Tous au Larzac (5)

Van de Larzac via de commons naar de meent

 

De strijd om het gebruiksrecht van de grond op het plateau van de Larzac is intussen vijftig jaar oud, maar hij past in wat nu de reconquering of the commons wordt genoemd. Het voorbije decennium zijn de commons deel gaan uitmaken van het vocabulaire van een beweging van onderuit die het begrip met graagte omarmd heeft, maar niet altijd goed weet wat ze nu eigenlijk in handen heeft. Wat kunnen we nu verstaan onder de term ‘commons’ dat intussen in bliksemtempo een buzzwoord geworden is? Dat wordt het thema van de vijfde en laatste aflevering van de reeks ‘Tous au Larzac’.

Commons zijn voor de westerse mens een begrip uit lang vervlogen tijden dat ineens terug de volle aandacht krijgt, maar dat ook voor heel wat begripsverwarring zorgt. Hoe komt het toch dat een oud begrip zo is kunnen ondergesneeuwd geraken en nu opnieuw in al zijn glorie opduikt? Het werk van Elinor Ostrom dat in 2009 bekroond werd met de Nobelprijs economie zit daar zeker voor iets tussen. Het bood tegengif voor de stelling van Garrett Hardin die ervan overtuigd was dat het slecht zou aflopen met commons als ze niet geprivatiseerd werden. Hij sprak in dat verband over the tragedy of the commons.

Voor Ostrom, die vertrok van een heel andere economische logica, ging het daarentegen om de reconquering of the commons – recommoning dus – en het is die beweging die nog vele andere geestelijke vaders en moeders kent die in dit verhaal passen. David Bollier en Silke Helfrich bijvoorbeeld, twee sterke pleitbezorgers voor het opnieuw introduceren van de commons als een zeer belangrijk sociaal bindmiddel, verwijzen in hun uitstekende reader Patterns of commoning niet toevallig met veel respect naar het werk van Ivan Illich.[i]

Commons (in het Engels meestal in het meervoud gebruikt (biens communs in het Frans, los bienes comunes in het Spaans) komt ongeveer overeen met het Nederlandse ‘gemeengoed’, afgeleid van ‘de (ge)meent(e)’ of de ‘mient/meent’. Het betreft dan een gemene grond zoals een onverdeelde gemeenschappelijke weide, meestal als onderdeel van een gemeynt of marke. Bij commons gaat het niet alleen over het gezamenlijk gebruik van grond, weiden en bossen door de leden van een bepaalde gemeenschap, maar ook over afspraken voor gezamenlijke activiteiten zoals vee weiden en hout sprokkelen. Ivan Illich definieerde de meent als volgt: ‘Het ging om dat deel van de omgeving waarvoor het gewoonterecht bepaalde vormen van eerbiediging door de gemeenschap vereiste.’ [ii] De commons zijn dus geen privaat goed en ook geen eigendom van de overheid, maar worden beheerd door een gemeenschap van burgers, gebruikers en producenten, die er de voordelen en/of gevolgen van ondervinden.

Door de opkomst van het handelskapitalisme ontstond er vanaf het einde van de 15de eeuw een enclosure-beweging, wat inhield dat gemeenschapsgronden almaar meer geprivatiseerd werden. Gemeenschappelijke gronden werden omheind en hele dorpen werden vernietigd om schapen te weiden, nodig voor de textielnijverheid. [iii] Deze gemeenschappelijke gronden treft – of liever: trof – men ook aan op hooggelegen bergweiden (in de Pyreneeën, de Alpen, maar ook in de hoge Andes), irrigatienetwerken (in Spanje, in de Altiplano), maar ook op visgronden.

In zijn bekend werk The Great Transformation toont de economische antropoloog Karl Polanyi aan dat economische activiteiten altijd en overal waren ingebed in de rest van de samenleving. Van een opzichzelfstaand domein van de economie was volgens hem nooit sprake. Uiteraard werd er gehandeld, maar dat gebeurde vooral lokaal, en van ‘markten’ in de moderne zin van het woord was geen spoor te bekennen. Dat is ook de stelling van Jason Hickel, die andere economische antropoloog in zijn recent boek ‘Minder is meer’. [iv] ‘Wat we allereerst moeten begrijpen is dat, door de hele geschiedenis heen, economieën meestal waren georganiseerd rondom het principe van de ‘gebruikswaarde’ en niet de ‘ruilwaarde’ van een goed.’ Bij die handel speelde het individuele streven naar winst een ondergeschikte rol. Juist omdat de economie onderdeel was van een gemeenschap keek je wel uit om al te veel geld te verdienen ten koste van een ander. Voor je het wist, werd je uit het dorp verstoten. Wederkerigheid en herverdeling waren daarom veel belangrijkere motieven dan welvaart vergaren.

De economische theorieën over ruil en reciprociteit verdienen meer aandacht. De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde het fenomeen van de gift en koppelde daaraan het principe van de wederkerigheid. [v] Volgens hem is wederkerigheid in elke traditionele cultuur het cement van de samenleving. Geven en ontvangen zijn morele maatschappelijke verplichtingen waaraan geen enkel lid van een traditionele samenleving zich kon en mocht onttrekken. Reciprociteit is een vorm van solidariteit die steunt op de regel van de belangeloosheid. Bij reciprociteit worden niet alleen goederen en diensten uitgewisseld. Het gaat in wezen meer om de uitdrukking van goede wil, van de bereidheid om de andere te helpen. Wederkerigheid veronderstelt dat mensen in staat zijn tot coöperatief gedrag en tot een dosis altruïsme. De mens is ook vatbaar voor mededogen, wanneer andere mensen kwetsbaar zijn. Dat is de basis van vertrouwen en dus niet van ‘voor wat, hoort wat’.

Dat is ook de stelling van Hans Achterhuis: ‘Een kleine rondgang door de economische geschiedenis van de mensheid laat zien dat het goede leven waar het ons om gaat, zich veelal buiten de markt – maar ook buiten de staat! – afspeelt: in wederkerigheidsrelaties, in de oikos met de mensen die ons het naaste staan, in de gemeenschappelijkheid om greep op ons leven te houden.’[vi]

Die toenemende beweging naar reconquering of the commons of, anders gezegd, naar decommodificatie of ontmarkting beperkt zich niet tot het heroveren van giften van de natuur zoals de lucht, de zee, grondstoffen en zuiver water, maar het gaat ook over het ‘mutualiseren’ van maatschappelijke creaties zoals publieke ruimtes, bibliotheken, wetenschappelijk onderzoek en allerlei vormen van kennis. Van stranden en bossen tot het internet: het zijn in principe allemaal vormen van commons.

 

Een definitie

 

Vandaar ook de ruime definitie die Nobelprijswinnares economie Elinor Ostrom (maar eigenlijk bedreef zij een vorm van economische antropologie) eraan gaf: ‘Commons zijn gedeelde hulpbronnen (of platforms) die worden gecreëerd en verzorgd door een gebruikersgemeenschap, volgens haar eigen afspraken, regels en normen. Dit betekent dat  commons worden gedefinieerd door drie aspecten: ten eerste een gedeelde hulpbron (of platform), ten tweede is er sprake van een  gemeenschappelijke commoning-activiteit en ten derde wordt ze beheerd op basis van afspraken, regels en waarden die op z’n minst gedeeltelijk onafhankelijk zijn van de overheid of de markt.’ [vii] Het is de combinatie van deze drie dimensies (hulpbronnen, de gebruikersgemeenschap en de gemeenschappelijke instituties) die het concept van commons apart maakt, maar tegelijk ook moeilijk te analyseren.

In hun rapport ‘Wanneer burgers samen het heft in handen nemen’ stellen Dirk Holemans en zijn mede-onderzoekers commons gelijk aan burgerinitiatieven die naast reciprociteit, inspraak en transparantie ook gekenmerkt worden door een langetermijnperspectief. [viii] Een buurtbarbecue of een tijdelijke actiegroep vallen niet onder die definitie en worden door hen dus niet tot commons of burgercollectieven gerekend omdat er onvoldoende tijd aanwezig is om een commoning-proces op gang te brengen.

De stad Gent vroeg enkele jaren geleden aan de transitiedenker en oprichter van de peer-to-peer foundation Michel Bauwens om een stedelijk ‘commons’ plan uit te tekenen, wat hij voordien al gedaan had in Ecuador in opdracht van de regering van Rafael Correa. [ix] Samen met de journalist Yurek Onzia leverde hij een uitvoerig rapport af waarin hij vertrok van de definitie van Elinor Ostrom, maar hij hanteert nog een soepeler definitie.  ‘Commons kun je omschrijven als een gedeeld materieel of immaterieel goed dat gedragen, beschermd of geproduceerd wordt door een gemeenschap, in een stadscontext vaak door burgercollectieven, en beheerd wordt door de regels en normen van die gemeenschap… De commons staan los van maar hebben natuurlijk wel relaties met de markt en met de staat”. [x]

Indien aan een of twee van de drie criteria was voldaan, werd voor het onderzoek in Gent het initiatief meegeteld als een commonsgerichte activiteit. Het gaat dus in de eerste plaats om de activiteit van ‘commoning’, om het bezig  zijn met ‘commoniseren’, wat betekent voorrang verlenen aan het gebruiksrecht en het democratisch zelfbestuur.

