Venezuela: Uncle Sam vs Bolívars zoon

Eva Golinger, ‘The Chávez Code. Cracking U.S. Intervention in Venezuela’, Editorial José Marti, Havana, 2005, 267 blz., ISBN 959090307x.

Wat doet een Amerikaans staatsburger als hij/zij denkt dat zijn/haar regering linke streken uithaalt en zich volslagen illegaal inmengt in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten en volkeren? Hij/zij kan protestdemonstraties organiseren (zoals dat massaal het geval was toen George W. Bush en zijn ploeg neocons de militaire invasie van Irak voorbereidden). Hij/zij kan het ook via een moeilijke, legale weg proberen.

In de VS bestaat de ‘Freedom of Information Act’, waardoor de burger confidentiële informatie kan opvragen over het optreden van de regering in het buitenland. Dat is uiteraard een belangrijk democratisch recht. Alleen kan de overheid beslissen welke documenten wel of niet worden vrijgegeven. Als ze dan al ‘gedecodeerde’ documenten prijsgeven, hebben de hogere instanties nog steeds het recht deze te ‘censureren’.

De Amerikaans-Venezolaanse advocate Eva Golinger maakte van de ‘Freedom of Information Act’ gebruik om na te gaan in welke mate Washington betrokken was bij de destabilisatie van het regime van de Venezolaanse president Hugo Chávez. Ze kon een aantal documenten inkijken. En ze publiceert ze ook in haar boek ‘The Chávez Code’.

Eva Golinger schrijft in haar inleiding dat "het wellicht nog dertig jaar zal duren vooraleer we alle documenten te zien krijgen en kunnen analyseren." Met andere woorden Golinger heeft alleen het topje van de ijsberg mogen zien. Niettemin zijn de resultaten van haar onderzoek naar de geheime (en minder geheime) operaties van het Witte Huis, het Pentagon en de inlichtingendienst CIA tegen het bewind van president Hugo Chávez verbijsterend. De VSA waren actief betrokken bij de mislukte poging tot staatsgreep tegen Chávez op 12 april 2002. De CIA en zijn verschillende antennes versasten miljoenen dollar naar de Venezolaanse oppositie om een staking in de belangrijkste economische sector van het land (de petroleumindustrie) uit te lokken en zo lang mogelijk te rekken. De actie bracht de Venezolaanse economie aan de rand van de afgrond. En tenslotte steunden de VS volop de tegenstanders van Chávez, toen ze via een referendum de verkozen president vooralsnog van de macht wilden verdrijven. Het enige waarmee Washington geen rekening hield, was een overtuigende overwinning van Chávez bij deze volksraadpleging.

Stratego

Eva Golinger plaatst de Amerikaanse destabilisatiepogingen tegen de Venezolaanse president en zijn regering in het breder kader van de Amerikaanse strategie van wereldoverheersing. Traditioneel behoort heel Latijns-Amerika tot de Amerikaanse achtertuin. Washington heeft verschillende tactieken in petto om deze strategie gestalte te geven. De openlijke militaire interventie (met de massaalst mogelijke middelen): Korea, Vietnam, Cambodja, Laos en recenter de Golfoorlog van 1991 en sinds 11 september 2001 Afghanistan en opnieuw Irak. Daarnaast beschikken de Amerikanen ook over een leger dat in staat is beperkte militaire interventies uit te voeren (om slechts enkele te noemen uit een lange reeks: Libanon (1958), de Dominicaanse Republiek, Panama, Grenada, Haïti enzovoort). Nog een belangrijk onderdeel van deze strategie is het ‘low intensity conflict’. De voorbeelden zijn legio: de mislukte invasie op Cuba in de vroege jaren zestig, gevolgd door een hele reeks pogingen om de Cubaanse leider Fidel Castro te vermoorden. In de jaren zeventig en tachtig is dit low intensity conflict voorpaginanieuws met de burgeroorlogen in El Salvador en Guatemala en vooral de contra-oorlog in Nicaragua of de undercover steun aan pro-Amerikaanse staatsgrepen (met als bloedigste voorbeeld de putsch tegen de democratisch verkozen president Salvador Allende, de 9/11 van de Chilenen in 1973).

Nicaragua werd echter een keerpunt. Toen bleek dat de contra-oorlog in Nicaragua de steun van de bevolking aan de Sandinisten alleen maar versterkte, gooide Washington het over een andere boeg. De Amerikanen grepen toen naar hun programma ‘National Endowment for Democracy’ dat in 1983 onder Reagan was opgezet. Het NED kreeg van het Amerikaanse Congres de toestemming en vooral zeer veel middelen om gelijk waar ter wereld miljoenen dollars te pompen in de ‘civiele maatschappij’ (politieke partijen, de kerk, andere religieuze instellingen, vakbonden, NGO’s, enzovoort) om ‘de democratie’ te bevorderen, wat een synoniem is van om pro-Amerikaanse regimes aan de macht te brengen (of te houden). Het NED, net zoals andere programma’s, die Golinger in beeld brengt (het al sinds de jaren zestig bestaande ‘ontwikkelingsprogramma’ USAID) en het recentere ‘Office for a Transition Initiatives’ dat erg belangrijk is gebleken in voormalig Joegoslavië of recent nog in Georgië en Oekraïne – en naar alle waarschijnlijk ook in Libanon de voorbije maanden – wordt zonder meer gestuurd door de CIA.

