Twee visies op Standplaats Islamabad/New Delhi

Sacha Kester. Van onze correspondent Standplaats Islamabad / New Delhi. KIT Publishers, Amsterdam, 219 blz.

Recensenten zijn het niet altijd eens over de waarde van een boek. Een goed voorbeeld is het boek van Sacha Kester. Twee redactieleden van Uitpers lazen het en gaven er hun tegengestelde mening over. Aan de lezer om te oordelen.

Van onze correspondent ter plaatse

door Ludo De Brabander

Pakistan, India: typische landen die je gewoonlijk enkel in het nieuws kreeg bij een treinongeluk of overstroming waarbij het aantal slachtoffers minstens 10 maal hoger moet liggen dan in eliteland Verenigde Staten. Maar aan die stelregel lijkt tegenwoordig een einde te komen.

Er is Bush’ ‘oorlog tegen de terreur’ of de opkomst van militante Salafisten met Pakistan, grenzend aan Afghanistan, op verschillende wijzen in een hoofdrol. India is dan weer de economische grootmacht in opkomst maar met persisterende armoede en lijkt op een andere manier op veel goodwill van de VS te kunnen rekenen zoals onlangs nog bleek uit de nucleaire deal die India uit de pariapositie van illegale kernmacht moet halen. Sacha Kester verbleef in beide landen als jonge correspondente. Een pragmatische keuze want als beginnende freelancer moest ze een regio kiezen waar het niet nokvol journalisten zit, ook al is daar objectief geen reden toe. 11 september en de daaropvolgende oorlog in Afghanistan zouden daar overigens verandering in brengen. Kester zou van Islamabad niet alleen haar uitvalbasis maken voor trips naar Afghanistan, maar al gauw veel verhalen te vertellen hebben over Pakistan zelf, waar de strengreligieuze coalitie MMA aan invloed won.

Kester maakt geen droge politieke analyses, maar vertelt verhalen over mensen omdat “een verhaal van een vrouw uit de sloppenwijk soms meer duidelijk maakt over de beperkingen van de economische groei dan een grafiek met cijfertjes”. En ze slaagt daar goed in, zoals blijkt uit het relaas over haar schoonmaakster Sunita dat de hardnekkigheid van het Indische kastensysteem blootlegt of het praatje met de moskeeopzichter Shadab die vrienden en familieleden heeft verloren tijdens de rellen tussen moslims en Hindoes in 2002. De journalistieke verhalen vormen mooie illustraties bij de actualiteit. Een tandarts in Peshawar veroordeelt de aanslagen in New York, maar geeft ook een verklaring voor de populariteit van Osama bin Laden. “Hij is een goede moslim en zal dus nooit onschuldige mensen vermoorden”. In Pakistan is de theorie dat de aanslagen deel uitmaken van een zionistisch complot, een breed gedragen opvatting. In het land zelf gaat de radicalisering gepaard met groeiende incidenten op religieuze basis. En dat is niet verwonderlijk, zo laat ze een directeur voor het Instituut voor Duurzame Politiek vertellen: “Onze president heeft de mond vol van een verdraagzame en moderne samenleving, maar de stof die onze kinderen voorgeschoteld krijgen dient het tegenovergestelde doel. Historische onjuistheden en de verheerlijking van geweld voeren de boventoon in onze schoolboeken”. Kester laat wel doorschijnen dat ze met veel dingen niet eens is zoals de achteruitstelling van de vrouw in India en Pakistan, het fenomeen van de bruidschat of de boom van de Indische economie zonder dat de armen daar echt van profiteren, maar ze doet dat niet met het gemakkelijk veroordelend vingertje. Ze brengt nuance aan, gebalanceerde portretten, ze probeert te verklaren en te doen begrijpen. India en Pakistan zijn trouwens landen die je tegelijk kan haten en lief hebben, zoals ze zelf stelt aan het begin van het boek.

Van onze correspondent Standplaats Islamabad / New Delhi (KIT Publishers, Amsterdam, 219 blz.) is een boeiend en zeer toegankelijk geschreven boek dat inzicht brengt over de complexiteit van twee naties die op gespannen voet leven. Een mooie aanvulling bij je reisgids overigens, als je van plan bent om er naartoe te trekken.

Blanke reporter op een drafje door Pakistan en India…

door Wim De Neuter

Wie in Nederland snel, maar slecht wil eten, haalt zich een kroket uit de muur. Met de stellige zekerheid dat het gegarandeerd rotzooi zal zijn. Dus hoeft niemand achteraf te komen klagen. Hetzelfde geldt de dag van vandaag voor nogal wat Nederlands journalistiek werk, ook als het in boekvorm op de markt wordt gepleurd. Wie eraan begint weet wat hem te wachten staat: fastfoodjournalistiek.De Nederlandse ‘kwaliteitskranten’ maken er stilaan een handelsmerk van. Hun voorbeeld wordt helaas gretig opgevolgd door het Vlaamse krantenbedrijf. De Nederlandse journaliste Sacha Kester (vier jaar correspondente geweest in India, Pakistan en Afghanistan voor de Volkskrant, de Wereldomroep, het NOS Journaal en het weekblad Elsevier) heeft net haar boek ‘Standplaats Islamabad / New Dehli’ uit. En wat blijkt? Het einde van de verloedering en verslonzing van het journalistenvak is voorlopig nog niet in zicht.

Stel even: een Pakistaanse journalist uit Karachi, Lahore of Rawalpindi en/of zijn Indiase collega uit Mumbai, Dehli of Kolkata worden door hun hoofdredacteurs naar Europa gezonden. Veel troeven hebben ze niet in huis. Ze spreken (laat staan begrijpen) nauwelijks één Europese taal. Ze beheersen alleen hun eigen moedertaal. Ze hebben er nauwelijks enig benul van hoeveel Europeanen of hoeveel verschillende Europese talen er zijn. Maar ze worden door hun ‘kwaliteitskrant’ tot correspondent gebombardeerd en moeten verslag uitbrengen over politiek, maatschappij, economie, cultuur en nog een zak vol onderwerpen over landen die ze nauwelijks op een wereldbol terugvinden. Vandaag zitten ze in Londen, morgen in Parijs, overmorgen in Berlijn en even tussendoor naar Madrid, Lissabon, Rome, Athene.

Geen enkele Britse, Franse, Duitse, Nederlandse, Spaanse of Italiaanse collega zou hen au sérieux nemen. Hoongelach zou hun deel zijn. Omgekeerd werkt het echter anders. Britse, Franse, Duitse, Nederlandse, Spaanse of Italiaanse journalisten worden zonder veel bezwaren uitgezonden naar gebieden waarvan ze zo goed als niets weten. Ze brengen verslag uit over hele of halve continenten waar honderden miljoenen mensen leven met eigen talen en culturen, in een vaak zeer complexe maatschappelijke en politieke omgeving. In het geval van de Nederlandse verslaggeefster Sacha Kester ging het – om slechts even de ware proporties van haar correspondententaak te schetsen – over meer dan een miljard inwoners van de megastaat India, 152 miljoen Pakistanen en net geen 30 miljoen Afghanen (want af en toe stond ook Afghanistan op haar job description).

Maar met enige Hollandse assertiviteit is zelfs de onmogelijkste klus te klaren. De Vlaming Geert van Istendael heeft deze zo geroemde Hollandse deugd ooit eens treffend samengevat: een Nederlander beschouwt de wereld als een Hollandse achtertuin en andere landen kunnen maar beter snel op Holland gaan lijken. (1) “Als je maanden achtereen temidden van armoede, geweld en ellende leeft,” schrijft Sacha Kester, “is het bijzonder prettig om bij te komen in een omgeving waar je zintuigen even met rust gelaten worden.” Islamabad is voor de Nederlandse correspondente een van die zeldzame plekken, waar het leven “niet al te saai” is.

‘Een leven zonder … kaas…’

“Ook winkelen was hier fijn, zeker vergeleken met Dehli waar de supermarkten niet veel voorstelden: dat waren kleine kruideniers met allerlei schimmige producten op stoffige planken. De enige supermarkt die ik in mijn omgeving had gevonden was er zo een waar de zakken met bloem en rijst de gangpaden versperden, maar waar je met geen mogelijkheid een bouillonblokje kon krijgen – laat staan zoiets als pesto of kaas. Voor het vlees ging je naar een man die levende kippen in een kooi had staan en geiten aan een haak had hangen. Varkensvlees was bijna niet te vinden omdat de meeste slagers moslim zijn. En rundvlees was per definitie verboden in het land van de Heilige Koe. Voor groente ging je naar de markt. En, voor melk naar een regeringsstalletje dat twee keer per dag geopend was en waarvoor mensen in de rij stonden om een blikje vol te laten tappen. Het punt was dat de Indiase markt zichzelf nogal beschermde en er dus geen producten geïmporteerd mochten worden. Coca Cola en Pepsi Cola bijvoorbeeld, waren jarenlang niet verkrijgbaar omdat er zoiets was als het Indiase Thums Up, een ongelooflijk smerig brouwsel dat alleen qua kleur iets van cola weg had. Maar in Pakistan was dat niet het geval. Daar lag alles (stevig geprijsd, dat wel) waar ik ruim een jaar alleen van had kunnen dromen, gewoon in de winkel. Toen ik daar voor de eerste keer met mijn Britse huisgenote stond, moeten de andere bezoekers gedacht hebben dat we volledig gestoord waren. We stonden te krijsen van opwinding. ‘Gerookte zalm, Helen, ze hebben GEROOKTE ZALM!’; ‘Sacha? Zie je dat, er is hier HAVERMOUTPAP!!!!’. (…) En ze hadden kaas, en een echte slager met lapjes vlees achter een toonbank. Een bakker met Echt Brood en Gebakjes. En supermarkten waar ze ook cranberrycompote verkochten, of Worcestershiresaus, en verschillende soorten olie en azijn. Ik kon weer echt gaan koken!”

En zo gaat wereldreizigster Kester nog een tijdje door. “Natuurlijk was Islamabad verder saai. Er waren geen cafés want alcohol was bij wet verboden. Voor buitenlanders en christenen werd wel een uitzondering gemaakt, dus die mochten het in beperkte mate thuis consumeren, maar in het openbaar kon zoiets natuurlijk niet. Alleen in de discotheek van het Marriothotel, een droevige kelder met keiharde muziek en hier en daar een verdwaalde zakenman, kon je wijn en bier bestellen. Verder hadden enkele clubs, zoals de VN-club en de French Club (van de Franse ambassade) een vergunning, maar daar mochten geen Pakistanen mee naar binnen. Er waren een paar aardige restaurants in de stad maar op een gegeven moment heb je die wel gezien…”

‘Een mens moet toch wat…’

Als Nederlandse journaliste weet Sacha Kester uiteraard dat er zoiets bestaat als ‘politiek correct’ (alhoewel steeds minder van haar landgenoten – zeker in het journalistenvak – zich daar bovenmatig om bekommeren). “Het zal wel vreselijk oppervlakkig en etnocentrisch van me zijn,” vermoedt ze van zichzelf, “maar ik vond het heerlijk om met een tijdschrift in mijn hand een yoghurtshake te kunnen drinken en aan de praat te raken met een groep studenten.”

“Pas toen ik meer tijd in Pakistan ging doorbrengen, werd het sociale leven echt schraal. In Dehli had ik binnen een paar weken mensen leren kennen die een paar jaar later waren uitgegroeid tot echte vrienden. Toegegeven, het waren bijna allemaal journalisten, of vrienden van die journalisten, maar je kwam elkaar in elk geval tegen en er waren een paar plekken waar je een borrel met elkaar kon drinken.”

Leven tussen een miljard Indiërs en 152 miljoen Pakistanen… het is geen lachertje, als we Kester mogen geloven. “In Pakistan was, op een hele rits dhaba’s na, praktisch écht helemaal niks. In Islamabad had je de enige discotheek van het land, ook hier gezeteld in een vijfsterrenhotel, en dat was bijna altijd leeg. Verder had je een handvol restaurants waar ze allemaal dezelfde kaart hadden, maar daar ga je, zeker als vrouw, ook niet in je uppie zitten. En ja dat was eigenlijk het hele aanbod.”

Tot overmaat van ramp blijken er in Pakistan voornamelijk Pakistanen te wonen. En Sacha Kester is er al gauw achter dat dit niet meteen de interessantste mensensoort is. “Natuurlijk kwam ik dankzij mijn werk in aanraking met Pakistaanse vrouwen, maar laten we eerlijk zijn, een vriendschap ontstaat bij de gratie van dingen die je met elkaar gemeen hebt. Hetzelfde gevoel voor humor of een liefde voor dezelfde boeken. Iemand die met dezelfde vragen worstelt en met wie het nog klikt ook. Of iemand bij wie je je direct op je gemak voelt en met wie je schaamteloos kunt hangen en domme films kunt kijken.”

Vier jaar om den brode in zo’n achterlijke uithoek als Pakistan of India moeten verblijven, het is een vreselijke kwelling, een echte hondenstiel. Sacha Kester klaagt steen en been: “Ik moest het hebben van de ‘internationale gemeenschap’, waar af en toe een feestje werd gegeven. De Amerikanen hadden één keer in de zoveel tijd een borrel op hun compound. De Britten hadden elke maand ‘open huis’ in hun bar bij de ambassade. De Nederlanders gaven soms een feestje bij hen thuis. Dat was erg gezellig, maar echte vriendschappen ontstonden hier (op die ene uitzondering na) ook niet. Gelukkig waren de dvd’s gemakkelijk verkrijgbaar en erg goedkoop. Hele avonden zat ik achter mijn laptop en bekeek ik de ene na de andere film, van horror tot Disney. Een mens moet toch wat.”

Leven onder de inboorlingen…

Ik kan er echt niets aan doen, maar bij mij roept dit soort jeremiaden herinneringen op aan een verloren gewaande tijd. In de jaren vijftig en zestig hoorde ik wel eens verhalen van kolonialen (missionarissen, onderwijzers en andere ambtenaren die om den brode naar de Belgische kolonie Kongo trokken) die ook maar niet uitgepraat raakten over het saaie leven in verre landen, waar niets te beleven viel en waar alleen maar ergerlijke inboorlingen te vinden waren.

En inboorlingen zijn niet te vertrouwen – dat was al zo in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw, vandaag is het niet anders. “Niet alleen de autoriteiten, maar ook gewone mensen kunnen een heel ander deel van De Waarheid opdissen als je ze om een reactie vraagt,” weet Sacha Kester. “Een mullah weet dondersgoed dat hij een westerling beter niet kan vertellen dat een deel van zijn studenten staat te popelen om in Afghanistan te vechten. ‘De islam staat voor vrede,’ kauwt hij je dan voor. Maar ook degenen zonder een direct belang laten informatie weg of voegen juist iets toe: mensen vinden het vervelend als een buitenstaander een negatief beeld krijgt van zijn land. Zó erg is het allemaal niet met die armoede, het geweld of het kastenstelsel, zeggen ze dan. ‘Dat wordt overdreven om ons land een slecht imago te geven.’ Kortom: zowel politici, als mullahs als een doorsnee winkelier hebben hun eigen agenda als ze met een buitenlandse journalist praten. En dat geldt ook voor tolken. Je moet je altijd weer afvragen of diegene wel letterlijk vertaalt wat er gezegd wordt, of dat hij een paar schoonheidsfoutjes achterhoudt en er een mooier verhaal van maakt. Het beste is natuurlijk om zonder tolk te werken, maar dat was voor mij bijna onmogelijk. Toen ik naar India ging, sprak ik geen woord Hindi (…) En dan heb je behalve Hindi ook nog Urdu, Punjabi, Kanada, Tamil, Pashto en Sindhi. Om maar een paar talen te noemen.”

Journalistiek en money…

Het leven van een Nederlandse correspondente is niet makkelijk. De Volkskrant is nu eenmaal geen Washington Post of New York Times en het NOS-Journaal is CNN of de BBC niet. Voor Sacha Kester is dat een permanente bron van frustratie geweest in India, Pakistan en Afghanistan. Voor een Hollandse journaliste is het behelpen. “Een paar keer per jaar was een ramp die door de persbureaus werd gemeld ernstig genoeg om de aardappelen direct uit mijn handen te laten vallen en naar de luchthaven te rijden,” vertelt Kester met oerhollandse nuchterheid. “Een Nepalese kroonprins die zijn familie had uitgemoord – op een enkele oom na. Slachtpartijen in Gujarat. Een aardbeving met tienduizenden doden. En elf september natuurlijk. Meestal kom je dan op een belachelijk tijdstip aan in een stad waar je nooit eerder bent geweest. Dan biedt een ordinaire reisgids uitkomst. Jongens en meisjes van de grote bedrijven, zoals de BBC of The New York Times, rijden vanaf het vliegveld direct door naar het plaatselijke vijfsterrenhotel, maar ik hoefde bij mijn afnemers niet aan te komen met een declaratie van een paar honderd dollar per nacht. En dus blader je door die gids, op zoek naar steekwoorden als ‘telefoon op de kamer’, ‘satelliettelevisie’ en ‘airconditioning’.”

“Een andere ergernis was het eeuwige gezeur over verzekeringen,” schrijft Kester. “Natuurlijk is het prachtig dat een bedrijf het belangrijk vindt dat je goed verzekerd bent in oorlogsgebied. Maar op een gegeven moment ontstond de situatie dat een verzekeringsmaatschappij onze journalistieke keuzes bepaalde.”

Het is een van de zeldzame ogenblikken waarop Sacha Kester ons een echte blik gunt achter de schermen van het krantenbedrijf.

“Zuid-Azië is geen gemakkelijke regio om te wonen,” schrijft Kester. Ergens in het midden van het boek waarschuwt ze ons: “Ik doe geen poging om iets te verklaren, ik schets alleen wat ik ben tegengekomen. Wat mensen tegen me hebben gezegd. Wat me het meest heeft geschokt. En al doe ik zo mijn best om dat zo objectief mogelijk weer te geven, ik blijf altijd mijn eigen westerse achtergrond met me meeslepen, waardoor mijn waarneming bij voorbaat al gekleurd is.” Alsof ze zelf wist dat ze met ‘Standplaats Islamabad / New Dehli’ een vrij waardeloos boek naar de drukker bracht. Ze had het haar lezers kunnen besparen. Wie iets meer wil weten over India, Pakistan of Afghanistan zal naar een ander boek moeten uitkijken.

(Uitpers, nr 89, 9de jg., september 2007)

Voetnoot:

(1) Geert van Istendael, ‘Mijn Nederland’, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2005.

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=493598&refsource=uitpers