Turkije’s neo-ottomaanse diplomatie op de helling

Sedert de islamistische Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) in 2002 aan de macht kwam in Turkije, begon dat land versneld de relaties met zijn buren te verbeteren. Het wilde af van zijn rol van Amerikaans-Israëlische boeman in de regio. Die politiek van “geen conflicten” kreeg de naam van neo-Ottomaanse politiek. Die politiek staat nu op de helling door toenemende conflicten, vooral met Syrië, waar premier Recep Tayyip Erdogan al meermaals met gewapend ingrijpen dreigde.

De Turkse buitenlandse politiek kende heel wat rare kronkelingen sedert het einde van het Ottomaanse Rijk in 1918, ten gevolge van zijn alliantie met de verliezers van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), Duitsland en Oostenrijk. De geallieerden waren eerst van plan, naar het voorbeeld van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, het land in stukjes op te delen. Maar Kemal Pasha wist dat te verhinderen. Met steun van Rusland, waar in 1917 het bewind van de tsaar omver was omver geworpen. De nieuwe Russische leiders werden immers, tot 1922, aangevallen door westerse troepen die probeerden de klok terug te draaien in Rusland. Rusland kon door steun aan de man die later de erenaam Ataturk, Vader van de Turken, kreeg, de westerse druk verlichten. De goede relaties met Ataturk leverden Turkije, in 1923, de teruggave op van de oostelijke provincies Kars en Ardahan, die door de tsaar werden veroverd in de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878.

Toen het Westen begreep dat het noch Rusland, dat in 1922 tot de Sovjet-Unie werd omgevormd, noch Turkije klein kon krijgen zonder zware middelen – die ontbraken door de enorme kosten van de Eerste Wereldoorlog – herzag het zijn politiek. Daar Ataturk, ondanks zijn goede band met Moskou, sterk anticommunistisch was, verkozen ze deze figuur te steunen en hem leider te laten worden van een “Groot-Turkije” als buffer tegen de Sovjet-Unie. Ook al ging dat ten koste van de beloften aan Armeniërs en Koerden.

Van neutraal tot westers bondgenoot

De relaties tussen Turkije en de Sovjet-Unie bleven vrij goed tijdens het interbellum, maar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), veranderde de situatie dramatisch. Turkije, waar tot op de hoogste niveaus veel sympathie bestond voor nazi-Duitsland, bleef – met de gedachtenis aan het catastrofale resultaat van de Eerste Wereldoorlog in het achterhoofd – tot bijna helemaal op het einde van de oorlog neutraal. Dit tot grote woede van de zegevierende Sovjet-Unie die enorme verliezen had geleden en van Turkije compensaties eiste, o.m. de teruggave Kars en Ardahan en controle over de toegangen tot de Zwarte Zee.

Die vrees voor zijn territoriale integriteit leidde tot de keuze voor het Westen door de opvolgers van de in 1938 overleden Ataturk. Turkije erkende Israël al direct na zijn oprichting als westers bolwerk in het Midden-Oosten in 1948. In 1949 al trad het toe tot de Raad van Europa en in 1952 werd het lid van de NAVO, het westerse militair bondgenootschap tegen de Sovjet-Unie, ondanks de “waarden” die beide instellingen zegden hoog in hun vaandel te voeren en waaraan Turkije in het geheel niet voldeed. In 1955 trad het toe tot het Pact van Bagdad (tussen Turkije en Irak, waarbij Iran, Pakistan en Groot-Brittannië zich aansluiten), een regionale veiligheidsorganisatie tegen de Sovjet-Unie.

Als westers bondgenoot moest Turkije ook helpen bij het onderdrukken van het Arabisch nationalisme, dat door het Westen gelijkgesteld werd met communisme. Dat was voor Ankara geen probleem want het betreurde het verlies van de Arabische landen en herinnerde zich maar al te goed dat het Arabisch nationalisme had bijgedragen tot de val van het Ottomaanse Rijk. Enkel met pro-westerse landen als Irak, Jordanië en de conservatieve monarchieën, die ook sterk beducht waren voor het Arabisch nationalisme, waren de relaties goed. Maar in 1958 werd de Iraakse monarchie ten val gebracht en kwam er een Arabisch nationalistisch bewind aan de macht in Bagdad. In 1979 betekende de islamitische revolutie in Iran, de militair derde belangrijkste westerse bondgenoot in het Midden-Oosten een nieuw klap. Turkije was nu langs alle kanten omringd door vijanden.

Het einde van het communisme bij het einde van de Sovjet-Unie in 1991 schakelde alvast een vijand uit, maar het betekende ook een fikse waardevermindering van Turkije als bufferstaat voor het Westen. Komt daarbij dat Turkije ambities had om lid te worden van de Europese Unie. Daarbij werden van Europese kant een aantal eisen gesteld, zoals het beëindigen van een aantal conflicten (met Griekenland, Cyprus en Armenië) en het eerbiedigen van mensen- en minderheidsrechten.

Uiteindelijk zijn de conflicten nog altijd niet opgelost en de verbeterde relaties met Rusland, met Armenië, met de Arabische buren en met Iran zijn weer verslechterd. Redenen? Zo heeft Turkije zijn medewerking beloofd aan het plan van de NAVO voor een rakettenschild, dat eigenlijk gericht is tegen Rusland en Iran. En wat Iran betreft heeft Turkije zich in maart gedeeltelijk aangesloten bij het westers olie-embargo omwille van het vermeende kernwapenprogramma, waaraan de westerse en zelfs Israëlische inlichtingendiensten niets geloven. Het gaat zijn olie-invoer uit Iran met 20% inkrimpen.

Van vriend tot vijand

Het meeste risico’s heeft Turkije genomen door vanaf vorig jaar frontaal in de aanval te gaan tegen Syrië, toen ook daar de Arabische lente begon met vreedzame betogingen tegen het regime van president Bachar al-Assad. Vreedzaam verzet, dat inmiddels werd overvleugeld door gewapend en moordend islamistisch verzet, dat wapens – betaald door o.m Qatar, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten – en opleiding krijgt van en in Turkije.

De argumenten van premier Erdogan en andere Turkse leiders tegen Syrië klinken vrij cynisch. Zo nemen ze het het Syrische regime kwalijk dat het schiet op zijn eigen burgers, terwijl Turkije dat al doet vanaf de oprichting van de Turkse republiek in 1923. Tienduizenden, zoniet honderdduizenden mensen zijn er al omgekomen door de strijd tussen het leger en Koerden die vechten voor autonomie. Maar aangezien Turkije een NAVO-bondgenoot is, wordt daar van westerse kant in alle talen over gezwegen. De Koerdische Arbeiderspartij (PKK) die al sedert 1985 een guerrillaoorlog voert, wordt als “terroristisch” bestempeld en terroristen mogen worden bestreden en veroordeeld. En er mag zeker niet mee worden onderhandeld. De huidige Belgische minister van Financiën, Steven Vanackere, veroordeelde vorig jaar als minister van Buitenlandse Zaken nog de PKK na een reeks bloedige botsingen tussen leger en guerrillero’s. Geen woord echter over de Turkse repressie, noch over de rechten van de minderheden in Turkije en hun recht op al dan niet gewapend verzet. Gewapende islamistische rebellen in Syrië, die er alle belang bij hebben het geweld te laten voortduren, zijn blijkbaar geen terroristen en de staat mag hen dus niet bestrijden maar wordt daarentegen verzocht de macht aan hen over te dragen al zijn ze even ongeregeld en verdeeld als in Libië.

Merkwaardig contradictorisch is ook de redenering over identiteit van premier Erdogan. Die drukte tijdens een bezoek aan Duitsland in februari 2011 de Turken in dat land op het hart hun kinderen eerst Turks te leren en dan pas Duits. Hij verzette zich tegen assimilatie van de Turken in Duitsland met het argument dat niemand de Turken van hun eigen cultuur en beschaving mag kunnen losmaken. Van de Koerden, en ook van kleinere minderheden, wordt daarentegen geëist dat ze hun eigen identiteit wel opgeven, dat ze alleen, of op zijn minst, eerst Turks leren en zich als etnische Turken gaan gedragen.

Ottomaanse reflex

Toen het Westen besloot met geweld in Libië een regimewissel door te voeren, stond Turkije aanvankelijk afkerig van dit neokoloniaal project. In Syrië heeft zich aangesloten bij een gelijkaardig westers project. Waarom de goede relaties die er waren zomaar overboord gooien? Niemand blijkt op die vraag een sluitend antwoord te hebben. Een eerste bedenking is of de relaties tussen Turkije en Syrië wel zo goed waren als de overeenkomsten en hartelijke wederzijdse bezoeken lieten uitschijnen. Vergeet immers niet dat Turkije in september 2007 Israël toeliet vanaf zijn grondgebied een vermeende nucleaire installatie in het oosten van Syrië te gaan bombarderen.

Er wordt verondersteld dat Turkije als er in Syrië bevriende islamisten aan de macht zouden komen zijn invloed in de regio gevoelig zou kunnen uitbreiden. Maar dat veronderstelt dat het om “gematigde” islamisten zou gaan, wat in Syrië niet zo zeker is. Daar heeft de moslimbroederschap al in de jaren 1970-1980 bewezen dat ze alles behalve “gematigd” is door duizenden ambtenaren, soldaten, aanhangers van het regime en leden van minderheden te vermoorden – wat ze nu ook doen.

Ook wordt er een parallel getrokken met de Ottomaanse politiek, die op godsdienstig gebied de soennitische islam, waartoe de meeste moslims behoren, steunde en de andere strekkingen discrimineerde. Dit omdat de Ottomaanse sultans ook de kaliefen, de opvolgers van de profeet Mohammed, waren. Nu zou Turkije zich hebben aangesloten bij conservatieve soennitische staten als Jordanië, Saoedi-Arabië, Qatar, de Emiraten, en Egypte die de sjiitische islam, de staatsgodsdienst in Iran, bestrijden in Irak, Libanon en Syrië, waar de regerende Baath-partij wordt gecontroleerd door de alawieten, een tak van de sjiitische familie. Een Ottomaanse reflex dus tegen wat de “sjiitische as” wordt genoemd.

Hoe het ook zij, de keuze van Turkije houdt gevaren in als het Syrische regime stand houdt. Dat zou de invloed van Turkije in het Midden-Oosten, politiek en qua handel, een flinke slag toebrengen. Het zou ook onmiddellijk praktische gevolgen hebben. In de eerste plaats zullen de Koerden in Turkije kunnen rekenen op nog meer steun dan degene die ze, als tegenzet, nu al krijgen van Syrië. De strijd om Koerdistan kan dan ernstig escaleren. Ook moet het Turkse establishment er rekening mee houden dat het, naast de Koerden, geschat op ten minste 15% van de bevolking van Turkije, nog eens ruim 10% van de eigen bevolking tegen zich kan krijgen, met name de alevieten (de Turkse naam voor alawieten) die nu al openlijk sympathiseren met het regime van president Assad.

Weer westerse zetbaas?

Het ziet er ook naar uit dat Turkije weer nauwer gaat aanleunen bij de Verenigde Staten – zie het rakettenschild en Syrië – en weer een westerse zetbaas gaat worden in het Midden-Oosten. Nochtans werd er jarenlang gesproken over een uiteengroeien van Turkije en het Westen. Waarbij speciaal werd gewezen naar ernstige problemen met Israël, waartegen eerste minister Erdogan geregeld tegen van leer trekt. Vooral sedert de Israëlische Operatie Gegoten Lood in de Gaza-strook in 2008-2009 en de Israëlische aanval op een Turks hulpkonvooi voor Gaza in mei 2010, waarbij tien Turken werden gedood door Israëlische soldaten. Een zaak waarvoor Israël zich nog altijd niet heeft verontschuldigd, zoals door Erdogan wordt gevraagd.

De militaire samenwerking met Israël is inmiddels zo goed als stopgezet. Maar de relaties zijn nog altijd niet verbroken. Er is nog steeds een sterke economische samenwerking. Zoals voor de werken voor Israëlische gaswinning in de Middellandse Zee en zelfs op militair gebied gaan de contracten voor het upgraden van en de aankoop van militair materiaal door. Het is weinig waarschijnlijk dat Turkije onder de huidige omstandigheden Israël zal toelaten Iran aan te vallen van op zijn grondgebied, maar daar is al een vervangland voor: het sterk bij Turkije aanleunende Azerbeidzjan.

Zal de alliantie met Tel Aviv weer worden hervat mocht Turkije weer in het isolement in de regio dreigen te geraken? Zover zal het waarschijnlijk niet gaan. Het zou de populariteit van Erdogan en zijn Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling ernstig kunnen aantasten. Het is nu eenmaal zo dat de Turken, als goede moslims, nooit veel sympathie hebben gehad voor de joodse staat die gebaseerd is op etnische zuivering van Palestijnse moslims. Ze hebben dat over de jaren heen duidelijk laten blijken aan hun regeerders, die op dat vlak hun bevolking negeerden om aan de westerse verzuchtingen tegemoet te komen.

(Uitpers nr. 142, 13de jg., mei 2012)

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).