Sta-in-de-weg Chávez

Golinger geeft een zeer gedetailleerde chronologie van de recente Amerikaanse destabilisatiepogingen tegen het bewind van de Venezolaanse president Hugo Chávez. De eerste jaren van het presidentschap van deze voormalige luitenant-kolonel van het Venezolaanse leger en zijn relatie met het Witte Huis waren nochtans vrij rimpelloos. Venezuela is de vijfde grootste olie-exporteur ter wereld, beschikt over de grootste oliereserves van heel Latijns-Amerika en is één van de belangrijkste leveranciers van de Verenigde Staten. En Washington wil dat het liefst van al zo houden. Dat de olie-industrie via de PDVSA (Petróleos de Venezuela SA) eigendom is van de Venezolaanse staat, is voor de ultraliberalen in Washington nooit echt een bezwaar geweest. Dat de voormalige putschist Hugo Chávez in 1999 tot president werd verkozen, werd in het Witte Huis aanvankelijk niet echt als een ramp beschouwd. Chávez putschte in 1992 tegen president Carlos Andrés Pérez, het boegbeeld van de AD (Acción Democrática), een partij die traditioneel tot de heersende politieke elite van het land hoorde. Af en toe zorgde de christen-democratische partij COPEI voor een aflossing van de wacht. Maar de AD en de COPEI waren synoniem voor het Venezolaans systeem, dat gebaseerd was op corruptie, kleptocratie, nepotisme, diefstal van staatseigendom (via de staatsmaatschappij PDVSA) en absolute slaafsheid ten opzichte van Washington, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. (Onder de AD- en COPEI-presidenten had Venezuela – ondanks het manna van de eigen petroleumindustrie – een buitenlandse schuld opgestapeld van niet minder dan 23 miljard dollar). De putsch van Chávez in 1992 mislukte – ook al kon de luitenant-kolonel op ruime steun van de Venezolaanse bevolking rekenen. Chávez belandde in de gevangenis, maar kreeg in 1994 amnestie van de nieuwe COPEI-president Rafael Caldera. CIA-analisten wisten toen al dat het Venezolaans systeem tot op de draad versleten was. In 1993 was AD-president Pérez afgezet op beschuldiging van corruptie. Bij de volgende presidentsverkiezingen in 1994 behaalde COPEI-voorman Caldera de overwinning, zij het nipt. Hij kreeg niet meer dan 30% van de kiesgerechtigden achter zich. De Venezolanen bleven bij de stembusgang massaal thuis. Enkele maanden later liet president Caldera Chávez en zijn medeputschisten vrij. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis was Hugo Chávez erin geslaagd zijn politieke partij Movimiento V República (Beweging van de Vijfde Republiek) stevig uit te bouwen. Hij had zijn partij liever naar zijn grote voorbeeld Bolívar genoemd, maar dat is in Venezuala bij wet verboden. Hij legde contacten met de linkse oppositiepartijen MAS (Movimiento al Socialisme – Beweging naar het Socialisme) en de PPT (Patria para Todos – Het Vaderland voor Iedereen) en samen vormden ze de Polo Patriótico (Patriottische Pool), die in 1998 de oude corrupte politieke klasse een zware nederlaag zou toedienen. De Polo Patriótico behaalt bijna 60% van de stemmen en luitenant-kolonel Chávez werd president.

Aanvankelijk maakten slechts weinigen in de VS zich druk over de machtswissel in Caracas. Maar, zo zou al snel blijken, Chávez is een man die zijn roots niet makkelijk verloochent, zijn grote politieke voorbeeld is Símon Bolívar, de ‘libertador’, de grote Latijns-Amerikaanse vrijheidsstrijder uit de negentiende eeuw. Hugo Chávez heeft een duidelijk tiersmondistisch profiel: hij is een voorstander van de grootst mogelijke eenheid en samenwerking tussen de landen van Zuid-Amerika en van de Derde Wereld in het algemeen. Daar zou men in het Witte Huis en het Pentagon snel achterkomen.

