Venezuela onder Chávez boert goed, en niet alleen door olie

De economie van Venezuela boert goed onder president Hugo Chávez. Na het dieptepunt van de recessie van 2003, grotendeels veroorzaakt door de olie-“staking” van de welgestelde oppositie, kende die economie een redelijk snelle groei (10,3 procent in 2006). De Britse krant Financial Times schreef in 2006 zelfs dat het voor banken “een feestje” was. En toch klagen veel Venezolaanse patroons vanuit de oppositie.

Waarom? Omdat ze de beslissende politieke macht verloren die ze tot 1998 tientallen jaren uitoefenden via een corrupt en spilziek tweepartijensysteem. En omdat ze liefst naar die tijd van vóór Chávez zouden terugkeren, toen zijzelf alles kregen en de massa van de bevolking zo goed als niets. Vandaar dat de grote media het vaak hebben over een “haat-liefde”-relatie tussen zakenwereld en Chávez. Veel van die media verspreiden in hun haast rituele anti-Chávez retoriek ook de opvatting dat de economische bloei, net zoals in het verleden, voortgestuwd wordt door het “oliemanna”, en dat daar onvermijdelijk een “bankroet” zal op volgen als de olieprijzen dalen en de regering een slechte economische politiek voert.

Toch gaan vele gegevens in tegen dit soort voorspellingen. Na een hoogtepunt van het bnp in 1977 kende de economische groei in Venezuela in de jaren 80 en 90 een instorting. De toestand van Venezuela is gelijkaardig aan die van de regio in haar geheel, zoals die sinds meer dan een eeuw allesbehalve fraaie resultaten liet optekenen.

Hugo Chávez werd in 1998 tot president verkozen en trad in 1999 in functie. De eerste vier jaar van zijn regering kende het land een aanzienlijke politieke instabiliteit. Dat had een negatief effect op de economie. Deze toestand liep naar een hoogtepunt met de staatsgreep die in april 2002 de grondwettelijke regering even van de macht verdreef (sindsdien ondernam het Washington van George W. Bush nog drie pogingen om de verkozen president te verjagen, terwijl het er, in de aanloop naar het grondwetsreferendum van 2 december, een vierde voorbereidt). Voor onstabiliteit zorgde ook de rampzalige olie-“staking” van december 2002 tot februari 2003. Die dompelde het land in een ernstige recessie, waarbij het bnp met 24 procent omlaag ging.

Maar van het tweede semester 2003 tot nu heeft de politieke toestand zich gestabiliseerd. Dat werkte een economisch herstel, en daarna een snellere economische expansie in de hand. Sinds het dieptepunt van de recessie in 2003 is het reële bnp (met inflatiecorrectie) met 76 procent toegenomen. Aan die spectaculaire opkomst is de expansionistische monetaire politiek niet vreemd, evenmin als de wisselcontrole die de regering heeft ingesteld. De uitgaven van de regering zijn toegenomen van 21,4 procent van het bnp in 1998 tot 30 procent in 2006. De reële korte termijnrente bleef tijdens de hele periode van economische recuperatie negatief.

Tijdens die periode zijn de inkomsten van de regering nog sneller gestegen dan de uitgaven (van 17,4 procent van het bnp tot 30 procent). Dat stelde de regering in staat de begroting-2006 met een evenwicht af te sluiten. De regering handhaafde bij het plannen van haar uitgaven voorzichtigheid inzake de prijs van de olie. Zo voorzag de ontwerpbegroting voor 2007 een olieprijs van 29 dollar per vat, wat 52 procent minder is dan de gemiddelde verkoopprijs van een Venezolaans vat olie in het jaar voordien. De regering heeft met andere woorden haar uitgaven steeds in de hand gehouden, de olieprijzen lagen altijd hoger dan wat er in de begroting was voorzien. Maar als de olieprijzen dalen, zullen de openbare uitgaven natuurlijk naar beneden toe moeten worden herzien.

