Turkije en Europa na de verkiezingen

Tachtig jaar na de uitroeping van de Kemalistische republiek, hebben de Islamisten de macht veroverd. Alle traditionele politieke partijen die pretenderen de ware erfgenamen van het Kemalisme te zijn, hebben verloren. Een ware politieke aardverschuiving in een land dat al decennialang aan de deur van de Europese Unie staat te kloppen.

Toch is bij het schrijven van dit artikel niets duidelijk. Nog steeds worden meerdere vragen opgeworpen zowel in Turkije als in Europa en meer bepaald:

– Wat is de ware identiteit van de Partij van Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP). Is het een islamistische partij, een ‘behoudsgezinde democratische’ partij of is het een ‘democratische moslimpartij’?

– Wat zal de toekomst van de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie zijn, en wel het Europese antwoord op de aanhoudende vraag naar een datum voor de aanvang van de onderhandelingen over de toetreding?

De identiteit of de banden van de AKP

De verkiezingsoverwinning van de AKP en de verwijdering van de grote traditionele partijen uit het parlement valt te verklaren als een dubbel protest van de populaire lagen van de bevolking in de grootsteden en in Anatolië. Arbeiders, boeren en kleine en middelgrote ondernemingen lopen gebukt onder de rampzalige economische politiek van het IMF. De recessie heeft meer dan één miljoen nieuwe werklozen tot gevolg, een waardevermindering van de Turkse lire van 50% ten opzichte van de dollar, een stijging van de rentevoet en een chronische inflatie. Maar daarnaast zijn de regelmatige tussenkomsten van de militairen in het politieke en sociale leven een doorn in het oog. Zij doen dat onder het voorwendsel om "het wereldlijk karakter en het kemalistisch systeem dienen te beschermen" terwijl ze in werkelijkheid streven naar het behoud van hun macht.

De dag na de wetgevende verkiezingen legde de pers met een religieuze stempel, zoals ook de grote media trouwens, meer de nadruk op het falen van de oude parlementaire formaties dan op de voorspelbare overwinning van de pro-islamisten. De partijleider Tayyip Erdogan verwierp in zijn eerste verklaring na de verkiezingen, met verontwaardiging de term ‘islamist’. Hij benadrukte dat de AKP enkel een behoudsgezinde partij was. “Wij hebben in ons politiek programma gezegd dat wij een partij zijn die zich baseert op de godsdienst." En hij voegde er aan toe: "Onze acties in de komende dagen zullen dit duidelijk aantonen".

Op het eerste zicht kan de AKP inderdaad niet gerekend worden tot de categorie van islamistische partijen zoals haar voorgangers (NP, MNP, MSP, RP, FP) of zoals de pure islamistische formaties in landen als Iran, Pakistan, Algerije of Marokko. Sinds de ontbinding van de FP (Partij van de Deugd) zijn de oprichters van de nieuwe partij, met Tayyip Erdogan op kop, zeer voorzichtig om niet meer als ‘islamisten’ gestigmatiseerd te worden. En dit vooral om het risico op een nieuw verbod te voorkomen. Daarnaast moet dat persoonlijkheden van andere politieke partijen of filosofische stromingen charmeren en aantrekken. Om tegenover de ‘niet-actieve’ kiezers het beeld te geven van een moderne en wereldse partij, zijn zij zelfs erg ver gegaan door geen gesluierde vrouwen op de kieslijsten van de AKP te plaatsten.

Deze strategie heeft goed gewerkt. Het bracht de AKP helemaal alleen aan de macht.De eerste dagen na de verkiezingen hebben Tayyip Erdogan en zijn entourage er alles aan gedaan om president, leger en grote media gerust te stellen. Maar kort na de vorming van de regering en de verkiezing van de voorzitter van het parlement barstten de ‘kledingstwisten’ al meteen los. De verschijning van de nieuwe president van het parlement met zijn gesluierde vrouw tijdens een officiële ceremonie en de publicatie van foto’s van de gesluierde echtgenotes van de Eerste Minister en verschillende andere ministers was voldoende om kemalistische milieus en paramilitairen hun oorlogsbijl te laten opgraven!

Trouw aan waarden

Voor mij, een aandachtig observator van de politisering van de islam in Turkije sinds de jaren vijftig, zou het naïef zijn om van de Islamisten te verwachten dat ze hun identiteit en hun filosofische overtuiging radicaal zouden veranderen. Dat ze zich voortaan liever ‘democratische conservatieven’ of ‘democratische moslims’ laten noemen, zal niet verhinderen dat zij altijd trouw zullen blijven aan hun symbolen, praktijken en islamitische waarden.

Indien de politieke partijen al hun geloofwaardigheid in de ogen van de volksmassa hebben verloren en zo de weg voor de alleenheerschappij van de AKP hebben geopend, is het ook helemaal legitiem dat de AKP deze macht zou gebruiken om hun religieuze overtuiging te bekrachtigen.

Men mag niet vergeten dat de leiders van de AKP gevormd werden in de politieke school van een reeks partijen van Erbakan: de Partij van de Orde (NP), de Partij van de Nationale Welvaart (MSP), de Welzijnspartij (RP) en de Partij van de Deugd (FP). De politisering van de Islam in Turkije was het gevolg van enerzijds het repressieve beleid van de kemalistische machthebbers die niet enkel gericht was tegen de islam maar ook tegen elke vorm van volksbewegingen (linkse partijen, vakbonden, verenigingen van nationale, etnische of culturele minderheden) en anderzijds van de interventie van de VS in de regio die de stijging van de nationalistische en anti-imperialistische bewegingen – en daarmee van de Sovjet-Unie – wilde tegenwerken. Saoedi-Arabië heeft in de politisering van de islam in Turkije een hoofdrol gespeeld. De nieuwe Eerste Minister Abdullah Gül was van 1983 tot 1991 een economische specialist van de Bank van islamitische ontwikkeling waarvan de zetel zich in Jedda (Saoedi-Arabië) bevond.

Het merendeel van de stichters of actieve leden van de AKP engageerde zich al voor de creatie van de eerste islamitische partij geëngageerd voor de Islam en dit binnen diverse extreemrechtse of integristische partijen zoals de Nationale Studentenunie van Turkije (MTTB) en de bewegingen die strijden tegen het communisme (KMC). Het is niet onwaarschijnlijk dat er zich binnen de AKP of onder de kiezers van deze partij rabiate anticommunisten bevinden die deelnamen aan de massamoorden op Bloedige Zondag in 1969, van Kahramanmaras in 1978 of van Sivas in 1993.

De huidige internationale conjunctuur en vooral de ingrijpende veranderingen in de Turkse samenleving oefen invloed uit op de nieuwe generaties van islamistische beweging. De jonge islamistische militanten van de jaren zestig bekleden vandaag de dag belangrijke posities in verschillende domeinen van de samenleving. Zij zijn even ervaren politici geworden als die van de traditionele partijen. De opeenvolgende islamistische partijen waren vertegenwoordigd in de Nationale Vergadering en maakten deel uit van meerdere regeringscoalities. Sinds een tiental jaren hebben zij de leiding over de gemeentesturen van grootsteden zoals Istanbul en Ankara. Zij zijn eveneens goed vertegenwoordigd in de zakenwereld, verschillende economische sectoren en universiteiten. Zij zijn bovendien zeer goed georganiseerd in Europa dankzij de aanwezigheid van miljoenen Turkse migranten en de steun van financiële holdings van Saoedi-Arabië.

Inspelen op teleurstelling

Het is via al deze machtsposities dat ze er in geslaagd zijn om de teleurstelling van de volkslagen, die in 1999 hun proteststem nog hadden uitgebracht ten gunste van de DSP van Ecevit (nationalistisch links) en van de MHP van Bahceli (neofascistisch), goed in te schatten.

Terwijl de Partij van de Deugd (FP) in 1999 15,38% van de stemmen behaalde, steeg de AKP in 2002 helemaal alleen tot 34,28%. En dat ondanks de verkiezingsdeelname van drie andere rivaliserende partijen met een islamitische inslag: de Partij van het Geluk (SP) – 2,49%; de Partij van het Onafhankelijke Turkije (BTP) – 0,48% en de partij van de Natie (MP) – 0,22%.