Nog voor zijn eedaflegging op 2 februari 1999 kwam Chávez een eerste keer in aanvaring met de Amerikaanse president. Chávez wilde, voor hij aan zijn ambtstermijn begon, eerst een uitgebreide buitenlandse tournee afwerken in achtereenvolgens Spanje, Frankrijk, Duitsland, Italië, Canada, Cuba, de Verenigde Staten en de Dominicaanse Republiek. In Madrid kreeg Chávez een bericht van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarin werd hij aangemaand zijn bezoek aan Fidel Castro te schrappen. Chávez stond op zijn strepen en maakte Washington duidelijk dat hij de democratisch verkozen president van een soevereine staat was. Hij bezocht Cuba, om later uiterst koel en kort op het Witte Huis te worden ontvangen, door president Bill Clinton, die duidelijk liet blijken dat hij geen hoge hoed op had van de nieuwe Venezolaanse president. De basis voor de komende gespannen verhoudingen tussen Washington en Caracas was hiermee gelegd, waarbij Hugo Chávez ongetwijfeld aan de woorden van zijn grote inspirator Simón Bolívar heeft gedacht: "de Verenigde Staten zijn door de voorzienigheid voorbestemd om in naam van de vrijheid de Amerika’s met miserie te plagen"… Met de machtswissel in het Witte Huis, waar de republikein George Bush in januari 2001 zijn intrek nam, zou het met de Amerikaans-Venezolaanse betrekkingen snel bergafwaarts gaan.

Chávez bij Saddam Hoessein

Midden december 1999 werd in Venezuela de deelstaat Vargas zwaar getroffen door overstromingen en modderstormen. Er vielen honderden doden en tienduizenden (vooral arme) Venezolanen waren dakloos. De regering in Caracas kreeg van overal hulp aangeboden, ook vanuit de Verenigde Staten. Chávez en zijn regering waren totaal verrast, toen bleek dat de Amerikaanse marine van de gelegenheid gebruikt had gemaakt om ongevraagd met oorlogsbodems door te dringen in de Venezolaanse territoriale wateren en legerhelikopters in te schakelen bij "reddingsoperaties". Chávez maakte tijdens een onderhoud met VS-ambassadeur John Maisto duidelijk dat hij feestelijk bedankte voor deze al te opdringerige hulp. Maisto schakelde meteen acht Venezolaanse journalisten in. Zij brachten een bezoek aan de Amerikaanse oorlogsbodems en schreven verontwaardigde stukken over de ondankbaarheid van hun president bij zo veel onbaatzuchtige humanitaire hulp.

In juni 2000 werd Venezuela (en dus Hugo Chávez) voorzitter van de OPEC, de organisatie van olieproducerende en -exporterende landen. Venezuela was in 1960 één van de stichters van de OPEC (samen met Iran, Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië – later zouden ook Indonesië, Libië, Nigeria, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Algerije aansluiten). In de jaren tachtig en negentig was de OPEC veel van zijn macht verloren. Op het ogenblik dat Chávez voorzitter van de organisatie werd was de olieprijs dramatisch gekelderd: 8 dollar per vat. Dankzij de inspanningen van de Venezolanen werd dit al snel weer 30 dollar per vat en werden er nieuwe afspraken gemaakt over productiequota – een heikel punt, dat ondermeer had geleid tot de rechtstreekse confrontatie tussen de buurlanden Irak en Koeweit in 1990.

Chávez ondernam een reis naar alle tien overige lidstaten van de OPEC en zo werd hij de eerste democratisch verkozen president, die een ontmoeting had met de Iraakse leider Saddam Hoessein, die sinds het einde van de Golfoorlog in 1991 in een totaal diplomatiek isolement was terechtgekomen (Irak was bovendien onderworpen aan een zeer streng economisch embargo). VS-president Bill Clinton en zijn minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright waren ziedend. Op dat ogenblik begonnen de Amerikaanse inlichtingendiensten bijzonder veel belangstelling aan de dag te leggen voor de Venezolaanse oppositie en massamedia.

Met de komst van George W. Bush en zijn ploeg neoconservatieve ministers en raadgevers zou die belangstelling alleen maar toenemen, net zoals de openlijke meningsverschillen tussen het presidentiële paleis in Caracas en het Witte Huis.

Antiglobalisten Chávez en Castro

In april 2001 nam Hugo Chávez het woord tijdens de topconferentie van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) in het Canadese Québec. Hij deed er een scherpe uitval naar de door Washington gesponsorde FTAA (Free Trade of the Americas Act), die in 2005 van kracht moest worden en van heel Latijns-Amerika één grote door de VS gecontroleerde vrijhandelszone moest maken (34 lidstaten – die zo goed als heel hun soevereiniteit over de eigen sociaal-economische politiek moesten opgeven – en een markt van maar liefst 800 miljoen potentiële klanten). Samen met de Cubaanse leider Fidel Castro (Cuba was per definitie door de VS uitgesloten van de FTAA) werd Hugo Chávez één van grootste pleitbezorgers voor gezamenlijke Latijns-Amerikaanse economische initiatieven tegen de FTAA, die een halt konden toeroepen aan de VS-dominantie op het continent. Chávez’ standpunten kregen oorverdovende bijval van de andersglobalistische beweging in Zuid- en Noord-Amerika (en ver daarbuiten).

11 september 2001

In september 2001, enkele dagen voor 9/11, kondigde de Venezolaanse regering aan dat ze een einde zou maken aan een 50 jaar oud militair samenwerkingsverdrag met de Verenigde Staten. De Venezolaanse minister van Defensie, José Vicente Rangel, kondigde aan dat zijn regering aan de Amerikanen gevraagd had hun militaire missie bij het Venezolaanse ministerie van Defensie in Fort Tiuna te ontmantelen. De Amerikanen zouden nog drie jaar talmen om aan deze vraag te voldoen. En inmiddels vertrokken, zo blijkt uit de documentatie van auteur Eva Golinger, diverse berichten vanuit de VS-ambassade in Caracas naar de VS-overheid met de suggestie om het IMET (International Military Education and Training Program) in Venezuela aanzienlijk uit te breiden. Dank zij het IMET hebben de VS ruime toegang tot de hoofdkwartieren van de Venezolaanse strijdkrachten. De VS-ambassade in Caracas gaf ook het advies om het aantal Venezolaanse officieren, dat in de VS werd opgeleid drastisch te verhogen. VS-ambassadrice Donna Hrinak herinnerde haar regering eraan dat officieren, die in het kader van IMET in de VS waren opgeleid, belangrijke posities bekleedden binnen Chávez’ strijdkrachten.

Golinger citeert ook uit een bericht van het State Department aan ambassadrice Hrinak, waarin de naam van generaal-majoor Raúl Salazar Rodríguez wordt vermeld als één van de belangrijkste VS-steunpilaren binnen de strijdkrachten. Rodríguez was in de eerste regering onder president Chávez minister van Defensie. Later ging hij met pensioen en op het ogenblik van de staatsgreep tegen Chávez in april 2002 (waarbij hij actief betrokken was) zat hij als Venezolaans ambassadeur in Madrid.

Het IMET-programma werd inderdaad voortgezet, ook al had president Chávez een einde gemaakt aan de opleiding van Venezolaanse militairen aan de beruchte ‘School of Americas’ in de VS.

Na de aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 was Hugo Chávez één van de weinige presidenten ter wereld die zich openlijk afzette tegen de krijgsretoriek van het Witte Huis. Chávez en de zijnen waren in die dagen heus niet de enigen die merkten dat in Washington alle remmen los waren in de ‘war on terror’. George Bush had het over een ‘crusade’, een kruistocht tegen het moslimterrorisme (zonder zich ook maar één minuut te bekommeren over het feit dat de term voor moslims en Arabieren uiterst beladen is), en poetste – zonder enig noemenswaardig protest – de oude Hitleriaanse slogan weer op: ‘Wer nicht mit uns ist, ist wider uns" ("If you are not with us, you are against us"). Venezuela bleek een van de weinige democratische staten in de wereld, die openlijk afstand nam van de Amerikaanse sabelsleperij. Op 29 oktober 2001 hield Chávez een toespraak voor de openbare omroep in Caracas. Hij veroordeelde met klem de Amerikaanse bombardementen op Afghanistan. Tijdens zijn redevoering werden beelden getoond van Afghaanse kinderen, die bij Amerikaanse raids tegen ‘Al Qaeda’ en de Taliban om het leven waren gekomen. "Terreur kan niet worden bestreden met nog meer terreur," bezwoer de Venezolaanse president. "Dit is niet te rechtvaardigen, net zoals de aanslagen in New York niet te rechtvaardigen zijn."

Ambassadrice Donna Hrinak werd onmiddellijk voor overleg naar Washington teruggeroepen. Terug in Caracas vroeg ze om een onderhoud met Chávez. Aan auteur Eva Golinger deed Hugo Chávez later het relaas van deze stormachtige ontmoeting. Hrinak las in het presidentieel bureau een cassante verklaring voor van haar regering, waarin werd geëist dat Chávez zijn verklaringen over het Amerikaanse militaire optreden in Afghanistan ogenblikkelijk zou herroepen. Waarop Chávez in een Venezolaanse woede ontstak, er de ambassadrice op wees dat zij het woord richtte tot "het staatshoofd van een soevereine natie" en haar prompt aan de deur zette.

"Het was rond dit tijdstip," noteert Eva Golinger, "dat het National Endowment for Democracy zijn fondsen voor Venezuela verviervoudigde en de oppositie tegen Hugo Chávez zich op zijn agressiefst begon te tonen."

Miljoenen dollar voor de oppositie

In september 2001 zond VS-ambassadrice Donna Hrinak de eerste berichten naar haar regering met de boodschap dat de omverwerping van president Chávez niet alleen wenselijk, maar ook nakend was. Uit de documenten die Eva Golinger kon inkijken blijkt dat de voorkeur van de VS-ambassade in Caracas voor een vervanger van Chávez duidelijk uitging naar Pedro Carmona, de voorzitter van de Fedecámaras, de kamer van koophandel. Twee maanden later stuurde Hrinak een bericht naar Washington, waarin stond te lezen dat de Fedecámaras, samen met de door de Amerikaanse vakbondscentrale AFL-CIO gesteunde en door Carlos Ortega geleide Confederación de Trabajadores Venezolanos (CTV) een nationale algemene staking voorbereidden voor 10 december 2001. Inmiddels had het National Endowment for Democracy (NED) de geldkraan goed opengedraaid. En ook het American Center for International Labor Solidarity (ACILS), de internationale afdeling van de vakbond AFL-CIO, begon kwistig dollars uit te geven ten behoeve van de Venezolaanse vakbond CTV. Met NED-dollars en openlijke steun van het IRI (International Republican Institute) was in 2000 een nieuwe conservatieve partij opgericht in Caracas, Primero Justicia (Gerechtigheid eerst), die een alternatief moesten bieden voor de oude, bankroete, door corruptie gediscrediteerde partijen AD en COPEI. Het NED en de Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie USAID pompten ook ettelijke miljoenen in allerlei nieuwe "niet-gouvernementele" organisaties en vooral in de commerciële media, die een sleutelrol zouden spelen in de destabilisatiecampagne tegen Chávez. Golinger toont aan dat in het kader van het NED en USAID tussen 2001 en 2004 om en bij de 27 miljoen dollar bij de Venezolaanse oppositie is terecht gekomen.

Een blik op de samenstelling van het directiecomité van het NED, volstaat om te begrijpen dat hier het kruim van de Amerikaanse inlichtingendiensten, het leger en de wapenindustrie vertegenwoordigd is. Voorzitter van het NED is Carl Gersham, samen met de beruchte kolonel Oliver North een van de hoofdfiguren in het Iran-Contragateschandaal onder president Reagan. De VS hadden wapens geleverd aan het regime van ayatollah Khomeini in Iran (dat in oorlog was met buurland Irak) om met de opbrengst de Nicaraguaanse contrarevolutie tegen de Sandinisten te financieren. Voorts treft men volgende namen aan onder de bestuursleden: Frank Carlucci, notoir CIA-man met een stevig palmares van undercoveroperaties (Carlucci staat inmiddels ook aan het hoofd van de Carlyle Group, een van de belangrijkste wapenleveranciers van het Pentagon); generaal op rust Wesley K. Clark (voormalig opperbevelhebber van de NATO en opperbevelhebber tijdens de NATO-operaties tegen Servië) en Richard C. Holbrooke, de man die de ontmanteling van Joegoslavië voor mekaar bracht.

Het NED beschikt sedert de jaren tachtig al over een goed geolied netwerk in Venezuela. Toen de VS in Nicaragua het geweer van schouder veranderden en volop de politieke oppositie begon te steunen om de Sandinisten via verkiezingen te verslaan, werd via Caracas elke maand 200.000 dollar versast naar de Nicaraguaanse oppositiekrant La Prensa, die een onvervangbare rol zou spelen in de campagne van de Nicaraguaanse oppositiekandidate Violeta Chamorro. De toenmalige Venezolaanse president Carlos Andrés Pérez was een persoonlijke vriend van Chamorro en tijdens de verkiezingscampagne van 1989-1990 (die zou eindigen met een nipte nederlaag voor de Sandinisten) stond Pérez in dagelijks contact met zijn Amerikaanse ambtgenoot George Bush senior.

Staatsgreep

In Venezuela geraakte begin 2002 alles in een stroomversnelling. Op de VS-ambassade in Caracas kwam er een aflossing van de wacht. Donna Hrinak werd op 25 februari 2002 opgevolgd door Charles Shapiro. Washington kon de Venezolaanse overheid geen duidelijker signaal geven. Shapiro kon een staat van dienst van vierentwintig jaar voorleggen. Tijdens de coup tegen Salvador Allende op 11 september 1973 was Shapiro attaché op de VS-ambassade in de Chileense hoofdstad. Op het hoogtepunt van de Amerikaanse interventie in de burgeroorlog in El Salvador was Shapiro vijf jaar lang verbonden aan de VS-ambassade in San Salvador en van 1999 tot 2001 coördineerde hij het Cuban Affairs Office in Washington, dat toezicht hield op de uitvoering van het VS-beleid tegen het bewind van Fidel Castro en meer bepaald de naleving van het VS-embargo tegen Havana.

Tot in de kleinste details toont Eva Golinger de directe betrokkenheid aan van ambassadeur Shapiro in de mislukte staatsgreep tegen Hugo Chávez op 12 april 2002. Golinger beschrijft hoe de Amerikanen heel hun netwerk in Venezuela in stelling brachten: de commerciële media speelde een belangrijke rol in de coup met een niet altijd even subtiele desinformatiecampagne; de door Washington fel geprezen (en stevig gefinancierde) ‘civil society’ met zijn brede waaier van NGO’s, politieke partijen, kerkelijke groepen, corrupte vakbondsleiders en last but not least een stel in de VS opgeleide hoge militairen. Tijdens de coup werd Hugo Chávez even gevangen genomen en de oppositiepartij Primero Justicia maakte van de gelegenheid gebruik om (onder dekking van de chef van de hoofdstedelijke politie) de Cubaanse ambassade grondig te slopen.

Washington deed nauwelijks nog moeite om de euforie over de coup tegen Chávez te verbergen. ‘Our man in Caracas’, Pedro Carmona, de chef van de Fedecámaras (kamer van koophandel) werd tot interimpresident benoemd. Ambassadeur Shapiro volgde de gebeurtenissen 24 uur op 24. Tijdens de staatsgreep had hij verschillende ontmoetingen met Pedro Carmona. In een bericht naar Washington sprak hij meteen de hoop uit dat de olieleveringen aan Cuba nu snel zouden worden stopgezet. In Washington vergaloppeerde Ari Fleisher, de woordvoerder van president Bush, zich geweldig toen hij aankondigde dat Hugo Chávez was afgezet en de VS-regering de nieuwe president Carmona steunde. Enkele uren later bleek dat de coup tegen Chávez mislukt was.

Nog andere republikeinse boegbeelden liepen zichzelf voorbij. George A. Folsom, de voorzitter van het door het NED gefinancierde International Republican Institute (IRI), greep op 12 april naar de bazuin om de wereld te melden dat het "Venezolaanse volk, aangevoerd door elke sector van de ‘civil society’, vorige nacht in opstand is gekomen om de democratie te verdedigen." In zijn euforische staat kon Folsom het niet laten enige veren op eigen hoed te steken: "Het International Republican Institute heeft als brug gediend tussen de politieke partijen in het land en alle groepen van de ’civil society’ om het Venezolaanse volk te helpen een nieuwe democratische toekomst op te bouwen, die gebaseerd is op de rechtstaat, transparantie en gezonde democratische instellingen. Wij zijn bereid om ons partnership met het moedige Venezolaanse volk verder te zetten." Om de grap volledig te maken vatte Folsom de doelstellingen van zijn instituut nog snel even samen: "Het IRI is een nonprofitorganisatie die wereldwijd opkomt voor de democratie", "het IRI is een onafhankelijke organisatie, die door de federale overheid wordt gefinancierd via het National Endowment for Democracy (NED) en het U.S. Agency for International Development (USAID)."

Op 14 april, twee dagen na de mislukte staatsgreep, schreef Carl Gershman, de baas van het NED, een pisnijdige brief naar IRI-chef George A. Folsom, waarin hij hem verweet "de coup zonder enige reserve te hebben gesteund, waardoor de betrokkenheid van het IRI bij gevoelige binnenlandse politieke kwesties in Venezuela onnodig aan het licht werd gebracht".

Bij de staatsgreep kwamen uiteindelijk 60 Venezolanen om het leven. De meeste slachtoffers vielen onder de aanhangers van president Hugo Chávez, die in Caracas zeer hardhandig door de politie werden aangepakt. Eva Golinger merkt op dat de burgemeester van Caracas, een gezworen tegenstander van Chávez, sinds 2000 een contract had met de voormalige chef van de New Yorkse politie, William Bratton, voor de opleiding van politieagenten in Caracas. Dit programma werd via het NED gefinancierd. Bratton had een stevige reputatie opgebouwd, toen hij onder de beruchte burgemeester Rudolph Giuliani, New York zuiverde van kleine straatboefjes onder het motto "zero tolerance". Het beleid van politiechef Bratton was vooral gericht tegen zwarte jongeren en tegen de enorme bevolking van New Yorkse daklozen.

Land ‘in overgang’

De jammerlijke mislukking van de putsch van 12 april 2002 zou de tegenstanders van Chávez en hun financiers in Washington niet echt ontmoedigen. De volgende confrontatie werd meteen voorbereid, en wel op het allerhoogste niveau. Het State Department, het VS-ministerie van Buitenlandse Zaken, besliste onmiddellijk na de mislukte coup dat USAID een ‘Office of Transition Initiatives’ (OTI) zou openen in Caracas. Het OTI is een concept dat USAID in 1994 uitwerkte met de bedoeling landen, die voor de moeilijke overgang naar een parlementair regime stonden (en doorgaans een oorlog of tenminste een zeer ernstige crisis hadden meegemaakt) "met raad en daad bij te staan". USAID had eerder al OTI-kantoren opgericht in Kosovo, Haïti (de afzetting van president Aristide), Indonesië (om de crisis rond Oost-Timor te bezweren) en een hele reeks Latijns-Amerikaanse landen, zoals Bolivia, Colombia, Peru, Guatemala. Ondanks het feit dat president Chávez en zijn partij, de MVR (Beweging van de Vijfde Republiek), negen democratische verkiezingen (waaronder het referendum over zijn afzetting op 15 augustus 2004) op rij heeft gewonnen, oordeelde het State Department dat Venezuela een "land in overgang" is.

De anti-Chávezoppositie en de diverse Amerikaanse netwerken in het land zouden de rangen nog sterker sluiten en nog agressiever uit de hoek komen. Eva Golinger beschrijft hoe deze alliantie verantwoordelijk was voor een 64 dagen durende algemene staking, die het hart van de Venezolaanse industrie (de olie-industrie) en de armste delen van de bevolking zwaar zou treffen. De staking werd op 2 december 2002 uitgeroepen door de pas opgerichte Coordinadora Democrática, waarin alle putschisten van 12 april zich hadden verenigd: de Fedecámaras, alle oppositiepartijen en de vakbond CTV. De organisatoren staken het einddoel van hun staking niet langer onder stoelen of banken: president Hugo Chávez moest aftreden. De staking kostte de Venezolaanse schatkist miljarden dollars. Miljoenen Venezolanen konden niet meer naar het werk omdat de brandstofdistributie volledig stilviel. Staking is eigenlijk het verkeerde woord. Het ging om één grote lock-out, waarmee de patroonsorganisaties, in samenwerking met de vakbond CTV, de meerderheid van de actieve bevolking belette te werken. De drie maanden lange chaos hertekende ook diepgaand het Venezolaanse perslandschap. De regering en president Hugo Chávez werden door de media volkomen gemarginaliseerd. Volgens Eva Golinger sloegen de vier commerciële televisiemaatschappijen de handen in elkaar. Tijdens de 64 dagen durende staking zonden ze niet minder dan 17.600 propagandaboodschappen uit tegen de regering. Maar ook de radiostations, kranten en tijdschriften kozen massaal de kant van de Coordinadora Democrática. "Op het einde zaten de Venezolanen met een regering, die geen enkele toegang meer had tot de massamedia en met privé media, die de facto de plaats van de regering hadden ingenomen," besluit Golinger. Ook deze door het NED en USAID gefinancierde actie liep op een mislukking uit. De Amerikanen en de door hen gesteunde oppositie en ‘civil society’ waren radeloos. Een militaire putsch en een nooit eerder vertoonde lock-out hadden hun doel gemist. De enige hoop die hen nog restte was de organisatie van een referendum om Hugo Chávez via legale weg uit het presidentieel paleis te verjagen. Opnieuw werden miljoenen dollars gepompt in een anti-Chávezcampagne van de verenigde oppositie. De media speelden het spel op zijn grofst. Berichten doken op over de (nooit bewezen) steun van de Venezolaanse president aan clandestiene cellen van Al Qaeda en aan de Colombiaanse guerrillabeweging FARC, die in Venezuela zo waar over opleidingskampen beschikten. Telkens waren het Amerikaanse media en persagentschappen (zoals United Press International (UPI) of de U.S. News and World Report), die deze indianenverhalen over Hugo Chávez de wereld instuurden. Telkens pikten de Venezolaanse kranten, radio- en televisiestations hier gretig op in.

Opnieuw tevergeefs. Ondanks de massale dollarsteun stevende de oppositie op een nieuw fiasco af. Op 15 augustus 2004 sprak 59% van de Venezolaanse stemgerechtigden zich uit voor het aanblijven van hun president.

In ‘The Chávez Code’ beschrijft Eva Golinger de mechanismen, waarmee de Verenigde Staten openlijk tussenbeide kwamen aan de zijde van de putschisten, de organisatoren van de ‘nationale staking’ en het anti-Chávezreferendum. Belangrijke vraag die hierbij uiteraard rijst: waar haalt Hugo Chávez de populariteit vandaan om telkens opnieuw te winnen van zo’n machtige tegenstanders? Golinger behandelt deze vraag helaas niet en dat is ronduit het zwakke punt van dit boek.

Maar voor het overige is ‘The Chávez Code’ een absolute aanrader, voor wie zijn beeld van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten scherp wil stellen.

 

Actieve en slapende ‘cellen’

De bemoeienissen van Washington in Venezuela zijn absoluut niet gestopt. Condoleeza Rice, de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken van George W. Bush en een fervent aanhangster van de christelijk, fundamentalistische wereldopvatting en dus van de strijd tussen ‘Goed’ en ‘Kwaad’, formuleerde het zo: "Hugo Chávez is een negatieve factor in de regio". Begin augustus beschuldigde Rice de Venezolanen ervan wapens te leveren aan de Colombiaanse guerrilabeweging FARC. Een beschuldiging, die niet hard gemaakt wordt met bewijzen en die door de regering van Chávez met klem van de hand wordt gewezen.

De regering Bush lijkt in menig opzicht op een internationaal terreurnetwerk. Terroristen werken – zoals dat in het jargon heet – met actieve en slapende cellen. De CIA, het NED en USAID hebben in het land van president Chávez talloze slapende cellen. De nieuwe krachtmeting komt er ongetwijfeld: in 2006 loopt de ambtstermijn van Chávez af en komen er nieuwe presidentsverkiezingen. De Venezolaanse president zet zijn ongebonden buitenlandse koers inmiddels onvermoeibaar verder – wat in het het Witte Huis knarsetandend wordt gadegeslagen. Eind juni werd onder impuls van Hugo Chávez en de Cubaanse leider Fidel Castro het verdrag Petrocaribe ondertekend. Als één van de veertien ondertekenaars (de meerderheid bestaat uit landen van het Caribisch gebied) verpletterd dreigt te worden onder te zware olierekeningen, springt Venezuela bij. Als de olieprijs boven de 40 dollar per vat piekt, zal de regering Chávez 30% van de factuur voorschieten. De begunstigden kunnen terugbetalen op een termijn van 25 jaar (met 1% intrest) of in natura, bijvoorbeeld met suiker, bananen of andere landbouwproducten. Cuba profiteerde al eerder van deze voorkeursbehandeling. En betaalt zijn petroleumrekening deels met dokters, tandartsen en sporttrainers, die aan de slag zijn in de Venezolaanse volkswijken en achtergestelde plattelandsgebieden.

En Washington heeft nog meer redenen tot ongerustheid. Chávez is immens populair in heel Latijns-Amerika, omdat hij zich zo hardnekkig blijft verzetten tegen de FTAA (in het Spaans heet deze vrijhandelszone ALCA). De Venezolaanse president formuleerde het Bolivariaanse Alternatief voor Latijns-Amerika (ALBA), dat de FTAA definitief stokken in de wielen wil steken. Op 25 juli laatstleden was er voor de Amerikaanse politieke elite nog meer slecht nieuws uit Caracas: de Latijns-Amerikaanse nieuwszender Telesur (een gezamenlijk initiatief van de Venezolaanse, Cubaanse, Uruguayaanse en Argentijnse regering) werd boven de doopvont gehouden. Ook Telesur is een geesteskind van ‘Bolivarist’ Chávez, die een volwaardig Latijns-Amerikaans alternatief wil voor de verpletterende invloed van de Amerikaanse (en pro-Amerikaanse) televisiezenders op het continent. Telesur zal vierentwintig uur op vierentwintig (nieuwsprogramma’s, documentaires, film en muziek) uitzenden met het kwaliteitslabel "Made in Latin America." Telesur wil een einde maken aan het Amerikaanse nieuwsmonopolie, waardoor de rest van de wereld verstoken blijft van nieuws over bijvoorbeeld sociale onrust in Bolivia of een volgende poging tot staatsgreep in Venezuela…In de VS maken de neocons van de republikeinse partij zich inmiddels al op om Telesur te counteren met een pro-Amerikaanse zender.

En op 7 augustus laatstleden bleek nog eens hoe verzuurd de Venezolaans-Amerikaanse betrekkingen zijn. President Chávez kondigde in een interview aan dat hij een einde wenst te maken aan de samenwerking met het Amerikaanse antidrugsagentschap DEA, dat ook in Caracas een belangrijk kantoor heeft. Venezuela geldt als een belangrijk transitland voor drugs uit het buurland Colombia. Chávez is zich hier wel van bewust, maar vindt dat de Latijns-Amerikaanse staten onderling nauwer moeten gaan samenwerken in de ‘war on drugs’, los van de Verenigde Staten. Volgens Chávez is "de DEA absoluut niet nodig in de strijd tegen de drugshandel" en doet de regering in Washington "te weinig om de problemen in eigen land aan te pakken, waar de drugs uit Latijns-Amerika ondanks talloze campagnes een groeiende afzetmarkt vinden en waar enkele grote drugsbaronnen geen strobreed in de weg wordt gelegd." De Venezolaanse president zei voorts dat de resultaten, die de DEA de voorbije decennia heeft geboekt niet in verhouding staan tot de reusachtige middelen waarover het agentschap beschikt. "Wij hebben infiltraties van de DEA in Venezuela vastgesteld," voegde Chávez eraan toe, "die een bedreiging vormen voor onze nationale veiligheid en defensie. In het licht daarvan hebben we besloten de akkoorden met de DEA op te zeggen."

(Uitpers, nr. 67, 7de jg., september 2005)