Toch beschikt Venezuela over een comfortabele monetaire reserve die het kan aanspreken als de olieprijzen in elkaar zouden storten. Een daling van die prijzen met 20 prodent of zelfs meer kan worden geabsorbeerd door de officiële internationale reserves, die vandaag ongeveer 25 miljard dollar belopen (een bedrag dat overigens ruim volstaat om de hele buitenlandse schuld van het land te delgen). Daar komt bij dat in dit bedrag de andere staatsrekeningen van de Venezolaanse staat in het buitenland niet zijn inbegrepen. En die vertegenwoordigen naar schatting nog eens 14 tot 19 miljard dollar. Doordat de buitenlands schuld relatief laag ligt (14,6 procent van het bnp) zou de regering bovendien toegang hebben tot internationale kredieten in het geval dat de olieprijs instort.

Maar zo’n instorting is weinig waarschijnlijk in de nabije toekomst. Het US Energy Information Agency publiceerde op 10 juli een pronostiek die de olieprijs in 2007 op omstreeks 65,56 dollar per vat zag liggen, en in 2008 op 66,92 dollar per vat.

Het ziet er naar uit dat het meest reëele risico bestaat in onvoorziene en aanzienlijke wijzigingen van het aanbod van olie – in het bijzonder wegens de instabiele toestand in het Midden-Oosten. Bij zo’n scenario zou de vermindering van het aanbod de olieprijzen natuurlijk niet doen dalen, maar opnieuw sterk doen stijgen.

Sociale uitgaven

De regering-Chávez heeft de sociale uitgaven zeer aanzienlijk verhoogd, zowel inzake gezondheidszorg als op het gebied van onderwijs en voeding. Het sterkste contrast met het verleden biedt de gezondheidszorg. Zo waren er in 1998 maar 1.628 artsen voor eerste lijnszorg voor 23,4 miljoen inwoners, terwijl er nu 19.571 zijn voor 27 miljoen mensen. Het aantal urgentiecentra is van 1998 tot nu toegenomen van 417 naar 721, het aantal revalidatiecentra van 74 naar 445. In 1998 beliep het aantal centra voor eerste lijnszorg 1.628, nu zijn er 8.621, waarvan er 6.500 in de armenwijken liggen. In de openbare gezondheidszorg kregen in 1999 maar 335 mensen met het aids-virus een behandeling, in 2006 waren het er 18.538.

De regering van Venezuela heeft ook de toegang tot gesubsidieerde voedingswaren enorm uitgebreid. In heel het land waren er in 2006 15.726 handelszaken die voedingswaren tegen gesubsidieerde prijzen verkochten (door die subsidie werd het voedsel in 2005 en 2006 gemiddeld respectievelijk 27 en 39 procent goedkoper dan de marktprijs). Dat kwam in 2005 ten goede aan 67 procent van de bevolking, in 2006 aan 47 procent. Daarbij komt dat de speciale programma’s voor mensen in extreme armoede zijn uitgebreid: de maaltijdcentra en de gratis verdeling bijvoorbeeld. In 2006 hebben 1,8 miljoen kinderen genoten van het programma voor voeding op scholen, in 1999 waren dat er nog maar 252.000.

Ook de toegang tot het onderwijs is aanzienlijk uitgebreid. In het lager onderwijs van de bolivariaanse scholen is het aantal leerlingen toegenomen van 271.593 in het schooljaar 1999/2000 tot 1.098.489 in 2005/2006. Darnaast nam meer dan één miljoen mensen deel aan de programma’s voor alfabetisering van volwassenen.

De sociale uitgaven van de centrale regering hebben een exponentiële groei gekend, van 8,2 procent van het bnp naar 13,6 procent. In reële termen (met inflatiecorrectie) zijn de sociale uitgaven per persoon met 170 procent toegenomen in de periode 1998-2006. De sociale uitgaven van de nationale oliemaatschappij PDVSA zijn niet in deze cijfers inbegrepen. Die zijn aanzienlijk en stegen in 2006 tot 7,3 procent van het bnp. Als we die gegevens erbij tellen, dan vertegenwoordigden de sociale uitgaven in 2006 20,9 procent van het bnp, dat is een toename met tenminste 314 procent tegenover 1998 (in termen van reële sociale uitgaven per persoon).