Het meest opmerkelijke is dat geen enkele partij van het establishment een eerbare score heeft kunnen neerzetten, allen zijn onder de nationale kiesdrempel gebleven. De DSP (Partij van Democratisch Links) waarvan de raison d’être enkel het charisma van haar leider Ecevit is, werd totaal weggeveegd van het politieke toneel van het land. In 1999 was hij nog met 22,06% van de stemmen aan de macht gekomen. Nu is zijn percentage gezakt tot 1,22%.

Hoewel de Republikeinse Partij van het Volk (CHP) als enige oppositiepartij zetels kon veroveren in de Nationale Vergadering, komt dat absoluut niet overeen met het kiespotentieel van de sociaal-democratische familie. Terwijl in 1999 het totale percentage van de partijen van centrumlinks nog 30,85% bedroeg, blijft de CHP nu steken op 19,39%. De komst van Kemal Dervis, man van het IMF en van de Wereldbank, die sinds twee jaar de hoofdverantwoordelijke is voor de verarming van het gewone volk, heeft niet bijgedragen tot het electorale succes van de CHP maar wel tot de overwinning van de AKP die onophoudelijk de draconische maatregelen van het IMF bekritiseerd heeft.

De val van de centrumrechtse partijen is even dramatisch als die van centrumlinks. Hoewel zij in 1999 25,63% van de stemmen behaalden, is hun percentage in 2002 gezakt tot 15,89%.

Extreemrechts behaalde, ondanks een dramatische daling van de MHP (van 17,89% in 1999 tot 8,36% in 2002), in het totaal 16,63% van de stemmen in 2002 tegenover 19,45% in 1999. Van de extreemrechtse stemmen ging 7,25% naar de Jonge Partij (GP) van de zakenman Cem Uzan.

Naast de AKP en de CHP was de Democratische Partij van het Volk (DEHAP) de enige partij die haar stemmen wist te verhogen. Terwijl het electorale blok van de Partij van het Volk voor de Democratie (HADEP) in 1999 4,73% van de stemmen kreeg, heeft DEHAP nu 6,22% van de stemmen op nationaal niveau weten binnen te behalen. Het kiessysteem, dat een kiesdrempel van 10% oplegt, verhinderde hun vertegenwoordiging in de Nationale Vergadering ondanks het feit dat zij ver boven deze kiesdrempel stegen in alle provincies van Turks Koerdistan: Diyarbakir (56,2%), Batman (47,10%), Sirnak (46%), Hakkari (45,2%), Van (40,9%), Mardin (39,6%), Mus (37,90%), Agri (35,1%), Igdir (32,7%), Tunceli (32,5%), Siirt (32,2%), Bitlis (30%), Bingol (22%), Urfa (19,3%).

Het antidemocratisch systeem zorgt er met andere woorden voor dat 45% van de kiezers – van gemengde politieke voorkeur – niet vertegenwoordigd is in de Nationale Vergadering. Dit wil zeggen dat de islamitische machthebbers, ondanks de verpletterende overwinning bij de verkiezingen, behalve de parlementaire oppositie van de CHP ook te maken zal krijgen met een extraparlementaire oppositie die bijna de helft van de bevolking vertegenwoordigt.

Deze extraparlementaire oppositie bestaat uit drie groepen:

– De pro-Koerdische oppositie geleid door DEHAP of HADEP die op wettelijk vlak de steun geniet van marxistische linkse groeperingen en op buitenwettelijk vlak van KADEK (Congres voor de Vrijheid en Democratie van Koerdistan – de opvolger van de Koerdische Arbeiderspartij, PKK)

– De ultranationalistische oppositie van drie partijen: de MHP (Partij van de Nationalistische Actie), de GP (Jonge Partij) en de BBP (Partij van de Grote Unie).

– De centrumrechtse oppositie van voornamelijk twee partijen, de DYP (Partij van de Juiste Weg) en ANAP (Partij van de Juiste Weg).

Hierbij moet nog de islamistische oppositie van de aanhangers van Necmettin Erbakan worden gerekend die momenteel overwonnen zijn en een minderheid vertegenwoordigen. Toch zal deze meer orthodoxe tendens binnen het Islamisme bij elke mislukking van de huidige machthebbers zijn vroegere teleurgestelde aanhangers recupereren. De nationale kiesdrempel is niet vereist voor de lokale verkiezingen. Deze politieke krachten zullen vanaf nu mobiliseren om in 2004 de gemeentelijke verkiezingen, waar zij zeer machtig zijn, te winnen.

Een electoraal succes voor de pro-Koerdische oppositie in de provincies van Turks Koerdistan is nu al voorspelbaar. Zij genieten er immers een onbetwiste populariteit en controleren sinds meerdere jaren verschillende gemeentebesturen. Haar succes in de rest van het land zal afhangen van haar welslagen in de vorming van een breder en meer representatief blok dan het blok tijdens de voorbije verkiezingen.

Het lot van andere oppositiepartijen zal afhankelijk zijn van de prestaties van de regerende AKP, zowel op binnenlands vlak – door de socio-economische problemen enigszins op te lossen – als op buitenlands vlak en meer bepaald in het toetredingsproces tot de Europese Unie. Een mislukking van de toetreding tot de Europese Unie, zal de versterking van de ultranationalistische partijen tot gevolg hebben, die een campagne tegen lidmaatschap van deze Unie heeft gevoerd – vooral tegen de aanvaarding van alle criteria van Kopenhagen met betrekking tot de mensenrechten.

De AKP en de Europese Unie

Het is belangrijk om in het achterhoofd te houden dat de Islamitische beweging in Turkije zich sinds de jaren zestig heeft getoond als de meest fervente tegenstander van toetreding tot de Europese Unie. De programma’s en verklaringen van Erbakan en zijn entourage, de huidige leiders van de AKP inbegrepen, stonden vol kritische uitlatingen en beledigingen aan het adres van de Europese Unie en zijn gericht tegen zij die de toetreding tot deze Unie verdedigen. Volgens hen was de Europese Unie niet meer dan een val van het christendom en het zionisme om zo de dominantie over de islamitische wereld te verkrijgen. Zij waren, in plaats van voorstanders van een toetreding tot de Europese Unie, eerder voor een toenadering tot de Islamitische wereld en voor een deelname aan een economische gemeenschap van islamitische landen. De mislukking van Necmettin Erbakan, toen hij Eerste Minister was, om in deze richting te evolueren en de reactie van laïciserende en pro-westerse krachten tegen een dergelijke koers, heeft de Turkse islamistische beweging verplicht om een pro-Europese koers te varen. Zonder enige twijfel heeft het bestaan van miljoenen moslimmigranten in de lidstaten van de Europese Unie, en meer bepaald in Duitsland, het gedrag van Turkse islamisten sterk beïnvloed en de verzoening met Europa in de hand gewerkt. De Turkse islamistische beweging in Europa heeft zich sinds 1980 goed georganiseerd. De lokale leiders van deze beweging zijn begonnen om posten te bezetten in de politieke, sociale en culturele wereld van het onthaalland. Voor de islamisten is de integratie van moslimimmigranten in de westerse samenleving met een christelijke cultuur geen probleem meer… Zij lijken het daarover volledig eens te zijn met de Europese instanties. Nochtans is er een belangrijk verschil in de definitie van integratie. Het gaat niet over de integratie als individu of burger met respect voor alle regels van de mensenrechten en van de universele waarden, maar over een integratie als autonome gemeenschap met eigen religieuze en culturele waarden en vooral met een eigen concept van mensenrechten zoals gedefinieerd in de Koranteksten. Hoewel deze definitie van integratie de Europese politieke leiders aanvankelijk irriteerde, heeft de terughoudendheid in de loop der jaren plaats gemaakt voor ‘begrip’. Zij beseften dat zij de stemmen van deze nieuwe burgers van islamitische obediëntie nodig zullen hebben voor electoraal succes.

Zo ontwikkelden zich nieuwe ‘samenlevings’programma’s die een absolute tolerantie favoriseerden voor de ontwikkeling van een islamitische levenswijze in de stad, en dit ten nadele van de inburgerings- en integratieprogramma’s van moslimburgers als individu.

Een ander element die de Turkse islamisten een pro-Europese bocht deed nemen was de nood aan buitenlandse steun tegen de praktijken en de repressieve inmenging van het Turkse leger. Dit is de reden waarom Erbakan, Erdogan en alle andere leiders van islamistische bewegingen op de deur van het Europees Hof van de Mensenrechten in Straatsburg begonnen te kloppen tegen de sluiting van hun politieke partijen of het verbod van hun politieke activiteiten door de Turkse rechtbanken, onder druk van het leger. Wanneer Erdogan, de leider van de AKP, zich nu in aller haast naar alle Europese hoofdsteden begeeft om een aanvangsdatum te verkrijgen voor de onderhandelingen over de toetreding op de Top van Kopenhagen op 12-13 december 2002, dan is dit eerder om steun van het Westen te krijgen voor de opheffing van het verbod op de toegang tot de post van Eerste Minister en om eventuele inmengingen van het leger tegen de beslissingen en praktijken van zijn regering te vermijden.

Wat het ware motief achter deze nieuwe oriëntering ook moge zijn, het betekent een belangrijke vooruitgang in het democratiseringsproces in Turkije. In die zin dat de eerste verklaringen van Erdogan en Gul met betrekking tot de criteria van Kopenhagen en tot de oplossing van de kwestie Cyprus erg veelbelovend waren en door de gehele wereld werden toegejuicht.

Leger waakt

Het leger kijkt echter achter de schermen toe. Op 22 november, na zijn tournee in de Europese hoofdsteden, nam Erdogan tijdens een gezamenlijke persconferentie met de CHP-leider Deniz Baykal een nieuwe dreigende houding in navolging van die van het Leger. “Wij eisen met aandrang een datum voor het begin van de toetredingsonderhandelingen. Turkije heeft daar recht op. Indien er in Kopenhagen een ongunstig advies zou worden gegeven (betreffende Turkije), zullen zij (de Vijftien) hiervan de gevolgen dragen.”

Erdogan had zijn houding al verhard over de toetreding van Cyprus tot de EU. Hij vond dat Ankara en Nicosia tegelijkertijd tot de EU moesten toetreden, wat de toetreding van Cyprus met enkele jaren zou vertragen. Deze bocht brengt Erdogan volledig op de positie van het establishment, i.e. het Leger, de bureaucratie en het presidentschap van de Republiek. Direct na de eerste vredesverklaringen van Erdogan – onder druk van het leger – aangaande de kwestie-Cyprus, zorgde de bureaucratie van het ministerie van Buitenlandse Zaken ervoor dat zijn standpunt over ‘deze nationale kwestie’ werd rechtgezet. De Turkse stafchef had de Europese Unie (EU) op 14 november gewaarschuwd dat een unilaterale beslissing over de toetreding van de Republiek Cyprus (zuiden van het eiland) een regionale crisis zou kunnen uitlokken. Tijdens de feesten van de 19de verjaardag van de uitroeping van de ‘Republiek Turkije van Noord-Cyprus’ (RTCN, enkel door Ankara erkend) verklaarde generaal Hilmi Özkök: “De toekenning aan de Grieks-Cypriotische administratie van het statuut van volledig lid van de EU…zal de vrede en de stabiliteit van het eiland aantasten en zal de regio meeslepen in een permanente crisis.”

De president van de Republiek, Ahmet Necdet Sezer, van zijn kant, beschuldigde tijdens een persconferentie in Praag de Europese leiders van een ‘gebrek aan oprechtheid’. “Iedereen zegt hetzelfde. Het is belangrijk dat Turkije op 12 december een datum krijgt” in Kopenhagen. “Indien dat niet gebeurt, komt er voortdurende onzekerheid in de betrekkingen tussen Turkije en de EU en komt er een nieuwe verdeeldheid in Europa”, zo waarschuwde hij.

Erdogan, als leider van een islamistische beweging, probeert de kwestie van de Turkse toetreding in verband te brengen met het gedrag van de Europese Unie ten aanzien van de Islam. Maar de Europese terughoudendheid op dit punt wordt slechts door een minderheid ingenomen zoals werd aangetoond met de stemming van het Europees Parlement. Het ware probleem voor Turkije is het respect voor de mensenrechten en de criteria van Kopenhagen. De Franse president Chirac heeft diezelfde dag in Praag gereageerd tegen de poging om het debat te stellen in termen van een ‘botsing van godsdiensten’. Hij antwoordde daarmee op een vraag over de eventuele komst van ’60 miljoen Turkse moslims’ naar de EU. “Jullie zeggen 60 miljoen Turkse moslims, dat is vreemd want jullie zeggen niet 60 miljoen Franse christenen”, aldus Chirac. “Turkije is een lekenstaat, en wij verwachten natuurlijk dat dat zo blijft."

“Turkije heeft zijn plaats in Europa, maar de procedure die eventueel zal leiden tot zijn toetreding tot de EU zal enkel van start gaan indien de politieke en economische criteria, die door de Vijftien werden gedefinieerd alvorens er van enige toetreding sprake kan zijn, gerespecteerd worden”, verklaarde de Franse president nog.

Volgens Erdogan heeft Turkije zich reeds aan haar beloftes gehouden door meerdere artikels van de grondwet en van de strafwet te wijzigen. Voor deze die nog niet gerealiseerd werden, moet de Europese Unie vertrouwen hebben in de islamistische machthebbers van de AKP.

Maar vertrouwen hebben in een politieke partij waarvan de antecedenten van een antiwesterse en anti-Europese Unie politiek getuigen, is wat veel gevraagd. Trouwens, men beschikt over geen enkele zekerheid dat deze partij zich niet zal onderwerpen aan het dictaat van het Leger aangaande de vitale kwesties zoals het respect voor de mensenrechten, de totale erkenning van de nationale, culturele en confessionele erkenning van alle volkeren en minderheden van het land.

Na de staatsgreep van 1980, hebben meerdere politieke partijen, die aan de macht waren gekomen met de belofte van democratisering, zich onmiddellijk geschikt naar de richtlijnen van de Nationale Veiligheidsraad (MGK). De operatie van ‘briefings’ naar de machthebbers van de AKP dateert al van voor de aankondiging van het regeringsprogramma. Het is nu wachten op de eerste bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad, die voorzien is na de aankondiging van het regeringsprogramma om te zien welke beloftes uit het regeringsprogramma overeind zullen blijven. Is het trouwens niet een van de hoofdeisen van de Europese Unie voor de Turkse toetreding dat zij de macht van de militairen via deze MGK opheffen? Het is dan ook maar normaal dat aan deze vereiste wordt tegemoet gekomen vooraleer er van een datum voor toetredingsonderhandelingen sprake kan zijn. In het regeringsprogramma dat op 22 november 2002 is bekend gemaakt staat geen enkele verwijzing naar deze noodzakelijke hervorming. In tegendeel, de nieuwe minister van Defensie, Vecdi Gönül, zei in het dagblad Radikal (25 november 2002) dat er niet geraakt wordt aan de politieke bevoegdheden van het leger. Dit militaristische standpunt wordt volledig gedeeld door de CHP-leider Deniz Baykal. Daarmee gaat hij in tegen EU-commissaris Verheugen die de opheffing van de inmenging van de MGK in het politieke leven eist.

Wat het respect van de andere criteria van Kopenhagen betreft, heeft de AKP een onvoldoende grote meerderheid in de Nationale Vergadering om de repressieve grondwet, opgelegd door de militairen, en alle artikelen van de repressieve Turkse wetgeving volledig te kunnen wijzigen.

En er is nog veel werk aan de winkel. De vrijheden van meningsuiting en van onderwijs in de Koerdische taal moeten erkend worden zonder enige beperking. Alle politieke gevangenen, die met meer dan tienduizend zijn, moeten onmiddellijk bevrijd worden. Deze veranderingen kunnen gerealiseerd worden in enkele zittingen van de Nationale Vergadering, zelfs voor de Top van de Europese Unie in Kopenhagen.

* Dogan Özgüden is hoofdredacteur van het maandblad Info-Türk. Hij schreef deze bijdrage voor een publicatie van het Koerdisch Instituut en Uitpers. Hij is samen met twee andere journalisten voor de Turkse rechtbank gedaagd omdat hij het Turkse leger zou hebben beledigd. Özgüden schreef naar aanleiding van de dertigste verjaardag van de militaire staatsgreep van 1971, een kritisch artikel over de executie van drie jonge progressieve leiders. Het proces is op 26 november gestart. Hij riskeert een gevangenisstraf van zes jaar. Hij leeft echter al jaren in België.

Stijging in stemmen en zetels:

Islamisten (in totaal vier partijen)

1999: 15,64% (111 zetels)

2002: 37,47% (363 zetels)

winst: + 21, 83% (+252 zetels)

AKP (Partij van de Gerechtigheid en van de Ontwikkeling): 2002: 34,28% (+363 zetels)

SP (Partij van het Geluk): 2002: 2,49%

BTP (Partij van het Onafhankelijke Turkije): 2002: 0,48%

MP (Partij van de Natie): 1999: 0,26%; 2002: 0,22% (-0,04%)

FP (Partij van de Deugd): 1999: 15,38% (111 zetels); 2002: verboden (- 111 zetels)

Onafhankelijken

1999: 0,93% (3 zetels)

2002: 1,00% (9 zetels)

winst: +0,07% (+ 6 zetels)

Daling in stemmen en stijging in zetels:

Centrumlinks (in totaal drie partijen):

1999: 30,85% (136 zetels)

2002: 21,76% (178 zetels)

Verlies en winst: – 9,09% (+ 42 zetels)

CHP (Republikeinse Partij van het volk): 1999: 8,79%; 2002: 19,39% (+10,50): -178 zetels

DSP (Partij van Democratisch Links): 1999: 22,06%; 2002: 1,22% (-20,84%): – 136 zetels

YTP (Partij van het Nieuwe Turkije): 2002: 1,15%

Daling in stemmen en volledig verlies van zetels

Centrumrechts (totaal vier partijen)

1999: 25,63% (171 zetels)

2002: 15,89% (0 zetels)

Verlies: -9,74% (-171 zetels)

ANAP (Moederlandpartij): 1999: 13,22%, 2002: 5,13% (- 8,09%) (-85 zetels)

DYP (Partij van de Juiste Weg): 1999: 12%; 2002: 9,54% (-2,45%) (-85 zetels)

LDP (Liberale Democratische Partij): 1999: 0,41%; 2002: 0,28% (-0,13%)

YP (Partij van het Land): 2002: 0,94%

Extreemrechts (totaal drie partijen)

1999: 19,45% (129 zetels)

2002: 16,63% (0)

Verlies: -2,82% (- 129 zetels)

MHP (Partij van de Nationalistische Actie): 1999: 17,98%: 2002: 8,36%:

Verschil: -9,62% (- 129 zetels)

BBP (Partij van de Grote Unie): 1999: 1,47%; 2002: 1,02% (-0,45%)

GP (Jonge Partij): 2002: 7,25%

Stijging of daling in stemmen, zonder winst van zetels

Links (totaal vier partijen)

1999: 5,89% (zonder zetels)

2002: 7,26% (zonder zetels)

Winst: + 1,37%

DEHAP (Democratische Partij van het Volk), pro-Koerdisch: 1999: 4,73%; 2002: 6,22% (+ 1,49%)

IP (Arbeiderspartij): 1999: 0,19%; 2002: 0,51% (+ 0,32%)

TKP (Communistische Partij van Turkije), voormalige SIP: 1999: 0,13%; 2002: 0,19% (+ 0,06%)

CDP (Partij van de Vrijheid en van de solidariteit): 1999: 0,84%; 2002: 0,34% (-0,50%)

 

Bron: Info-Türk, 05/11/2002

(Uitpers, nr. 36, 4de jg., december 2002)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 57 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook