INTERNATIONALE POLITIEK

URUGUAY 1973

Image

De staatsgreep van juni 1973 in Uruguay is minder bekend dan die van Chili op 11 september van hetzelfde jaar. Niet zonder reden: de Chileense putsch is een reactie op een concreet socialistisch experiment, terwijl het in Uruguay meer ging om het behoud van de bestaande sociale orde. Op 27 juni 1973 kondigt de president van Uruguay de ontbinding van het parlement aan. Dertien jaar lang werd een militair-civiele dictatuur ingesteld. Een episode die een lange periode van sociale strijd en democratisch verval afsluit, tegen een achtergrond van diepe economische crisis.

Romaric Godin van Mediapart schreef daarover een uitvoerig instructief achtergrondsartikel Uruguay 1973, la mort d’une démocratie sociale https://www.mediapart.fr/journal/international/100223/uruguay-1973-la-mort-d-une-democratie-sociale?utm_source=quotidienne-20230210-192845 (Mediapart 10 februari 2023, vertaling Walter Lotens)

Op 8 februari 1973 begonnen de Franse bioscopen Costa-Gavras’ laatste film, État de siège, aan te bieden. Na Z en La Confession was de Frans-Griekse regisseur geïnteresseerd in Zuid-Amerika, een continent dat toen in rep en roer stond. Er werd reikhalzend uitgekeken naar de film met in de hoofdrol Yves Montand, die eind 1972 de Louis Delluc-prijs ontving. De episode die hij in detail vertelde, was zeer recent: het dateerde uit de zomer van 1970. In augustus van dat jaar werd een Amerikaanse functionaris die in Uruguay was gestationeerd, Dan Mitrione, ontvoerd en uiteindelijk geëxecuteerd door de stadsguerrilla’s die in dat land actief waren, de Tupamaros. Dan Mitrione, officieel verantwoordelijk voor ontwikkelingshulp, was eigenlijk een adviseur van de Uruguayaanse politie, gespecialiseerd in martelpraktijken. De film, opgenomen in het Chili van president Allende, richtte zich op de spiraal van geweld die een schijnbaar democratische en moderne samenleving vernietigde.

Het realisme van État de siège is flagrant en de recente geschiedenis die daarop volgt zal dat alleen nog komen versterken. De dag na de Franse release van de film, op 9 februari 1973, trokken Uruguayaanse legertanks de hoofdstad Montevideo binnen. Protesterend tegen de benoeming van een ongeschikte minister van Defensie door president Juan María Bordaberry, De luchtmacht en het leger weigerden om regeringsbevelen op te volgen omdat zij protesteerden tegen de benoeming van een ongeschikte minister van Defensie door president Juan María Bordaberry.

Nadat de president de bevolking had opgeroepen hem te verdedigen, nam het leger positie in het centrum van de hoofdstad en veroverde radio en televisie. Toen de steun van de marine begon te haperen, stemde de president ermee in om met het leger te onderhandelen op de militaire basis Boiso Lanza. Op 12 februari 1973 tekende hij een overeenkomst met de Generale Staf die voorzag in de institutionalisering van de rol van het leger bij get maken van in politieke keuzes. Op die dag werd een Nationale Veiligheidsraad, waarvan het leger deel uitmaakte, opgericht om de uitvoerende macht te “ondersteunen”.

In de maanden die daarop volgden werd de situatie tussen deze Raad en het Parlement onhoudbaar. Om zijn hachje te redden nam Juan María Bordaberry de staatsleiding in handen. Op 27 juni 1973 kondigde hij de sluiting van het parlement aan en de vervanging ervan door een Raad van State waarvan hij zelf de leden zou benoemen. Het was voortaan verboden om de uitvoerende macht publiekelijk te bekritiseren. Dat leidde onmiddellijk tot een staking die twee weken zou duren, maar eindigde met het een meedogenloos optreden tegen vakbonden en linkse partijen. Deze staatsgreep stortte Uruguay in een officieel burgerlijke dictatuur, die echter concreet gecontroleerd werd door het leger en die tot 1985 zou duren. Net als andere militaire regimes in de regio van die tijd, was het regime zeer gewelddadig. Honderden tegenstanders zullen worden geëxecuteerd en nog vele honderden zullen verdwijnen. Tegenstanders in ballingschap werden soms tot in het buitenland vervolgd.

Het Zwitserland van Latijns-Amerika

De gebeurtenissen in Uruguay verdienen om verschillende redenen aandacht. Dit kleine land, ingeklemd tussen Argentinië en Brazilië, was zeventig jaar lang een voorbeeld geweest van een staat waarin democratie en welvaart konden gedijen. Het afglijden naar de hel van de dictatuur is daarom het verhaal van het mislukken van dit project, en een zeer moderne les over de degradatie van de democratie in tijden van crisis van het kapitalisme. Uruguay werd in 1830 geboren uit de Britse wens om een bufferstaat te creëren tussen Argentinië en Brazilië. Tot 1904 werd het land verscheurd door bijna permanente burgeroorlogen tussen twee partijen, de Blancos van de Nationale Partij, die de belangen van de landeigenaren vertegenwoordigden, en de Colorados van de Colorado-partij, die de stedelijke bourgeoisie van Montevideo vertegenwoordigden. Maar in 1904, toen de laatste burgeroorlog eindigde, besloot Coloradopresident José Batlle y Ordóñez een einde te maken aan deze situatie door het land grondig te hervormen. De ambitie was om nationale eenheid te creëren tussen de grote hoofdstad Montevideo en het platteland, maar ook om massa’s migranten die dan in het land aankwamen, voornamelijk uit Spanje en Italië, zo goed mogelijk te integreren. Sinds de jaren 1870 had Uruguay kunnen genieten van een sterke welvaart door de export van vlees en wol. De vlaktes zijn zeer gunstig voor vee en de Europese vraag bleef groeien. Tussen 1875 en 1913 vervijfvoudigde het BBP en verdubbelde zelfs tussen 1900 en 1912. Maar deze rijkdom bleef grotendeels in handen van landelijke oligarchen. Batlles idee was dan ook om die rijkdom te herverdelen, met name naar de plattelandsklassen en de ontluikende arbeidersklasse. Batlles hervormingen tussen 1904 en 1919 waren zeer omvangrijk. Het werd de opbouw van een sociale welvaartstaat die voor die tijd zeer geavanceerd was. Al in 1915 werd de 8-urige dag, de belangrijkste vakbondseis, opgelegd. In 1919 werd een pensioenstelsel op 60-jarige leeftijd en na dertig jaar dienst ingevoerd, dat al in 1904 van kracht werd voor ambtenaren en voor alle werknemers in de particuliere sector (behalve werknemers in de landbouw). In sommige sectoren, zoals nutsbedrijven, kon het pensioen zelfs op 50-jarige leeftijd worden opgenomen. Over het algemeen was het systeem zeer genereus, waardoor zelfs lage pensioenen konden worden betaald aan werknemers die na tien jaar dienst waren ontslagen of aan vrouwen die na tien jaar hun baan verlieten om kinderen op te voeden. Tegelijkertijd plaatste Batlle de staat, die tot dan toe zwak en vaak onbestaande was, in het centrum van het economische gebeuren. Hele sectoren werden aan haar toevertrouwd, vaak door onteigening van Brits kapitaal: verzekeringen, banken, water-, transport- of elektriciteitsbedrijven. De staat investeerde ook zwaar in gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur en bevorderde de distributie van krediet aan kleine stedelijke ondernemingen. Dit alles werd grotendeels gefinancierd door hogere belastingen op exportwinsten en hoge tarieven.

Het ‘eerste Batllisme’ werd toen gezien als een vorm van Zuid-Amerikaanse ‘sociaaldemocratie’ en was de trots van de Uruguayanen. Maar dat beeld klopte niet helemaal met de werkelijkheid. Zo bleven grote landgoederen behouden en ondersteunden de genomen maatregelen grotendeels de ontwikkeling van het nationaal kapitaal. In werkelijkheid was het batllisme gebaseerd op de welvaart van de agro-exportsector, die het hele herverdelingsprogramma financierde.

Batlles basisidee was om een economie op te bouwen die welvarend genoeg was om burgers hoop te geven op sociale mobiliteit en zo een gehechtheid aan de staat op te bouwen. Hij wilde een einde maken aan de strijd tussen caudillo’s en via institutionele hervormingen een democratisch systeem versterken.  “De ideologie van het Batllisme is fundamenteel die van de middenklasse”, schreef de Brit Martin Henry John Finch, auteur van een boek over historische economie over Uruguay (A Political economy of Uruguay since 1870, MacMillan, 1981). Die benadering zal centraal blijven staan in de geschiedenis van deze beweging: om zichzelf te beschermen moest het kapitalisme de democratie uitbouwen. In de jaren 1930 trof de crisis in de wereldgrondstoffenprijzen het systeem zeer hard, waardoor de conservatieven weer aan de macht kwamen. In 1933 ontstond er zelfs een vorm van burgerdictatuur onder leiding van president Gabriel Terra, een voormalige Batllist. De periode markeerde vervolgens een pauze in het hervormingsbeleid, die vooral gepaard ging met een onderdrukking van de looneisen. Maar in 1942 kwam de Colorado-partij weer aan de macht onder leiding van De neef van José Batlle, Luis Batlle.

Deze laatste zette het zogenaamde ‘tweede batllisme’ op, dat de sociale wetgeving verder verbeterde. In 1943 werden pensioenen toegekend aan plattelandsarbeiders en vanaf 1950 werden kinderbijslaguitkeringen uitgekeerd, gevolgd door een ziektekostenverzekering. In 1943 werden “Loonraden” opgericht om de loonniveaus vast te stellen. De nationalisaties van Britse bedrijven werden voltooid in 1948. Tegelijkertijd ontwikkelde het land een strategie die de strategie zou worden van vele staten in de regio op dat moment: industrialisatie door importsubstitutie. Om de industrialisatie te bevorderen, werden de importtarieven verhoogd en werden overheidsinvesteringen ondersteund.

Maar ook hier, zoals MHJ Finch opmerkt, “was de welvaart van de exportsector een voorwaarde voor het succes van het nieuwe batllisme zoals het dat voor het oude was geweest”. De Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog ondersteunden de exportsector: de Verenigde Staten en Europa hadden producten nodig die ze niet zelf meer konden produceren. Tussen 1942 en 1955 kende Uruguay een grote welvaart doordat de winsten van deze export de ontwikkeling van de lokale industrie en de aanhoudende consumptie kwamen ondersteunen. Deze welvaart trok zelfs Argentijnse en Braziliaanse spaargelden aan. In het midden van de jaren 1950 was het BBP per hoofd van de bevolking van het land voor het eerst in zijn geschiedenis hoger dan dat van Argentinië. Hoewel nog ver van het westerse niveau, wees alles erop dat er een inhaalslag aan de gang was. De industrie verdubbelde in tien jaar tijd in omvang. Uruguay kreeg toen de titel van “Zwitserland van Latijns-Amerika”.  Deze periode zal voor de meeste Uruguayanen een referentiepunt blijven. De verzorgingsstaat en de groei werden de kenmerken voor de identiteit van dit kleine land en dat bleef niet zonder enige jaloezie in een regio die gekenmerkt werd door een sterke instabiliteit.

De  ineenstorting van de Uruguayaanse economie

Maar Uruguay zal geen ‘Trente Glorieuses’ kennen. De jaren van 1955 tot 1973 waren de moeilijkste in de economische geschiedenis van het land. In Uruguay lag het BBP per hoofd van de bevolking in dollars in 1973 3,5 procent onder het niveau van 1955. Dit cijfer volstaat om de kracht van deze crisis samen te vatten, die duidt op een uitputting van het Uruguayaanse kapitalisme en bijgevolg ook op dat van het Batllist-model. Als dit model gebaseerd was op gedeelde welvaart als garantie voor hoe democratie werkt, wat ging er dan gebeuren als die welvaart zou verdwijnen? Deze vraag waarmee Uruguay te maken zal krijgen, is in feite de vraag die de wereld zich sinds 1973 stelt. Uruguay kreeg er eerder mee te maken.

Wat gebeurde er vanaf 1955? De enorme verzwakking van de exportsector zal de hele politieke economie van Uruguay destabiliseren. De welvaart van het vorige decennium was gebaseerd op uitzonderlijke elementen, grotendeels gerelateerd aan de onrust van de naoorlogse en Koreaanse oorlogsperiode. De prijzen van wol, vlees en landbouwproducten hadden recordhoogtes bereikt. Geleidelijk aan keerde de landbouw in landen die getroffen waren door het wereldconflict, met name in Europa, terug naar “normale” productieniveaus en overschreed deze snel dankzij een toename van de productiviteit. De prijzen begonnen dan te dalen.

Voor Uruguay was dit een ramp, ook al had de lokale productie die beschikbaar was voor export de neiging om te vertragen onder het dubbele effect van een poging om het landgebruik te diversifiëren en de toename van de binnenlandse vleesconsumptie. Onder invloed van zowel de prijs als het volume daalde de Uruguayaanse export tussen 1952 en 1959 met 43%. Toegegeven, het land werd sterk geïndustrialiseerd tijdens de jaren 1940 en 1950, maar deze beweging was fragiel. Ten eerste omdat een derde van de lokale industrie sterk verbonden was met de lokale landbouwproductie. Ten tweede omdat de strategie voor importsubstitutie zich had gericht op consumptiegoederen. Om deze goederen te produceren, was Uruguay sterk afhankelijk van technologie en energie uit het buitenland. De invoer van kapitaal en halffabrikaten nam in de periode 1945-55 dus sterker toe dan de invoer van consumptiegoederen. Dit dubbele effect leidde tot een sterke verslechtering van het externe tekort en neerwaartse druk op de peso, waardoor de invoer duurder werd. De industriële productie begon te dalen en de prijzen stegen. De inflatie, die tussen 1950 en 1955 ongeveer 11% bedroeg, steeg tussen 1955 en 1960 tot gemiddeld 24%. Maar er was nog een ander effect: stijgende prijzen en werkloosheid leidden tot een lagere binnenlandse vraag. De industriële ontwikkeling van Uruguay was uitsluitend gebaseerd op de binnenlandse markt. Deze toch al kleine markt werd onvoldoende, waardoor een golf van faillissementen in industrie en handel ontstond.

En hoe meer de crisis zich ontwikkelde, hoe meer het “Zwitserland van Latijns-Amerika zijn status als financieel toevluchtsoord verloor, terwijl de dollarreserves, eenmaal overvloedig, opdroogden. De Amerikaanse dollar, die in de late jaren 1930 minder dan 1 Uruguayaanse peso waard was, werd verhandeld voor 11,06 peso’s in 1960, 16,5 peso’s in 1963 en 200 peso’s in 1968. De banksector stortte in en de investeringen die daarmee gepaard gingen, terwijl de inflatie in 1968 boven de 100% per jaar uitkwam. De Uruguayaanse economie zat toen in een impasse. De levensstandaard daalde sterk en het Batllist-systeem, gebaseerd op de welvaart en dynamiek van het exportsysteem, verkeerde in een diepe crisis. De importsubstitutiestrategie was niet in staat gebleken een alternatieve bron van groei op te bouwen: de Uruguayaanse markt was te smal en te afhankelijk.

De politieke impasse

Politiek gezien waren de gevolgen van de economische crisis aanzienlijk. Zoals we eerder zagen, was de basis van het de naleving van de Uruguayaanse democratie onder het Batllisme gebaseerd op welvaart en herverdeling. Wanneer de groei verdween, werd dus het hart van het politieke functioneren van het land aangetast.

De politieke klasse probeerde de groei te herstellen om het behoud van het Batllistische regime te ondersteunen. In 1958 verloor de Colorado Partij haar eerste verkiezingen sinds 1903. De Blancos van de Nationale Partij benaderden het IMF om te proberen terug te keren naar het groeiscenario van eerder. Er werd een beleid van handelsliberalisering ingevoerd, met een devaluatie van de peso. Na een licht herstel van de groei in 1960-61 keerde de crisis terug: het handelstekort nam verder toe naarmate de invoer, die tot nu toe aan quota was onderworpen, explodeerde en de uitvoer zwak bleef. De inflatie die volgde, verminderde opnieuw de inkomens en in 1963 viel het land terug in een crisis. Het Uruguayaanse kapitalisme had een zware sociale zuivering nodig om zijn winstgevendheid en concurrentievermogen te herstellen, wat een liquidatie van het Batllist-regime impliceerde oftewel een zelfmoord voor de politieke klasse. In de jaren die volgden, zaten regeringen gevangen tussen een bevolking die gehecht was aan het Batllisme en oligarchen die er een einde aan moesten maken. Regeringen probeerden daarom een onmogelijk evenwicht te bewaren tussen bezuinigingsplannen en compenserende maatregelen door de ontwikkeling van openbare werkgelegenheid (vaak in een context van corruptie).

Een niet-bestaand links

De grote kracht van de Uruguayaanse politieke klasse was een gesloten institutioneel systeem. Blancos en Colorados vertegenwoordigden complexe netwerken van belangen die de publieke opinie domineerden. De twee partijen werden opgedeeld in tendensen (sub-lemas genoemd). De politieke verwarring over de standpunten van elke stroming was compleet.

Kiezers stemmen daarom eerst op ‘sub-lemas’. Na de grondwetsherziening van 1966, die de post van president herstelde, speelden de verkiezingen zich af in dit complexe systeem: elke “sub-lema” had een kandidaat, de stemmen van elke stroming van elke partij werden vervolgens opgeteld om de winnende partij te bepalen, en het was de kandidaat van de eerste “sub-lema” van deze partij die won. Zo’n systeem maakte politieke en economische keuzes juist heel onduidelijk. Vooral ook omdat Uruguayaans links niet bestond. In 1962 kregen de twee linkse partijen, de communisten en de socialisten (die toen links van het CPU stonden), slechts 6,5% van de stemmen. Ook hier speelde het batllistische erfgoed een belangrijke rol speelde. José Batlle y Ordóñez wilde de linkse tradities van Spaanse en Italiaanse migranten onschadelijk maken. Zijn beleid slaagde erin een groot deel van de arbeidersklasse en werknemers van het land te binden aan de Colorado-partij en, meer in het algemeen, aan het Uruguayaanse politieke systeem. In zo’n kader werd wel de sociale beweging versterkt, maar worstelde ze om zich politiek te vertalen. Vanaf het einde van de jaren 1950 werden stakingen, voornamelijk ter verdediging van de lonen, dagelijkse routine in Uruguay. De vakbeweging slaagde er in 1964 in zich te verenigen in de Nationale Confederatie van de Arbeid (CNT, niets te maken met de anarchistische vakbond van Spaanse afkomst). Maar om dezelfde redenen die hierboven zijn beschreven met betrekking tot links, weigerde de CNT in conflict te komen met de regering over haar economisch beleid. In 1967 was de situatie dan ook kritiek: regeringen leken niet in staat de economische crisis op te lossen, de democratie kon geen uitweg bieden en de sociale beweging weigerde politiek te worden. Het jaar 1968 leidde echter tot een escalatie van de sociale en politieke crisis.

Staat van beleg

Eind 1966 brachten de presidentsverkiezingen de Colorado-partij weer aan de macht met de verkiezing van Óscar Gestido tot president. Het jaar 1967 markeerde de terugkeer van een zeer hoge inflatie, die in de loop van het jaar meer dan 130% bedroeg, en het gevolg daarvan, een staat van bijna permanente staking om loonsverhogingen te eisen. In december bracht de plotselinge dood van Gestido vicepresident Jorge Pacheco Areco naar het presidentschap. Die laatste vertegenwoordigde een zeer conservatieve lijn. Om de looneisen van studentenprotesten (we zijn in 1968) tegen te gaan, besloot hij zijn toevlucht te nemen tot de staat van beleg, die de uitvoerende macht uitzonderlijke bevoegdheden gaf. Hij gebruikte deze bevoegdheden om de sociale beweging fel te onderdrukken en tegelijkertijd harde economische maatregelen te nemen, waaronder loonbevriezing. Deze beslissing was een duidelijke breuk met de Batllistische logica: voortaan moest het kapitalistische belang prevaleren boven de herverdelende logica. De repressie van de vakbonden en studenten werd beantwoord met harde stakingen en rellen. Verschillende mensen werden gedood, waaronder student Líber Arce, die op 8 augustus 1968 door de politie werd gedood en een martelaar werd voor de Uruguayaanse sociale beweging. Omdat Jorge Pacheco Areco de Batllistische consensus doorbrak, brak hij ook het fundament van de Uruguayaanse democratie. Vandaar de instelling van een staat van beleg en repressie. De oplossing lag blijkbaar buiten het institutionele kader en het kapitalisme. En toen ontstond de stadsguerrillabeweging Tupamaros, vernoemd naar de Inca-rebel tegen de Spaanse kroon, Túpac Amaru. Opgericht in de vroege jaren 1960, wordt het ook wel de Nationale Bevrijdingsbeweging (MLN) genoemd. Het idee was om de economische en politieke crisis te intensiveren door de staat te destabiliseren. In tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse guerrilla’s van die tijd, zoals die onder leiding van Che Guevara in Bolivia, baseerden de Tupamaros hun strategie op de gigantische stad Montevideo, een metropool die toen uit een miljoen van de 2,6 miljoen inwoners van het land bestond. Hun eerste acties bestonden voornamelijk uit het beroven van banken, soms om hun buit te herverdelen in de arme wijken van de hoofdstad, wat hen de bijnaam van guerrilla “Robin Hood” en de sympathie van een deel van de bevolking opleverde. Vooral omdat hun acties nauwelijks slachtoffers maakten. Vanaf 1968 intensiveerde de beweging haar acties: naast frequente ontvoeringen of bomaanslagen, werd ze bekend om een paar stunts zoals de overname van de stad Pando in oktober 1969 of, iets eerder, de brand van de General Motors-fabrieken ter gelegenheid van het bezoek van Nelson Rockefeller aan het land. Soms steunde de Tumaparos ook stakingsbewegingen, zoals toen zij in september 1969 bankier en kranteneigenaar Gaetano Pellegrini ontvoerden om de eis van de bankmedewerkers te ondersteunen.

Als reactie hierop raakte de regering ten koste van alles in paniek en begon de repressie. Hierin gesteund door de Verenigde Staten, die zich zorgen maakten over de populariteit van de Tupamaros en hun vermogen om het land te destabiliseren en een linkse regering aan de macht te brengen. Washington stuurde daarom adviseurs, zoals Dan Mitrione, om de repressie te organiseren. Dit vereiste het systematische gebruik van foltering, zoals bleek uit een parlementaire enquête in 1970. Het andere facet van de repressie was de organisatie rond extreemrechtse bewegingen, waaronder de Uruguayaanse Staande Jeugd (Juventud Uruguayana de Pie, JUI) van ware ‘doodseskaders’ die verantwoordelijk waren voor het liquideren van verdachten en linkse activisten. Daartegenover, ondanks de repressie en arrestaties, zetten de Tupamaros hun actie voort en slaagden erin om enkele spectaculaire ontsnappingen van hun kameraden te organiseren. De beweging was niet alleen zeer goed georganiseerd (De film van Costa-Gavras beschrijft met precisie de genomen voorzorgsmaatregelen en de meticulla-organisatie van de guerrilla’s), maar ze hadden  ook informanten die zeer goed geplaatst waren binnen het staatsapparaat. Het is in werkelijkheid een beweging van stedelijke middenklasse, juist die welke het Batllisme wilde overtuigen. De repressie nam nog toe. De regering maakte gebruik van de meest autoritaire methoden, maar dat leek allemaal geen effect te hebben. De Tupamaros bleven vrij populair en slaagden erin een deel van haar doelstellingen te bereiken: het creëren van politieke oppositie tegen het economische regime onder  Pacheco Areco.

Naar de afgrond

In 1971 verenigden de linkse partijen en de christendemocratische partij zich in het Frente Amplio (“Breed Front”) dat deed denken aan de alliantie die Allende in Chili steunde. De Tupamaros kondigden tijdens de verkiezingen een wapenstilstand af, terwijl velen vreesden voor een succes van links. Om dit offensief tegen te gaan, trok Pacheco Areco, die een herziening van de Grondwet nastreefde om zijn herverkiezing mogelijk te maken, zijn chequeboek open. Na drie jaar van repressie, censuur en opschorting van burgerlijke vrijheden lag de democratie van Uruguay in ieder geval aan diggelen.

Tegen de achtergrond van vermoedens van massale fraude gaven de verkiezingen van november 1971 slechts 18% van de stemmen aan het Frente Amplio tegen 22% aan de sub-lema van Pacheco Areco en 25% aan de belangrijkste Blanco-kandidaat, William Fereira die een felle tegenstander van het militaire regime zou worden. Omdat de Colorados iets meer stemmen hebben dan de Blancos, maar de zittende president er niet in slaagde om de grondwetswijziging te realiseren, die zijn herverkiezing mogelijk maakte, werd zijn runner-up, Juan María Bordaberry, president.

Met twijfelachtige legitimiteit

 Terwijl de economische situatie andermaal verslechterde, bevestigde het nieuwe staatshoofd de politiek van zijn voorganger en hevelde de strijd tegen de guerrilla over van de politie naar de militairen. Het Uruguyaanse leger had in de 20ste eeuw geen putschistische traditie. In 1933 had Gabriel Terra steun gevonden bij de politie voor zijn staatsgreep. Maar die neutraliteit was verbonden met de Batllistische consensus. Van het ogenblik dat die in het  gedrang kwam, was het leger bereid om de bestaande orde te verdedigen. Voor Bordaberry kwam het erop aan de sociale orde te herstellen om de loonkosten terug te drijven. Daarom moest hij de Tupamaros verslagen die voor in het land een linkse politiekwilden binnen brengen. Op 15 april 1972 verklaarde hij dat er in zijn land een binnenlandse oorlog heerste en hij gaf bevel om de guerrilla uit te roeien. In enkele maanden versloeg het leger met veel geweld de Tupamaros. Maar vanaf toen kon het ‘democratisch’ regime niet langer rekenen op het leger omdat er door de Tupamaros documenten werden vrijgegeven die de grote corruptiepraktijken op het hoogste niveau van de staat aantoonden. Wanneer Jorge Batlle, de zoon van Luis, in oktober 1972 de operaties van het leger afkeurden, werd hij gearresteerd en opgesloten door de militairen. De macht was nu grotendeels in handen van het leger.

De gebeurtenissen van 1973 illustreerden de afgang van de Uruguayaanse democratie, gebaseerd op de Batllistische consensus. Wanneer de economische crisis een regimecrisis was geworden, anders gezegd een in vraagstelling van de productiewijze, was de democratie fictie geworden die alleen nog ten dienste stond van de repressie. Dat is niet zo maar een stijlfiguur. In een verklaring van 27 juni 1973 vergoelijkte Juan María Bordaberry de repressie als noodzakelijk voor de verdediging van de democratie. De dictatuur werd voorgesteld als een middel om de democratie te redden. In werkelijkheid was de militaire dictatuur in Uruguay zoals in Chili en Argentinië een middel om het winstprincipe in de economie te redden. Los van alle vakbonden, van politieke steun en van zowat elk drukkingsmiddel zagen de Uruguayaanse loontrekkenden hun loon tussen 1973 en 1977 hun loon verminderen met ongeveer dertig procent. Ze zullen moeten wachten tot de terugkeer van de democratie in 1985 en, na de financiële crisis in 2002, op de komst van het Frente Amplio tussen 2005 tot 2020. Pas met de oude Tumaparo Pepe Mujica als president tussen 2020 en 2015 vond het land stilaan een evenwicht vond, maar dan wel in een neoliberale context.

De les die uit die episode in de geschiedenis van dat kleine land kan getrokken worden is belangrijk. Ze leert dat de formele democratie helemaal geen garantie is wanneer de kapitaalsaccumulatie in gevaar is. Om de illusie van het bestaan van een formele democratie te ‘redden’ die onderhevig is aan een structurele economische crisis mogen de meest autoritaire middelen aangewend worden. Onze democratieën zouden eens meer mogen nadenken over wat zich vijftig jaar geleden in Uruguay heeft voorgedaan.

Print Friendly, PDF & Email

Relevant

Pepe Mújica neemt afscheid van de politiek.

“Om te overwinnen hoef je niet te winnen” De 85-jarige ex-President van Uruguay zou best wel verder willen doen, maar ‘de pandemie bedreigt me langs alle kanten’. Er is…

Print Friendly, PDF & Email

Uruguay: een kale verkiezing?

Ecuador, Venezuela, Bolivië, Chili, Argentinië … het was wel even geleden dat Latijnsamerikaanse landen zo sterk in de actualiteit stonden. Het is inmiddels duidelijk dat de ‘roze vloedgolf’ weliswaar…

Print Friendly, PDF & Email

Uruguay wil geen vrijhandelsakkoord

Uruguay heeft beslist niet langer deel te nemen aan de onderhandelingen voor het vrijhandelsakkoord TISA. Dat akkoord gaat over de privatisering van de openbare diensten. Voorlopig is Uruguay het…

Print Friendly, PDF & Email

Laatste bijdrages

In ‘oostelijke’ EU is links verdampt

De fractie van S&D (sociaaldemocraten) blijft veruit de tweede grootste in het EU-parlement. Maar onder die 140 gekozenen zitten bitter weinig afgevaardigden uit nieuwe lidstaten van Centraal-Europa en de…

Print Friendly, PDF & Email

Spanje: Genoeg gefeest!

De 17,8 miljoen Spaanse stemmen voor de Europese verkiezingen veroorzaakten voorbije zondag geen aardverschuivingen. Dat werd, na de verschillende nationale, regionale en lokale verkiezingen die in Spanje plaatsvonden het…

Print Friendly, PDF & Email

De steeds meer gefantaseerde oorlog om Gaza.

Ergens lijkt de teller te blijven, stilstaan. Nog steeds hebben, we het over “meer dan 36.000” dode Palestijnen in Gaza, ondanks de onophoudelijke Israëlische raids en bombardementen en de…

Print Friendly, PDF & Email
De Vlaams-Bourgondische bijdrage aan de Portugese ontdekkingsreizen in de 14de en 15de eeuw

You May Also Like

×