Van Oost-Blok naar Zuid-Blok


Beelden uit de voormalige Oost-Europese landen worden vaak omschreven in termen van een ‘derdewereldsituatie’. Ongetwijfeld is dit veeleer een betiteling met een hoog emo???gehalte, die associaties oproept met wat mensen zich zoal inbeelden bij het woord ‘Derde’ Wereld. Mij lijkt het alvast geen gelukkige referentie te zijn. Een vergelijking met de periferie/semi-periferie als brede categorieën valt veruit te prefereren.

GEKLEURD KAPITALISME



Hoewel iedereen er theoretisch van overtuigd is dat er enkel historische categorieën bestaan, denken de meesten in de praktijk in termen van onveranderbaarheid. Toegegeven, het heeft zo zijn voordelen omdat wie al te ver in de toekomst kijkt nogal eens struikelt over een ordinaire hedendaagse steen. Neem nu het begrippenpaar centrum periferie, ontstaan uit het dependencia-denken en later uitgebreid door Wallerstein met een derde pool ‘semi-periferie’.


Indien je tot de essentie, d.w.z. tot de bestaanswijze van het kapitalistische productiesysteem doordringt, dan staat het begrip ‘uitbuiting’ daarin centraal. Marx zelf had zich uitgesloofd om aan te tonen dat het hier niet ging om een morele benadering, waarbij één groep – de rijken – een andere groep – de armen – in absolute termen uitzoog. Wat hij benadrukte was dat de aard van het systeem noodzakelijk draaide rond meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie, wat een structurele ongelijkheid tot stand bracht, zelfs indien het inkomenspeil van één ervan, met name de arbeiders, behoorlijk hoog lag. Het betekende ook dat er een geografische ongelijkheid was, een ruimtelijke vertaling van deze structurele tegenstelling.


Binnen het ontwikkelingsdenken werd dat paradigma uitdrukkelijk verworpen. De domste versie hiervan was uiteraard die welke de ongelijkheid op wereldvlak toeschreef aan inherente verschillen tussen menselijke deelsoorten. Zeker na WO II was het niet langer correct om dat publiekelijk te verkondigen, al bleef deze opvatting latent verder woekeren. Walt Rostow introduceerde een nieuwe conceptualisering ‘stages of economic growth’ al haastte hij zich om zijn werk als ondertitel ‘a noncommunist manifesto’ mee te geven. Het denken in fases kan immers de kwalijke reminiscenties oproepen aan Marx, wat Rostow ten alle prijze wilde vermijden.


Wat hij wou aantonen was dat alle samenlevingen trapsgewijze door een aantal fases evolueerden, en dat sommigen – om vele redenen – nu eenmaal verder stonden dan anderen. Het was volgens hem niet zo dat de enen ‘ontwikkeld’ waren omdat de anderen ‘onderontwikkeld’ waren, aangezien gelijke ruil nu eenmaal de regel was. Alleen moesten zij die zich in de staart van het peloton ophielden geduld oefenen en zich wellicht nog veel opofferingen getroosten om op het niveau van de koplopers te komen. In geen geval gaf het pas dat de laatkomers poogden de anderen de schuld te geven, laat staan in enige mate te hinderen: enkel door zich te spiegelen aan de voorlopers konden ze hun lot verbeteren.



In de jaren zestig waar het idee van ‘brigding the gap’ aan kracht won, deed het idee van ontwikkelingshulp zijn intrede. Een massale injectie van kapitaal, technische middelen en knowhow zou de inhaalperiode drastisch inkorten: zo simpel lag dat. Het referentiepunt was het Marshallplan dat inderdaad als hefboom fungeerde voor West-Europa. Dat oorlogsverwoesting geenszins te vergelijken viel met structurele ongelijkheid werd hierbij gemakshalve vergeten.



Latijns-Amerika, dat tevergeefs had aangedrongen op een vergelijkbaar plan na WO II, was het eerste continent dat een andere visie ontwikkelde op de wereldeconomie. De theorie van de ongelijke ruilvoet was een duidelijke verwerping van de Ricardiaanse logica. Volgens Ricardo kon ieder land zich maar beter toeleggen op de productie waarvoor het over de beste troeven beschikte. Het zou bijvoorbeeld net zo onzinnig zijn mocht Engeland per sé wijndruiven kweken, als dat Portugal zich zou toeleggen op de uitbouw van een textielsector. Vrijhandel zou voor beide partijen een win-win situatie teweegbrengen.


Klopt niet, zei men in Latijns-Amerika: de prijs van onze producten, in eerste instantie grondstoffen, heeft een dalende tendens in vergelijking met de afgewerkte industriële producten. Dit uitgangspunt werd geradicaliseerd in het ongelijke ruilparadigma waarbij men er vooral de nadruk op legde dat de industrialisering en modernisering van de economie belemmerd werd door de dominantie van het Westen. De structuur van de wereldeconomie reproduceerde als het ware een permanente ongelijkheid, waardoor de Derde Wereld in een ondergeschikte positie werd vastgepind.



Van deze logica konden verschillende vertalingen worden gemaakt. De eerste, zeg maar zachte versie, was dat de ontwikkelingslanden via een ‘inward-looking strategy’ eerst hun eigen industrie moesten uitbouwen en ze dit moesten doen achter beschermende tolmuren. Eenmaal de kinderschoenen ontgroeid konden ze als volwaardige partners meedraaien binnen de wereldeconomie. De strakkere versie ging een stap verder: de economie van het Zuiden moest ontkoppeld worden van deze van het noorden en streven naar collectieve zelfvoorziening. De meest radicale optie vond dat zoiets alleen mogelijk was indien je ook de interne uitbuiting ophief: socialisme was het noodzakelijk en enig alternatief.


Het is – zeker achteraf – niet zo moeilijk om in dat alles een vorm van structurele starheid te ontdekken, die merkwaardig genoeg haar spiegelbeeld vindt in het Noorden. De ontwikkelingen in West-Europa hadden daar gezorgd voor een doorbraak van het industrieel kapitalisme en hadden uiteindelijk gezorgd voor een wereldwijde dominantie. De vorm waarin dat gebeurde was in een eerste fase het kolonialisme, later het neokolonialisme. Eén van de meest in het oog springende elementen was dat op die manier blanken tegenover kleurvolkeren kwamen te staan.


Uit deze historische evolutie haalden de blanken niet alleen een natuurlijk eerstgeboorterecht, ze waren ervan overtuigd dat dit in de toekomst onvermijdelijk zo zou blijven. Omgekeerd was het voor hen die het slachtoffer waren van deze evolutie, onmogelijk om dit niet te zien als een ‘blanke’ overheersing, maar wel als het gevolg van het kapitalistisch systeem als zodanig. In zekere zin is het vergelijkbaar met wat zich afspeelt in Zuid-Afrika. Het ANC moge dan wel officieel voorhouden dat de strijd niet ging en niet gaat langs de scheidingslijnen blank/zwart, maar tegen een onrechtvaardig systeem: hoe kan je dat overbrengen wanneer uit de onmiddellijke observatie het tegendeel blijkt? Hoe overtuig je een zwarte landloze dat de rijke boeren alleen omwille van historische antecedenten blank zijn? Vooral wanneer die blanken zelf dat evenmin geloven.



KLEUREN-FAIR KAPITALISME



Japan was de eerste ‘gekleurde’ natie die de stap zette naar kapitalisme en industrialisering. In het Westen was één van de verklaringsredenen hiervoor dat de geschiedenis van Japan grote parallellen vertoonde met die van Europa. Heel wat werken concentreerden zich op de aard van het ‘feodalisme’ in Japan, waarbij op een ongewilde manier Marx??? schema ‘feodalisme>kapitalisme’ wordt gehanteerd. Geheel volgens de historische logica zal Japan meteen ook de geografische basis van haar productie pogen uit te breiden via koloniale expansie. Wat Europa een paar eeuwen vroeger wel kòn, d.w.z. de wereld herverkavelen, zal aan Japan niet worden toegestaan: de zogenaamde ‘Japanse welvaartssfeer’, een eufemisme voor overheersing, komt immers in botsing met de Westerse belangen.


De manier waarop men in het Westen tegenover het Japanse fenomeen aankeek was op zijn minst dubbelzinnig. Enerzijds, vanuit het oogpunt dat het kapitalisme de mondiale toekomst incarneerde, was het een opsteker. Maar anderzijds werd het fenomeen ook amper ernstig genomen: het werd gezien als een soortement afdragertje van het Westen.


Eén van de meest dramatische aspecten van deze systematische onderschatting betrof de militaire slagkracht van Japan. Dat het Rusland een nederlaag had toegediend werd eenzijdig verklaard vanuit de zwakheid van het tsaristisch rijk. Dus toen er alarmerende berichten binnenliepen over de gevechtskwaliteiten van Japanese vliegtuigen, werden die geringschattend terzijde geschoven door de Amerikaanse legerleiding. Het idee dat Japanners technologisch tot dergelijke prestaties in staat waren oversteeg hun bevattingsvermogen en werd onmogelijk geacht vanuit een gratuit superioriteitsgevoel. Toen na WO II Japanse auto???s een ernstige concurrent werden op de Amerikaanse markt, werden antireclamecampagnes opgezet waarvan de racistische ondertoon nauwelijks verholen was. Eén van de meest aangewende technieken was de voorstelling als zouden de Japanners via hun producten de States ‘veroveren’. Veel succes had deze strategie niet omdat de consument uiteindelijk overstag ging voor de onweerstaanbare combinatie ‘prijs+kwaliteit’.



In een volgende fase volgden een aantal Zuidoost-Aziatische tijgers Japan. Zij die tot voordien gepretendeerd hadden dat de periferie binnen het kapitalisme nóóit tot ontwikkeling kon komen moesten zich in steeds ingewikkelender bochten wringen; eerst heette het een afhankelijk kapitalisme te zijn, met een compradores-burgerij, daarna was deze evolutie niet voor herhaling vatbaar enz???. Maar ook de verdedigers van de zogenaamde ‘outward-looking strategy’ stonden er wat beduusd bij nu ze zich werkelijk op de wereldmarkt richten. Nu werd plotseling de nadruk gelegd op oneerlijke concurrentie, lage lonen, gebrek aan democratie, agressieve marketing enz???. Het is de schaalvergroting van de mentaliteit van de winkelier die een fervent voorstander is van de vrije markt tot er zich een concurrent om de hoek vestigt.


Kapitalisme ontleent en geeft een logica aan het wereldsysteem. Het betoont daarbij geen enkele blijvende voorkeur voor een regio, een land of een kleur. Nu de globalisering, gedragen door de informatierevolutie, een nieuwe fase is ingetreden zullen er volgens mij twee fenomenen nog meer versterkt worden. Eén, er zal een nog vluggere turnover gebeuren voor wat de kopposities aangaat, of zelfs ten aanzien van de spitssectoren zelf. Twee, de tendens tot tweedeling binnen de samenlevingen zal zich verscherpen, ook al zullen de modaliteiten ervan sterk verschillen volgens de regio. Er zal zich overal in de 21ste eeuw een laag ontwikkelen die actief mee vorm geeft aan de globalisering, anderzijds zullen er grote groepen alleen passief dit proces ondergaan.


Het hele opzet van de zogenaamde actieve welvaartsstaat is ervoor te zorgen dat deze beweging zich niet vertaalt in een duale samenleving. Voor wat Afrika betreft kan men vrezen dat sommige individuen aansluiting vinden, maar dat de samenleving als geheel in de nabije toekomst de rol (nog verder) lost. Laten we echter niet vergeten dat het grootst aantal armen – in termen van inkomsten en scholing – in Azië woont. Het zou wel eens kunnen dat in India, Pakistan, China??? één laag zich perfect integreert binnen de nieuwe ordening, terwijl de grote massa een plaats toegewezen krijgt binnen of buiten de marge.



QUID OOST-EUROPA?



In een niet zo ver verleden hadden staten uit Oost-Europa, net zoals de Sovjet-Unie, talloze ontwikkelingsprojecten lopen in wat toen de Derde Wereld werd genoemd. De motieven om dit te doen waren uiteenlopend, de resultaten al evenzeer, hetgeen hen op dezelfde lijn plaatst met het Westen. Ik wil hier slechts enkele aspecten aanhalen. Vooreerst waaide er sinds Chroesjtjov een voluntaristische en triomfalistische wind door Moskou en dus ook door Oost-Europa. Niet alleen zou het socialisme zich politiek een steeds bredere geografische basis verwerven, het zou technologisch het kapitalisme achter zich laten. Vreedzame coëxistentie betekende immers geenszins dat men het idee opgaf van de eigen superioriteit. Daarbij was de blik strak gericht naar de Verenigde Staten en naar Europa.


Moskou, al evenzeer in de ban van de bipolaire myopie, zag machtsverschuivingen uitsluitend als positieveranderingen binnen het Noorden, zeg maar de blanke wereld. Dat is bevreemdend omdat officieel het internationalisme steeds de rode hemel werd ingeprezen. Maar, termen kunnen net zo goed op de inversie van hun inhoud slaan: internationalisme betekende in realiteit dat elke vorm van deelnationalisme binnen de Sovjet-Unie werd afgewezen als contrarevolutionair. Het kwam erop neer dat het niet-Europese gedeelte van het land, d.w.z. zowat de helft van de bevolking geminoriseerd werd. Deze eurocentrische houding van het Kremlin werd medio de jaren zestig zwaar onder vuur genomen door de Chinese communistische partij. Voorzitter Mao beschuldigende de Russen van racisme en zelfs van sociaal-fascisme.



De ontwikkelingsprojecten die Oost-Europa opzette in het Zuiden waren doorgaans quasi-exclusief donor-geïnspireerd. Van samenwerking tussen gelijke partners was er meestal geen sprake en de coöperanten waren overtuigd van hun groot gelijk. Hoe zou je tenandere van Oost-Duitsers die zelf opgegroeid waren binnen een commando-structuur kunnen verwachten dat ze inspraak duldden in projecten. Het gevolg was tweeledig. Om het eufemistisch uit te drukken: de populariteit van de hulpverschaffers was aan de magere kant bij de ontvangende partij. En twee, je hoorde, zij het niet in het openbaar, heel vaak kritiek op de kwaliteit van de geleverde goederen en diensten. Je zou het met enig sarcasme als een ideologische bananenschil kunnen omschrijven: langs de ene kant, door zich te identificeren met het blanke Noorden distantieerden landen van Oost-Europa zich van het Zuiden, maar net daarom werden hun prestaties vanuit het Zuiden vergeleken met die van kapitalistische landen en vaak te licht bevonden.


Ze mochten zichzelf dan wel tot het centrum rekenen, ze werden door de periferie verwezen naar de periferie van het perifere centrum. En dat waren ze inderdaad, ook, om andere redenen. Met de oprichting van het COMECON poogden de landen, of althans een aantal landen met een centraal plan, hun economie te coördineren. Geheel in de traditie van de COMINTERN betekende dit dat de Sovjet-Unie de toon zette. Het moge dan al zo zijn dat wat ooit monopolie was, afgezwakt werd tot dominantie, de manoeuvreerruimte die Oost-Europese staten hadden was er één die ze toebedeeld kregen, niet een die ze autonoom afdwongen.


Ten andere, indien we er hoger op wezen dat er binnen het wereldsysteem iets als ongelijke ruil optrad, dan was er binnen de COMECON minstens het aanvoelen dat het centrum, met name het Europese gedeelte van de Sovjet-Unie onevenredige voordelen uit de samenwerking puurde. Het is daarbij zaak om niet uit het oog te verliezen dat de COMECON als geheel nooit een soort collectieve zelfvoorziening kon bereiken. Ze bleven aangewezen op het wereldsysteem waarin ze nooit echt de krijtlijnen konden uitzetten.


Voor de val van de muur bekleedden de Oost-Europese staten dus in meerdere opzichten een duale positie, die ze zowel te danken als te wijten hadden aan de relatie met de Sovjet-Unie. De ineenstorting van het Oostblok was dan ook geen enkelvoudige vreugde, maar hield tevens momenten van bitter ontwaken in. Het prestige – met alle negatieve aspecten die eraan kleefden – van deel uit te maken van een politiek-militair blok werd in één klap weggeveegd. Landen als Roemenië en Bulgarije stonden even naakt als de keizer zonder kleren op de wereldscène. De rampzalige maar tevens beschermende muren rond de economie waren opgeblazen en pas nu werd voor iedereen de belabberde en vaak onderontwikkelde situatie duidelijk. De grote vreugde tot het Vrije Westen te behoren werd onmiddellijk getemperd nu bleek dat hetzelfde Westen hen nu als een probleem zag: van vrijheidsstrijder tot lastpost.


De achterkant van globalisering manifesteert zich tevens in fragmentarisering, de (hernieuwde) zoektocht naar identiteit binnen het mondiale gebeuren. Hoewel je langs de ene kant een evolutie merkt waarbij cultuur geëconomiseerd wordt, zie je langs de andere kant dat culturele identiteit precies het veld wordt waarin de economische mondialisering bevochten wordt, vaak door deze spelers die zich door dit economisch proces gemarginaliseerd voelen.


Uiteraard is de concrete invulling hiervan verschillend en afhankelijk van welke plaats de samenleving inneemt binnen het wereldsysteem, van de rol die de staat (nog) speelt, van de aard van de sociale laag die de culturele constructie beheerst enz???. In Oost-Europa vertaalt zich dit in ethno-nationalisme. Dat leidde tot de splitsing van Tsjecho-Slowakije, de aversie tegen minderheden (joden, zigeuners) of deelnationaliteiten, het benadrukken van de religieuze herbronning (katholicisme, orthodox), de taalfactor (Hongaars, Roemeens) enz???


De vraag of de landen uit Oost-Europa vergelijkbaar zijn met derdewereldlanden is mijns inziens een verkeerde formulering omdat de bipolaire machtsdeling en de economische driedeling door de evolutie van het wereldsysteem achterhaald is. Momenteel bevinden de meesten zich in de schemerzone van het centrum, waarbij een toetreding tot de Europese Unie als het ware de officiële lakmoesproef is. Hieruit blijkt tenandere ook duidelijk dat ze geen oost’blok’ vormen, maar dat hun onderlinge divergentie zich duidelijk aftekent. De nabijheid van deze EU is tezelfdertijd een opportuniteit en een handicap. Het biedt kansen omdat het Westen het zich niet kan permitteren aan zijn grenzen een regio te hebben waarin sociaal-economische en politieke instabiliteit overheersen. Het houdt ook gevaren in omdat de nabijheid van een economische reus zich kan vertalen in een structurele afhankelijkheidsrelatie, en/of een dualisering van de samenleving. Het zijn ‘risico-samenlevingen’ in de vele betekenissen van het woord, en dus exponenten van de ongelijkmatige manier waarop de globalisering het wereld-systeem transformeert.



* Ruddy Doom is hoogleraar en hoofd van de Vakgroep Derde Wereld aan de Universiteit Gent



(Uitpers, december 2000)

Over

Lees ook