De armoede is snel verminderd, van het dieptepunt van 55,1 procent in 2003 naar 30,4 procent in 2006, dat is een afname met 31 procent. Deze cijfers houden evenwel geen rekening met de gegroeide toegang tot gezondheidszorg en onderwijs voor de armsten. De levensomstandigheden van de armen zijn op die manier sterk verbeterd, veel sterker dan wat kan blijken uit de officiële cijfers over de vermindering van de armoede, die cijfers meten alleen de geldelijke inkomsten van de mensen. Ook de werkloosheid is substantieel verminderd. Die beliep 8,3 procent in juni 2007, het laagste peil van het decennium, te vergelijken met 15 procent in juni 1999 en 18,4 procent in juni 2003 (eind van de recessie). Sinds 1988 is de tewerkstelling in de formele sector van de economie sinds 1998 toegenomen van 44,5 procent van de economisch actieven naar 49,4 procent.

Wisselkoers, inflatie

De belangrijkste economische uitdagingen voor het land zijn de wisselkoersen en de inflatie. De Venezolaanse munt is nogal flink overgewaardeerd. De regering voelt niet veel voor devalueren omdat dit de inflatie zou aanwakkeren (die beloopt nu 19,4 procent). De regeringscontrole op de wisselkoersen en het begrotingsoverschot van 8 procent van het bnp maken dat niets de regering kan verplichten om in de nabije toekomst te devalueren. Toch is er een probleem op de middellange termijn. Want de inflatie mag dan al gestabiliseerd zijn, ze bepaalt de reële wisselkoers van de Venezolaanse munt, de bolivar. Daardoor is de invoer kunstmatig goedkoop, terwijl de export van andere dan olieproducten veel te duur is op de wereldmarkt. Dat tast de handel aan, en schept op termijn een onhoudbare toestand. Het maakt de diversifiëring van de economie en een breuk met de afhankelijkheid van olie veel moeilijker.

De inflatie (19,4 procent) is op zich een probleem. Toch is een inflatie met twee cijfers in een ontwikkelingsland niet vergelijkbaar met eenzelfde verschijnsel in een Europees land of in de Verenigde Staten. De inflatie lag in Venezuela veel hoger tijdens de jaren vóór Chávez, ze beliep 36 procent in 1998 en zelfs 100 procent in 1996. Ze is tijdens de huidige fase van herstel aanhoudend verminderd, van 40 procent in februari 2003 is ze gedaald tot 10,4 procent voordat ze weer toenam tot het huidige peil en gestabiliseerd bleef.

Een belangrijk begrotingsoverschot, aanzienlijke deviezenreserves en een relatief kleine buitenlandse schuld maken dat de regering over een aantal instrumenten beschikt om de inflatie te stabiliseren en te verminderen (of om desgevallend de waarde van de munt aan te passen) zonder de economische groei te moeten opofferen. Alles wijst erop dat de regering vasthoudt aan een hoge groeivoet. Zo zijn er vandaag geen tekenen die erop wijzen dat de huidige economische expansie in een nabije toekomst ten einde loopt.

We willen er ten slotte op wijzen dat de maatregelen van de Venezolaanse regering om de deelname van de staat in de economie te vergroten, niet geleid hebben tot nationalisaties op grote schaal. Evenmin hebben ze geleid tot een openbare planpolitiek. Ze hebben vermeden dat de staat bestuurlijke functies in de economie op zich neemt die zijn vermogen te boven gaan. De regering heeft niet eens het aandeel van de openbare sector in de economie betekenisvol vergroot. De regeringsuitgaven draaien rond de 30 procent van het bnp, veel lager dan die uitgaven in Europese kapitalistische landen als Frankrijk (49 procent) of Zweden (52 procent).

(Uitpers, nr. 92, 9de jg., december 2007)

Bron: Center fot Economic and Policy Research, www.cepr.net

Via: RISAL, Réseau d’ Information et de Solidarité avec l’ Amérique Latine, http://risal..collectifs.net

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 33 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook