Twee veiligheidsconcepten. Enkele ideeën over de fusie van de ontwikkelings- en veiligheidsagenda’s

De link die wordt gelegd tussen vrede en veiligheid is verre van nieuw. De Constitutie van de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) werd bijna een eeuw geleden geschreven en stelt dat vrede onmogelijk is zonder sociale rechtvaardigheid. Het Handvest van de Verenigde Naties van 1945 vermeldt ontwikkeling als een middel tot vrede.

In de resolutie van de VN ter gelegenheid van het eerste decennium voor ontwikkeling (1961) en in de VN-verklaring van 1969 over sociale vooruitgang, vindt men de idee terug van de onderlinge afhankelijkheid tussen de naties, samen met vrede en veiligheid. De meer recente Ontwikkelingsagenda van 1997 verklaart eveneens duidelijk dat ‘ontwikkeling niet kan worden bereikt bij zonder vrede en veiligheid’(1)

Bij het begin van de 21ste eeuw is deze band meer geworden dan een abstracte referentie. Hij wordt een materiële realiteit. De redenen daarvan kunnen gevonden worden in een reeks initiatieven, waaronder een verschuiving in de activiteiten van de strijdkrachten, een nauwere samenwerking van ngo’s en het leger in de context van humanitaire bijstand, en een nieuw discours over “mislukte staten” en “goed bestuur”.

In dit artikel bekijk ik deze ontwikkelingen in een poging hun onderliggende betekenis te begrijpen. Eerst wil ik de nieuwe definitie van ‘veiligheid’ analyseren en de klaarblijkelijke tegenstrijdige ontwikkelingen die dit meebrengt. Enerzijds wordt veiligheid geherdefinieerd in niet-militaire termen, anderzijds worden internationale strijdkrachten meer en meer betrokken in zgn. missies voor “vredesopbouw”. Ten tweede wil ik de nieuwe definities van ‘ontwikkeling’ onder de loep nemen. Economische en sociale ontwikkeling zijn aan het verdwijnen en maken plaats voor “armoedebestrijding”, die gepaard gaat met steeds strengere voorwaarden voor “goed bestuur”. In gebieden die getroffen werden door conflicten of natuurrampen, brengen ngo’s humanitaire hulp, waarbij ze dikwijls worden geholpen en/of beschermd door militairen.

Deze belangrijke trends in het discours én in de praktijk over ontwikkeling en veiligheid kunnen ofwel bijdragen tot een echte holistische ontwikkelingsbenadering, waarin vrede, democratie en sociale rechtvaardigheid tegelijkertijd worden gepromoot, ofwel leiden ze tot een herkolonialisering van zgn. “mislukte staten” en de introductie van neoliberaal vrije markt kapitalisme. De concepten van ‘ontwikkeling’ en ‘veiligheid’ staan centraal in al deze veranderingen, aangezien alle maatschappijen, in alle omstandigheden, een of andere bescherming nodig hebben. Of die bescherming militair of sociaal wordt, dat is de grote uitdaging waar de samenlevingen nu het hoofd aan moeten bieden.

‘Veiligheid’ her-definiëren

Sedert de jaren 1980 en de ‘détente’ in de Koude Oorlog is ‘veiligheid’ op nieuwe manieren benaderd. In de context van het Helsinki Forum en de opkomende OVSE (Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa) werd veiligheid eerder in coöperatieve dan in conflicterende termen gezien en werd ze gelinkt aan de onderlinge afhankelijkheid van de naties. Niettemin bleef deze veiligheid nog altijd een zaak voor de strijdkrachten. In de jaren 1990 werd veiligheid meer en meer gedefinieerd in niet-militaire termen(2). In 1994 lanceerde het UNDP (Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties) zijn concept van ‘menselijke veiligheid’, parallel met zijn ‘menselijke ontwikkeling’. Menselijke veiligheid heeft betrekking op voedselveiligheid, goede gezondheid en een veilige omgeving, persoonlijke en gemeenschappelijke veiligheid en uiteindelijk politieke veiligheid. Deze visie op veiligheid heeft geen band grondgebied of met het leger, maar ze is bedoeld om betekenis te hebben in het dagelijks leven van de mensen(3)

In 2004 stelt het ILO een concept van ‘economische veiligheid’ voor, met inbegrip van een reeks elementen om mensen degelijk werk te geven, met sociale bescherming en mogelijkheden van persoonlijke zelfrealisatie via werk(4). Tegelijkertijd verdween het concept van ‘sociale zekerheid’ uit het discours van de VS en van de Bretton Woods-organisaties (5).

Die nieuwe definities van veiligheid komen allemaal dichter bij het begrip van ontwikkeling en sociale vooruitgang. Ze zijn bedoeld om de mensen een mogelijkheid te geven om te leven in een veilige omgeving zonder vrees voor armoede.

Een tweede element dat moet worden vermeld in deze ‘herdefiniëring van veiligheid’ is het einde van de koude oorlog. Ondanks de vele conflicten tussen staten – de conflicten in het gebied van de Groten Meren in Afrika, de Verenigde Staten tegen Afghanistan en Irak enz. – wordt het einde van het ideologische conflict tussen Oost en West ook geïnterpreteerd als het begin van een verschuiving van conflicten tussen staten naar conflicten in staten(6). Het einde van de Koude Oorlog deed ook de hoop rijzen op een betere ontwikkelingssamenwerking en voor een beter functioneren van alle multilaterale organisaties, te beginnen met de VN. Het einde van de ideologische oorlogsvoering tussen landen werd verondersteld het begin te zijn van betere samenwerking. Maar de VN werd geconfronteerd met nieuwe moeilijkheden door het uitbreken van conflicten in staten. Acties voor het handhaven en voor het opbouwen van vrede mogen dan welkom zijn, de internationale gemeenschap kan de soevereiniteit van naties niet schenden door tussenbeide te komen in interne conflicten. Toch vragen verschillende ngo’s een “humanitaire interventie” als de mensenrechten in een land op grote schaal worden geschonden. Sommige missies in Afrikaanse landen – Rwanda, Liberia, Sierra Leone, Somalia… – zoeken een moeilijk evenwicht tussen rehabilitatie en preventie enerzijds en humanitaire hulp anderzijds. De focus op conflicten binnen staten impliceert onvermijdelijk een mogelijkheid van militaire interventies in landen en meer aandacht voor ontwikkeling en sociale zaken.

Een derde element, dat verbonden is met het vorige, is de kwestie van nieuwe conflicten in ‘mislukte staten’, waar het staatsapparaat is verzwakt of zelfs geheel verdwenen is en waar er geen mogelijkheid is voor heropbouw zonder hulp van buitenuit. Somalia is ongetwijfeld het beste voorbeeld van zo’n situatie, alhoewel men niet mag vergeten dat een Amerikaanse militaire interventie er jammerlijk faalde. Andere voorbeelden zijn Rwanda, Burundi, Sierra Leone, Liberia, Oost-Timor en Haïti, waar pogingen worden gedaan om de instellingen herop te bouwen en om de economie te reorganiseren. Niettemin, ook al kunnen ‘mislukte’ of ‘fragiele’ staten een ernstige bedreiging voor de veiligheid vormen wegens hun onvoorspelbaarheid, wordt er weinig onderzoek gedaan naar de oorzaken van dit mislukken.

Het einde van de Koude Oorlog en het wegvallen van de steun van de supermogendheden kan heel wat ongeregeldheden verklaren. Maar er wordt weinig aandacht geschonken aan de gevolgen van de neoliberale politiek van ‘structurele aanpassingen’, die de traditionele mechanismen van natievorming – subsidies, openbare werkgelegenheid en openbare diensten, sociale zekerheid enz. – hebben uitgeschakeld en dikwijls geleid hebben tot verarming van grote bevolkingsgroepen. Ook kan de privatisering van de economie leiden tot ernstige conflicten voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen, zoals dat het geval geweest is in Afrika met goud, diamanten en coltan.

Het herdefiniëren van veiligheid is dus zeker zeer welkom, alhoewel de belangrijkste trends nog niet duidelijk zijn. Enerzijds is veiligheid meer gericht op mensen en is het nauw verbonden met ontwikkeling en sociale vooruitgang. Anderzijds zijn er meer interne conflicten en ‘fragiele’ staten die dikwijls om militaire interventies vragen. Als veiligheid en ontwikkeling conceptueel naar elkaar toe groeien, kunnen deze militaire interventies talrijker worden. Als het gaat om ‘ontwikkeling’ of ‘armoedebestrijding’ zal de soevereiniteit van naties nooit in de weg mogen staan.

Ontwikkeling her-definiëren

De ontwikkelingsagenda van de jaren 1960 en 1970 werd vooral bepaald bij de VN, waar de nieuwe onafhankelijke staten de meerderheid hadden gekregen in de Algemene Vergadering(7). Ontwikkeling werd gedefinieerd als een nationaal project voor collectieve emancipatie, dankzij economische modernisering, sociale vooruitgang en democratisering. Het doel was de kloof tussen rijke en arme landen te dichten om zo op gelijk niveau te komen in de VN en in de andere multilaterale organisaties. Deze ontwikkelingsbelofte werd nooit ingelost, en ze werd fel bekritiseerd zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde. Niettemin hadden de twintig jaar tussen 1960 en 1980, vergeleken met de periode 1980-2005, een hogere economische groei en leverden ze snellere sociale vooruitgang op(8).

In 1982 begon de crisis van de buitenlandse schuldenlast en de invoering van de structurele- aanpassingsprogramma’s. In 1990 kwam de vermindering van de armoede op de agenda en dat leidde, tien jaar, tot de PRSP’s (Poverty Reduction Strategy Papers) van de Wereldbank en het IMF (Internationaal Muntfonds) en tot de MDG (Millennium Development Goals of Millenniumontwikkelingsdoelstellingen) van de VN. Deze armoede-agenda ging volledig voorbij aan de economische en sociale ontwikkeling zoals die werd begrepen in de jaren ’60 en ’70. De laatste definitie van ‘economische ontwikkeling’ van de Wereldbank dateert van 1991(9). Alle eisen van de arme landen – industrialisering, betere handelsvoorwaarden, rechtvaardige prijzen voor grondstoffen, een aandeel in de dienstensector, technologie-overdracht, en controle op de multinationals… – zijn van de agenda verdwenen. Armoede is zodanig geconceptualiseerd dat de oplossing van het probleem de neoliberale agenda van de Bretton Woods-instellingen is(10). Vandaag worden de concepten van ontwikkeling en armoedebestrijding gebruikt alsof ze synoniemen zijn.

Vandaag wordt armoede niet beschouwd als een sociaal probleem, maar als een probleem van individuen zonder toegang tot de markt. Arme mensen zijn degenen die achtergelaten zijn door de economische groei ten gevolge van slecht bestuur, discriminatie enz. Bijgevolg is de beste manier om armoede te bestrijden deze mensen in de markt te integreren. Naast onderwijs, gezondheid en hygiëne is er, volgens de internationale organisaties, geen sociale politiek nodig. Armoede moet worden verminderd door een degelijke macro-economische politiek, die de markten goed doet werken. Sociale zekerheid, minimumlonen of herverdelingspolitiek worden als privileges van de formele werkers beschouwd en als schadelijk voor de armen. Vermindering van de armoede bestaat dus niet in de correctie van de neoliberale politiek, maar wordt er in feite juist de legitimering van. Vandaag wordt de politiek van vrijhandel, privatiseringen en economische groei gepromoot in de naam van de armoede. Er bestaat echter totnogtoe geen empirisch bewijs van dat ze de armoede verminderen.

Armoede wordt ook als een ‘bedreiging’ opgevat – een ‘sociale bom die de atoombom vervangt’ volgens Juan Somavia, of een ‘systeemrisico’ volgens Michel Camdessus(11). Armoede wordt voorgesteld als de spil van een hele reeks onderling afhankelijke problemen als migratie, milieuvervuiling, bevolkingsgroei, aids, misdaad en, meer recent, terrorisme. Het betekent dat armoedebestrijding ook synoniem is met het bestrijden van een dreiging. Armoede wordt gelinkt aan sociale instabiliteit en conflicten. Volgens de Wereldbank moet het beleid gericht zijn op het vermijden van niet-duurzaamheid.

Het concept van sociale bescherming dat is ontwikkeld door de Wereldbank is vooral ‘risico-management’. Alle soorten ricico’s worden op een hoopje gegooid, of het nu gaat om natuurrampen of een macro-economische schok, werkloosheid, ouderdom of ziekte. Volgens de Wereldbank kunnen deze risico’s niet worden vermeden maar enkel gemilderd en eventueel, als er iets gebeurt, moet men er het hoofd aan bieden (12). De economie wordt als een deel van de natuur beschouwd. Ze volgt ‘wetten’ die we niet kunnen veranderen maar die we moeten bestuderen om te leren hoe ze werken. Sociale en ecologische zaken zijn onderdeel van een brede portefeuille van kapitaalgoederen die de regeringen moeten beheren. Dit kapitaal kan worden gebruikt, maar het mag niet overgeëxploiteerd worden om problemen en conflicten te vermijden. In die zin is armoedebestrijding niets meer dan een manier om conflicten te vermijden(13).

Armoedevermindering gaat er dus om een bedreiging en een conflict te vermijden. Het is een begrip dat ‘ontwikkeling’ heeft vervangen en dichter bij veiligheid komt. Daarom willen de rijke landen rekening houden met de nadelige gevolgen die ze ervan ondervinden. In dit perspectief betekent veiligheid vrijheid van alle bedreigingen. Er is dan een diagnose nodig om te zien hoe en op welke manieren de veiligheidssector de economische ontwikkeling helpt of hindert(14).

Een tweede element in het herdefiniëren van de ontwikkelingsagenda is de humanitaire en postcatastrofe of postconflict-hulp. Of het nu om Soedan gaat of om het Sri Lanka van na de tsunami, humanitaire hulp is nauw verbonden met zowel ontwikkeling als veiligheid. Conflicten tussen landen worden zeldzaam, de strijdkrachten kijken uit naar nieuwe taken in ‘burgerlijk-militaire samenwerking’ (CIMIC of civil military cooperation), waarmee ze ‘de geesten en harten kunnen winnen’ van de bevolkingen. Het B-Fast initiatief van België en zijn recente rol in Pakistan, waar gezondheidszorg en logistieke steun werden verleend, is een goed voorbeeld. Humanitaire acties in Afghanistan en Irak zijn ook perfecte voorbeelden van deze veranderende rol van de militairen. Dit past ook perfect in de neoliberale agenda, die de privé-sector en het leger als beter beschouwt dan de ‘goed doeners’ voor heropbouw en rehabilitatie(15). In sommige gevallen werken ngo’s samen met de militairen, ofwel met het oog op hun public relations, ofwel om bescherming te krijgen. Sommige waarnemers spreken van ‘embedded aid’, ingebedde hulp, zoals men spreekt van ‘embedded journalism’ in conflictgebieden.

Op dit gebied zijn de zorg om ontwikkelong en de zorg om veiligheid niet langer van elkaar te onderscheiden. Van humanitaire hulp – eten geven aan de hongerigen – tot rehabilitatie – trachten de voedselproductie herop te starten – en structurele ontwikkelingen – wegen, huizen en institutionele vermogens heropbouwen – is de rol van de diverse actoren niet altijd duidelijk gedefinieerd. Ontwikkelingsorganisaties slagen er minder en minder in het verschil te zien tussen deze sectoren en denken dat ze in een ‘crisisomgeving’ leven, waarin minder en minder structurele ontwikkelingsinspanningen mogelijk zijn omdat er altijd weer nieuwe crisissen opduiken(16). Voor ngo’s is het niet altijd duidelijk of ze een onderdeel zijn van de bezettingsstrijdkrachten of dat ze enkel aanwezig om hulpbehoevende mensen te helpen. In de Verenigde Staten is USAID van plan zijn activiteiten nauwer te coördineren met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Pentagon. Het richtte een Office of Military Affairs (OMA) op en gaat ontwikkelingsprofessionals sturen naar de vijf geografische militaire hoofdkwartieren. Ook de VN stelt een integratie van humanitaire inspanningen en van vredeshandhaving voor. ‘Blauwhelmen’ zouden landen moeten helpen in hun overgang van oorlog naar vrede en naar langetermijnontwikkeling.

Een derde element in het herdefiniëren van ontwikkeling is de institutionele dimensie. Of het nu al dan niet om post-conflict-gebieden gaat, ‘goed bestuur’ wordt nu als cruciaal beschouwd voor ontwikkeling en armoedebestrijding en zo geraken veel ngo’s betrokken bij ‘institutional capacity building’ (het uitbouwen van institutionele capaciteiten) of ‘democracy-building’ De meesten hebben de beste bedoelingen omdat democratie wordt beschouwd als een stevige basis voor deelneming van het volk en om het volk macht te geven. Men kan zich echter vragen stellen bij een democratie die tot stand wordt gebracht door externe actoren en over de verenigbaarheid van deze democratie met de neoliberale politiek. De democratie die de IFI’s (Internationale Financiële Instellingen) willen invoeren sluit beslissingsbevoegdheid van het volk uit van zodra het over macro-economisch beleid gaat. Dit soort ontwikkeling houdt verband met een soort conflictbeheer, waarin machtsverhoudingen de markt kunnen beheersen en de mensen het zwijgen wordt opgelegd door een pseudo-stem in sommige zaken.

Ten slotte moet er een vierde element worden genoemd: ontwikkelingshulp. De donorlanden beloofden meer hulp te geven op de VN-conferentie over het Financieren van Ontwikkeling in Monterrey in 2002. De manier waarop ze dat doen verbetert niet altijd de ontwikkelingsinspanning. Schuldvermindering of –kwijtschelding, bijvoorbeeld, of asielbeleid, hebben duidelijk behoefte aan financiering, maar zij stimuleren de ‘ontwikkeling’ van de arme landen niet. Landen trachten soms militaire samenwerking onder te brengen bij ontwikkelingshulp. Daarover wordt momenteel onderhandeld in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Hier moet er een band worden gelegd met de nieuwe oorlog tegen het terrorisme. Het zet landen ertoe aan hun ‘ontwikkelingshulp’ te richten naar landen waarvan wordt verondersteld dat ze in gevaar zijn. Kennelijk is dat gebaseerd op een reële veiligheidsbedreiging, maar het leidt donorlanden er ook toe alle soorten hulp te verbinden met de belangen die ze verdedigen in arme landen, en dus ook met hun nationale belangen. Vandaag is de militaire hulp die de VS geven aan Latijns-Amerika groter dan hun sociale en economische bijstand, en veel groter dan tijdens de Koude Oorlog. De zgn. oorlog tegen drugs en de inspanningen voor opstandbestrijding zijn vanzelfsprekende elementen die deze ontwikkelingen kunnen verklaren. De Europese Unie in het algemeen en Frankrijk in het bijzonder geven meer en meer hulp aan Afrikaanse landen om de politieke stabiliteit te bevorderen, in het bijzonder aan landen die belangrijke grondstoffen leveren aan de Europese markten. Ontwikkelingshulp wordt meer en meer verbonden met de buitenlandse belangen van de donorlanden en met veiligheidsaspecten.

Hoe men het ook bekijkt, van economische en sociale ontwikkeling tot armoedebestrijding, van humanitaire hulp tot de moeilijke opwaardering van ontwikkelingshulp, men moet besluiten dat de donorlanden hun ambities voor ontwikkeling terugschroeven en die binden aan veiligheidsbelangen. Armoedebestrijding is geen ontwikkeling en de millenniumdoelstellingen zijn niet eens een inspanning om de armoede uit te roeien. Volgens Jeffrey Sachs zou er, om de millenniumdoelstellingen te halen, 0,45 tot 0,54% van het bruto nationaal inkomen van de donorlanden nodig zijn(17). Maar dat geld is niet beschikbaar. Er is een duidelijke tendens om minder uit te geven voor structurele ontwikkeling en meer aan conflict-preventie of het oplossen van conflicten. Dat kan worden verklaard door de toenemende terrorismedreiging maar ook door het afnemende geloof in door de staat geleide en gesteunde ontwikkeling.

Twee grote trends en één groot risico

Welke conclusie moet er worden getrokken uit deze duidelijke verandering in het ontwikkelings- en veiligheidsdenken? Er zijn duidelijk twee belangrijke en tegenstrijdige trends.

Alle inspanningen voor conflictbeheersing, humanitaire hulp, heropbouw van democratieën en de uitbouw van institutionele capaciteit kunnen zeker leiden toe een meer holistische ontwikkelingsbenadering, waarin ten slotte alle elementen onderling verbonden zijn en een coherente ontwikkelingsagenda kunnen voortbrengen. Dat zou zeker de beste manier zijn om terrorisme en armoede te bestrijden en te vermijden. Maar deze agenda krijgt geen kans als de grondoorzaken van de conflicten niet worden aangepakt. Eén van deze oorzaken is zeker de groeiende ongelijkheid ten gevolge van de neoliberale gerichtheid van de IFI’s en van hun vrijhandelsideologie. De markt, met haar inherente machtsrelaties, invoeren in gebieden waar er geen sterke staat is – omdat die verzwakt is door de structurele aanpassingen -, en tegelijkertijd de traditionele sociale beschermings- en herverdelingsmechanismen ontmantelen, is vragen om conflicten rond schaarse of welvaart-producerende middelen.

Ontwikkeling verbinden aan een veiligheidsagenda kan zeer nuttig zijn als er een reële bereidheid is om economische en sociale ontwikkeling aan te moedigen. De huidige armoedebestrijding is echter niet gericht op het verwezenlijken van een betere, andere wereld, waaraan de andersmondialiseringsbeweging aan werkt.

Er is een ernstig risico dat het vermengen van de ontwikkelings- en veiligheidsagenda’s zal leiden tot de militarisering van de “ontwikkelingssamenwerking” en tot een herkolonisering van arme landen. Vandaag wordt van ‘goed bestuur’ een cultuur gemaakt, alle regeringsgebreken worden verklaard door de ‘waarden’ van mensen en landen. De IFI’s leggen meer en meer voorwaarden op, die alle politieke autonomie van de arme landen elimineren. Terwijl dat ‘goed bestuur’ onzichtbaar blijft, komen er meer en meer ‘fragiele’ en ‘falende’ staten en kunnen er meer conflicten uitbreken die om ‘humanitaire interventie’ vragen. Het ‘recht om te beschermen’ dat geïntroduceerd werd in Kofi Anna’s meest recente rapport is niet noodzakelijk een positief element(18). In de VS worden al ‘post-conflict’-projecten voorbereid voor gebieden waar totnogtoe geen conflict is uitgebroken(19). De inspanningen voor de heropbouw in post-tsunami-gebieden zoals Indonesië en Sri Lanka worden gezien als ‘een kans’ om de economische en politieke orde van arme landen volledig om te vormen(20). De strijdkrachten, de privé-sector en sommige ngo’s kunnen samenwerken in een project dat uiteindelijk zal leiden tot de privatisering van de ‘ontwikkelingssamenwerking’(21). In de Europese Unie verdedigen sommige stemmen een ‘neo-imperialistische’ benadering van ‘premoderne’ staten. In de jungle moet het recht van de jungle worden toegepast volgens R. Cooper(22) en moet niet geaarzeld worden om geweld te gebruiken in plaats van diplomatie. Deze benaderingswijze gelijkt sterk op een uitnodiging om arme landen te herkoloniseren.

Een te maken keuze

Dit brengt mij tot een slotbedenking over de keuzes die samenlevingen zouden moeten kunnen maken.

De veiligheid van samenlevingen en van individuen is altijd de eerste en de ultieme legitimatie geweest van politiek gezag. Die veiligheid kan militair zijn of ze kan sociaal zijn. In beide gevallen is ze een legitimatie van de macht. Als de Verenigde Naties of de Europese Unie de mogelijkheid zouden hebben om echt de armoede te bestrijden of een coherente sociale bescherming in te voeren, dan zou dat zeker de eerste stap zijn naar globaal bestuur of van een welkome Europese verzorgingsstaat.

In de context echter van de neoliberale politiek van de IFI’s, riskeren armoedebestrijding en millenniumdoelstellingen een project voor het veranderen van samenlevingen te worden. Voor de Wereldbank zijn alle mensen homines oeconomici en moeten zij de kans krijgen hun eigenbelang na te streven. Dit zal onvermijdelijk maatschappijen creëren met veralgemeende conflicten, een oorlog van allen tegen allen.

Volgens Hobbes kunnen individuen dit slechts vermijden door zich over te geven aan een absolute autoriteit. Machtsmisbruik door die autoriteit moet worden geaccepteerd als de prijs voor vrede. Men zou die ‘autoriteit’ kunnen vergelijken met de sterke staat die, volgens de IFI’s, nodig is zowel voor armoedebestrijding als voor de oorlog tegen het terrorisme. De aangeboden veiligheid zal makkelijk worden verbonden aan het gebruik van macht. Het is een veiligheid die wordt aangeboden door de politie en (internationale) strijdkrachten om het individu en de markt ‘vrij’ te maken.

Er zijn andere oplossingen mogelijk. Volgens Locke is bezit een andere manier van zelfverdediging. Staten moeten dit bezit beschermen maar mensen hebben geen staten nodig voor hun directe persoonlijke veiligheid. Als men dit idee nu in verband brengt met Robert Castel’s studie van de westerse verzorgingsstaten, dan kan men begrijpen dat ‘sociale zekerheid’ een alternatief is voor ‘militaire veiligheid’. Volgens Castel werden verzorgingsstaten uitgebouwd als een soort collectieve verzekering, een gemeenschappelijk bezit dat kan worden gebruikt door degenen die geen individuele eigendom hebben, zodat ze zichzelf kunnen verdedigen in geval van ziekte, werkloosheid enz. Dit is de kern van sociaal burgerschap, van economische en sociale rechten en openbare diensten waartoe iedereen toegang heeft, onafhankelijk van de eigen rijkdom. Dit collectief bezit is een sociaal verdedigingsmechanisme waardoor conflicten over middelen worden vermeden en waardoor interventie van politie of leger overbodig wordt. Als men de idee aanvaardt dat alle samenlevingen, onder alle omstandigheden, behoefte hebben aan een of andere vorm van bescherming, dan staat men voor de keuze tussen sociale of gewapende bescherming, tussen sociale zekerheid of politie en leger.

De dag van vandaag worden de sociale staten ontmanteld en paradoxaal genoeg, vormt de politiek van armoedebestrijding een directe bedreiging voor de verzorgingsstaat. Als de sociale zekerheid verdwijnt, dan is het logische gevolg dat de bescherming van de bevolking militair gebeurt.

In die zin is er geen echte vermenging van veiligheid en ontwikkeling. Beide concepten kunnen hetzelfde betekenen: een door de politie of militairen geleid beheer van conflicten.

Ontwikkeling is een strijd tegen extreme armoede geworden, die als een bedreiging voor de stabiliteit wordt geïnterpreteerd. Dat heeft niets te maken met economisch en sociaal beleid, noch met economische of sociale rechten. Het is nauw verbonden met de neoliberale politiek, de politie en het leger. Veiligheid wordt nu verpakt in niet-militaire termen, en is bedoeld voor mensen in plaats van voor landen, maar ze heeft nog altijd de militairen nodig om ze op te leggen.

Welke soort veiligheid is te verkiezen? Dit is de keuze waar volken en landen voor staan.

(Uitpers, nr. 74, 7de jg., april 2006)

Francine Mestrum is lector aan de ULB

Voetnoten

(1) ILO Constitution (www.ilo.org); UN Charter (www.un.org/aboutun/charter/index.hmtl) , United Nations, Decade of the United Nations for development, GA Res. 1710 (XVI), December 1961; United Nations, Declaration on Development and Social Progress, GA Res. 2542 (XXIV), December 1969; United Nations, Ad hoc open-ended working-group of GA on an Agenda for Development, GA Res. 51/240, June 1997.
(2) Een goed voorbeeld is Buzan die een allesomvattende maatschappelijke veiligheid beschrijft, niet gebaseerd op staten maar op samenlevingen: B. Buzan, Security: a new framework for analysis, Lynne Riener, 1997.
(3) UNDP, Human Development Report 1994, New York, United Nations, 1994.
(4) ILO, Economic Security for a better world, Geneva, ILO, 2004.
(5) In het Frans en het Engels gaat het in beide gevallen om ‘sécurité’ of ‘security’ – in het Nederlands om ‘veiligheid’ en ‘zekerheid’.

(6) Boutros Boutros-Ghali, Agenda for peace, New York, United Nations, 1992.
(7) United Nations, 1961, op.cit.; United Nations, Declaration on the Establishment of a New International Economic Order, GA Res. 3201 (S-VI), May 1974; zie ook de VN-inspanningen voor een ‘unified approach’ van ontwikkeling.
(8) M. Weisbrot et al., The scorecard on development : 25 years of diminished progress, Washington, Center for Economic and Policy Research, September 2005.

(9) World Bank, World Development Report, Washington, The World Bank, 1991, p. 38 van de Franse versie.
(10) Voor een gedetailleerde analyse van de conceptualisering van de armoede, zie F. Mestrum, Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde, Berchem, EPO, 2002.
(11) A.B. Pour, L’homme d’une croisade, Le Monde, 7 mars 1995 ; M. Camdessus, Remarks to the Confederal Board of the World Confederation of Labour, 26 October 1999.
(12) World Bank, World Development Report 2000/2001. Attacking Poverty, Washington, The World Bank, 2001, p. 141.
(13) F. Mestrum, Poverty Reduction and Sustainable Development, Environment, Development and Sustainability 5: 41-61, 2003.
(14).F. Treverton, Enhancing Security through Development: Probing the Connections, ABCDE World Bank Conference, Amsterdam, May 23-24, 2005.
(15) S. Kouwenberg, “Zo civiel mogelijk”. Relatie tussen NGO’s en militairen in (post)conflict gebieden, NEAG, juni 2004.

(16) P. Develtere, De Noord-Zuidbeweging en noodhulp: naar een nieuwe relatie?, 2005 (www.11.be).

(17) J. Sachs, The End of Poverty. Economic Possibilities for our Time, New York, The Penguin Press, 2005.
(18) Kofi Annan, In larger freedom, New York, United Nations, 2005.

(19) N. Klein, Capitalist ‘Reconstruction’ Logic punt into Question, Other News – Roberto Savio/IPS, 19 Aproil 2005 (www.bolivar.c.topica.com).

(20) S. Guttal, The Politics of Post-war/post-Conflict Reconstruction, in Development, Vol. 48, number 3, September 2005.

(21) Jacquet & M. Klein, Using ODA to engage the private sector in poverty reduction, World Bank, ABCDE Conference, May 2005.

(22) R. Cooper, The New Liberal Imperialism, Guardian Unlimited Observer, 7 April 2002.

Deel dit artikel

Visited 16 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ voor een transformatieve en universele sociale bescherming.

zie ook