationalisme en het identiteitsdenken. We moeten op zoek naar nieuwe alternatieven, wellicht met nieuwe begrippen en zeker met nieuwe praktijken. Wordt daar voldoende aan gewerkt?
De tijd van de boomers is voorbij. Het zijn nieuwe generaties die hun tijd moeten maken met als eerste en laatste doel: vrede.