 

Commons en politieke opstellingen

 

Commons’ is een hip begrip aan het worden en wordt op dit ogenblik nogal gemakkelijk, al te gemakkelijk, gebruikt om zeer uiteenlopende activiteiten te dekken die daaronder zouden vallen. Dat kan gevaarlijk zijn. Je kan immers vanuit verschillende politieke opvattingen naar het commons-verhaal kijken. Bestaat het gevaar immers niet dat door alleen maar te focussen op de commons we vanuit de neoliberale mantra al gauw een anti-overheidsverhaal aan het voeden zijn? We zouden in heel dat commons-verhaal wel eens kunnen voorbijgaan aan de sociale infrastructuur van de ‘welvaartsstaat’ voor zover die term nog gangbaar is na bijna vijftig jaar neoliberalisme. Wat met ons openbaar vervoer, de post, onderwijs, justitie, gemeentediensten, bibliotheken, brandweer, waterwerken en ga zo maar door? Zijn dat geen vitale publieke commons? ‘Laten we ook de veelzijdige sociale zekerheid niet vergeten, afgedwongen door een historische strijd van negentiende en twintigste-eeuwse sociale bewegingen: van pensioen, werkloosheidssteun en ziekteverlof, tot betaalde vakantie, kinderbijslag, ouderschapsverlof, invaliditeitsuitkering en leefloon.’ [xi] Hoe groot is de transitiekracht van die grassrootbeweging? Hoe kunnen lokale commoners zich verbinden met andere commons? Hoe komen we van klein naar groot, van experimenten en kleinschalige initiatieven tot vermenigvuldiging en opschaling die pas tot echte veranderingen aan het maatschappelijk systeem kunnen leiden? Die vragen moeten gesteld en beantwoord worden.

Het concept ‘commons’ waaiert op dit ogenblik uit in verschillende betekenissen en wordt doorgaans in het perspectief van ‘revolutionaire’ veranderingen geplaatst, die naargelang van de ambities van de gebruiker met een kleine of met een hoofdletter ‘r’ wordt geschreven. Hoe maatschappijveranderend kan en wil de commonsbeweging zijn en – vooral – hoe moeten die veranderingen politiek tot stand worden gebracht? De Griekse onderzoeker Vangelis Papadimitropoulos stelde zich die vraag in een paper The politics of commons: reform or revolt?

 

 

Mini-utopieën

 

Wetenschappelijk onderzoek naar commons blijft tot op dit ogenblik relatief schaars in een Vlaams-Belgische context. Dirk Holemans en het Oikos-team hebben daartoe baanbrekend onderzoek gedaan en ook Annette Kuhk en Pieter Van den Broeck hebben via het INDIGO-project (Innovation spatial development planning by differentiation land ownership and governance), boeiend onderzoek gedaan naar grondgebonden of landed commons. De neerslag van dat onderzoek verscheen in het zeer goed boek ‘Op grond van samenwerking, woningen, voedsel en trage wegen als heruitgevonden commons.’ Zij zien de commons-beweging als een politiek-realistische utopie, ‘die tot uiting komt in een beweging van allerlei initiatieven hier en nu, als kleine revoluties, of kleine utopieën, die meewerken aan een rechtvaardige herverdeling, wederzijdsheid en vermeenschappelijking.’ [xii] Commons zijn dus geen utopisch ideaal, maar een reële mogelijkheid voor een grondige correctie van het huidige marktsysteem en ten aanzien van de rol die de overheid daarin heeft of neemt.

 ‘De commons zijn tegelijk een economisch programma of model en een politieke filosofie, gebaseerd op een uitgebreid corpus aan wetenschappelijk onderzoek dat bevestigt dat mensen fundamenteel op samenwerking gericht zijn.’ [xiii] Goede commons-initiatieven zijn zeker sociaal innovatief omdat zij in menselijke behoeften voorzien die niet meer of niet voldoende door markt en overheid worden geboden, maar ook omdat daardoor de burgerparticipatie in straat, wijk en stad bevorderd wordt. In die zin kunnen zij de voorbode zijn van socio-economische en sociopolitieke transformatie. Niet meer maar ook niet minder.

Annette Kuhk en Pieter Van den Broeck stellen dat het ‘collectieve’ als organisatievorm en rechtsfiguur bij het begin van de 19de eeuw grotendeels afgeschaft is geworden. Zij pleiten zeer terecht om commons opnieuw een formele plaats te verlenen in het rechtssysteem om daardoor de complexe realiteit van ‘gedeeld’ eigenaarschap beter te ondersteunen. [xiv] Zij besluiten dan ook: ‘Voor commons als een ‘onderdeel van het palet’ in planning zijn politieke creativiteit en inzet nodig: om de maatschappelijke nood te erkennen, om aandacht te schenken aan de initiatieven van burgers, om in te gaan tegen de dominante logica van economische meerwaarde.’ [xv]

De uitgangsvraag van het INDIGO-project luidde ‘Hoe stuurt het eigendomsprincipe de aanhoudende grondinname in Vlaanderen aan en kan gedeeld grondgebruik- en beheer via commonsinitiatieven oplossingen daarvoor aandragen?[xvi]

Die vraag kan ook gesteld worden bij heel het verhaal van Tous au Larzac. Ook in Frankrijk is de basis van het rechtssysteem het privébezit. Dat bleek andermaal zeer duidelijk uit de manier waarop de Franse overheid de ZAD van Notre-Dame-des-Landes ‘ontmanteld’ heeft door haar claim op gedeeld grondgebruik niet te honoreren. De oplossing van Parijs was ‘terug naar het normaal’ en dat betekende terug naar het privébezit. Ondanks de felle strijd van ‘Tous au Larzac’ blijft ook daar het gedeeld grondgebruik- en beheer slechts tijdelijk gegarandeerd want, zoals beschreven in een vorige bijdrage, komen na 2084 de meer dan 6000 ha op het plateau die nu coöperatief beheerd worden terug in handen van de staat. ‘L’installation paysanne par la non-propriété’ zoals De Franse journaliste Amélie Poinssot het noemt, heeft ook daar zijn definitief beslag niet gekregen.

Vooralsnog staat de commonsbeweging juridisch niet erg sterk. Ze moeten ze zich vaak beroepen op restanten van middeleeuwse wetgeving – zie bijvoorbeeld het Engelse ‘Charter of the forest’ waarover auteurs als Peter Linebaugh en Guy Standing uitvoerig schrijven. [xvii]Veel verder dan de canons van het pachtrecht geraakt men echter niet.

 

Meenten, meentte, gemeent

 

Op sommige plekken en landen leeft die traditie echter nog verder. In een recent essay ‘De Meent’ verwijst de Nederlandse filosoof Achterhuis  hiervoor  naar Zweden en naar de praktijk van allemansrätten waarbij iedereen het inclusief recht heeft om gebruik te maken van een zekere ruimte, om deel te hebben aan en gebruik te maken van de gemeenheid. [xviii]Zoals in de middeleeuwse meenten ligt ook hier de nadruk op het gebruiksrecht waardoor de gebruikers van de meent konden overleven. Het was dat deel van de omgeving dat buiten iemands huisdrempel en persoonlijk eigendom lag, maar waarop hij een erkend gebruiksrecht bezat. Het gemeenschappelijk eigendom van de commons noemt hij een inclusief recht en om dat te verduidelijken haalt hij de oude tegenstelling over het begrip gemeenschappelijk eigendom aan tussen de rechtsgeleerde Hugo de Groot en de filosoof John Locke. De Groot maakt onderscheid tussen actieve en passieve rechten. Een passief recht houdt in dat men van iemand anders iets moet krijgen, terwijl een actief recht de vrijheid verschaft om zelf te  handelen. Volgens Locke hebben mensen juist een actief recht op gemeenschappelijk bezit of gebruik. Publieke voorzieningen daarentegen zijn gebaseerd op passieve rechten. Locke ontleent die actieve rechten aan de praktijk van de commons, de gemeenschappelijke gronden die in zijn tijd in Engeland weliswaar bedreigd werden, maar nog steeds bestonden als een overblijfsel uit de Middeleeuwen. Dat is de logica van de commons en die wordt door de meeste mensen niet meer begrepen. Daarvoor wordt nu opnieuw strijd geleverd, zowel in landelijke als stedelijke omgevingen waartoe ‘Tous au Larzac’ en de vele ZAD’s (zone à défendre) zoals in Notre-Dame-des-Landes in Frankrijk behoren.

Commons en commoning zijn moeilijk te vertalen begrippen in het Nederlands. ‘Gemeen goed’ en ‘vergemeenschappelijken’ komen in de buurt maar – zeker het tweede – klinkt eerder houterig. Laten we dan maar opnieuw gaan meenten! Achterhuis wil opnieuw inhoud geven aan dat oud begrip dat in zijn eigenzinnige encyclopedie er ongeveer zo uitziet:

Meenten (onoverg: meentte, heeft gemeent), afgeleid van ‘meent’ (v) [Eng. the commons, werkw. commoning] 1 gebruik maken van een onverdeeld, gemeenschappelijk bezit, zoals dat vanaf de twaalfde eeuw voorkwam in de vorm van ‘gemene gronden’; 2 gebruik maken van gemeenschappelijke hulpbronnen door leden van een groep of samenleving; 3 kleinschalige, utopische initiatieven nemen met een groep actieve deelnemers die samen een gemeenschap vormen.’

Laten we opnieuw gaan meenten!

 

[i] Bollier, David & Silke Helfrich (ed.) (2015). Pattern of commoning. Amherst: the commons strategies group.

[ii] Ivan Illich (1984). Man/vrouw: geslacht en sekse, Baarne,  p. 118

[iii] Tussen 1604 en 1914 zijn er in Groot-Brittannië meer dan 5200 enclosure besluiten genomen die meer dan 2,8 miljoen ha ontoegankelijk maakten voor collectief gebruik. https://en.wikipedia.org/wiki/Inclosure_Acts.

[iv] Jason Hickel, Minder is meer, Hoe degrowth de wereld zal redden, EPO, Berchem, 2021, p.81

[v] Marcel Mauss (1954). The gift. Forms and functions of exchange in archaic societies. London: Cohen & West.

[vi] Hans Achterhuis (2011). De utopie van de vrije markt. Rotterdam: Lemniscaat. p. 299

[vii] Ostrom, Elinor & Charlotte Hess (2016). Los bienes comunes del conocimiento. Madrid: Traficantes de sueños.

[viii] Dirk Holemans, Kati Van de Velde, Tine De Moor e Cornelis Kint. (2018) Wanneer burgers samen het heft in handen menen. Burgercollectieven opgericht in 2015 en 2016 van naderbij bekeken. Brussel: Koning Boudewijnstichting in samenwerking met Oikos Denktank en prof. T. De Moor (Universiteit Utrecht).

[ix] Michel Bauwens (2013)., De wereld redden, met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, Houtekiet, Antwerpen.

[x] Michel Bauwens en Yurek Onzia (2017). Commons transitieplan voor Gent.

[xi] Dries Goedertier & Robrecht Vanderbeeken (2017). Durf terug pro publiek te denken. In: Rekto Verso,  nr. 76, juni-juli- augustus, p. 35

[xii] Annette Kuhk, Dirk Holemans, Pieter Van den Broeck (red.) ‘Op grond van samenwerking, woningen, voedsel en trage wegen als heruitgevonden commons (2018), op. cit. p. 408.

[xiii] Georges Monbiot, ‘We zijn een samenleving van altruïsten die bestuurd worden door psychopaten’. Gie Goris en Tine Hens MO* 21 november 2018.

[xiv] Annette Kuhk  en Pieter Van den Broeck, Landed commons, uiteenzetting voor het jaarlijkse VRP-voorjaarscongres 2017, verschenen in: Ruimte, april 2017

[xv] Annette Kuhk  en Pieter Van den Broeck, Landed commons, uiteenzetting voor het jaarlijkse VRP-voorjaarscongres 2017, verschenen in: Ruimte, april 2017

[xvi] Annette Kuhk  en Pieter Van den Broeck, Landed commons, uiteenzetting voor het jaarlijkse VRP-voorjaarscongres 2017, verschenen in: Ruimte, april 2017

[xvii] Peter Linebaugh, Stop, thief!, PM Press, 2014 en Guy Stnding, Plunder of the commons, Pelican, London, 2019

[xviii] Hans Achterhuis, De Meent, Rotterdam, 2021

(Visited 112 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 288 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook