Toen vluchtelingenkinderen nog niet in gesloten asielcentra terechtkwamen…

Hilde Pauwels (coördinatie). ‘Los Niños. Tien vluchtelingenkinderen uit de Spaanse burgeroorlog vertellen’. EPO, Berchem, 2007. 224 blz. 20 euro. ISBN 978 90 6445 444 8.

Op 26 april was het precies zeventig jaar geleden dat de Hitleriaanse Luftwaffe en gevechtstoestellen van Mussolini’s Aviazione Legionaria in Spaans Baskenland het stadje Guernica (Gernika in het Baskisch) in de as legden. George Steer, de oorlogscorrespondent van de Britse Times, was getuige van deze luchtaanval. In Guernica werd één van de eerste terreurbombardementen uit de moderne krijgsgeschiedenis uitgevoerd. Steer beschreef hoe dit vredige stadje met vijfduizend inwoners op nauwelijks drie kwartier tijd in één grote rokende puinhoop werd herschapen. Hij zag bommen van 500 kilo inslaan en raamde het aantal slachtoffers op 800 à 3000. Guernica begroef zijn doden en de Spaanse schilder Pablo Picasso gooide zijn woede over deze nazistisch-franquistische moordzucht op een doek van 3,49 m hoog en 7,76 meter breed. Picasso’s ‘Guernica’ werd een van de monumentaalste schilderwerken van de twintigste eeuw.

De vernietiging van Guernica maakte deel uit van een groot offensief van de troepen van generaal Francisco Franco. Met de steun van hun Duitse en Italiaanse geestesgenoten konden de Spaanse fascisten in augustus 1937 Baskenland nagenoeg helemaal onder de voet lopen. De belangrijkste Baskische steden Bilbao en San Sebastián lagen maandenlang in de vuurlijn. Het waren strategisch belangrijke havensteden en ze kregen het zwaar te verduren met bijna dagelijkse bombardementen en dood en hongersnood voor de burgerbevolking.

‘Niños de la guerra’

Het was tijdens dat franquistische offensief van maart tot augustus 1937 dat de Baskische regering besliste een groot aantal jonge kinderen (meer dan 35.000 in het totaal) naar veiliger oorden in het buitenland te evacueren. Andere Spaanse provincies waar de Republikeinen en het linkse kamp nog stand hielden tegen de Francotroepen opteerden voor een ander beleid. Zij vonden dat de Spaanse oorlogsvluchtelingen in eigen land moesten worden opgevangen. De Basken die over een ruime autonomie beschikten vonden het wijselijker een aantal kinderen naar het buitenland te laten vertrekken. De ‘niños de la guerra’ werden over zee naar Frankrijk getransporteerd en vandaar ging het verder naar landen als Groot-Brittannië, Denemarken, de Sovjetunie en ook naar ons land. Vijfduizend van deze Spaanse (Baskische) ‘niños’, kleuters en kinderen uit de lagere school, kwamen in België terecht. Ze werden opgevangen in gastgezinnen – vaak arbeidersfamilies die sympathiseerden met de Belgische socialistische of communistische partij. Maar heel wat van deze kleine Spanjaardjes kwamen ook terecht bij doordeweekse Vlaamse, Waalse en Brusselse middenklassers. De linkerzijde in ons land maakte van deze solidariteit met de kinderen van de Spaanse republiek een erezaak. Voor de Belgische communisten was deze solidariteitsactie een niet onbelangrijk middel om de zogenaamde neutrale houding van de Belgische regering (in het kielzog van de Europese grootmachten Groot-Brittannië en Frankrijk) tegenover de Spaanse burgeroorlog aan te klagen. Want zoveel was duidelijk: de Westerse landen weigerden in naam van de neutraliteit de Spaanse Republikeinen bij te springen. De fascistische landen Duitsland en Italië steunden hun Spaanse bondgenoot Franco voluit. De Sovjetunie koos de kant van de Spaanse republiek en vanuit heel de wereld trokken 35.000 vrijwilligers van de ‘Internationale Brigaden’ naar Spanje om mee de strijd aan te gaan tegen het oprukkende fascisme. De Spaanse burgeroorlog was – wat Hitler-Duitsland en fascistisch Italië betrof – een generale repetitie voor Wereldoorlog II. De Spaanse republikeinen en hun bondgenoten van de Internationale Brigaden waren zich daar terdege van bewust.

Zes journalisten (Stefaan Anrys, Karin Eeckhout, Hilde Pauwels, André Rubbens, Karel Van Keymeulen en Jan Verstraete) tekenden – onder de vakkundige begeleiding van de historici Frank Caestecker en Sarah Eloy – de getuigenissen op van elf van deze Spaanse ‘niños de la guerra’, die op zeer jeugdige leeftijd in Gent, Mechelen, Brussel en Luik aankwamen.

Weg uit Franco’s hel

Sommigen van hen bleven definitief in ons land. Nauwelijks tweeëneenhalf jaar na hun vlucht voor het Spaanse fascistische oorlogsgeweld kwamen ze in België in een nieuwe oorlog en onder de nazi-bezetting terecht. Anderen werden na het einde van de Spaanse burgeroorlog in april 1939 vrij snel gerepatrieerd. Spanje was geruïneerd door de burgeroorlog – er heerste een genadeloze repressie tegen alle aanhangers van de Spaanse republiek. “In Spanje wordt gefusilleerd, zoals men elders bossen rooit”, schreef de Franse auteur Antoine de Saint-Exupéry in de nadagen van de overwinning van generaal Franco.

Deze ‘niños’ weten nog allemaal hoe ze naar de haven van Bilbao werden gebracht. De naam van het schip herinneren ze zich nog: Habana. Ze vertellen vaak hetzelfde verhaal over het vertrek – onder begeleiding van Britse oorlogsbodem en onderzeeërs. Over hun angst om door de franquistische vloot gekelderd te worden. De zeereis – hoe ze dagenlang last hadden van zeeziekte. De opvang in vakantiekolonies om even op krachten te komen. En dan naar België. De kinderen die naar Gent kwamen vertellen hoe ze in het lokaal van de socialistische partij, de ‘Vooruit’ feestelijk werden onthaald. Ze werden er ook toegewezen aan hun nieuwe pleeggezinnen. En dat zorgde soms voor grote en kleine drama’s: broertjes en zusjes raakten gescheiden, werden niet in een zelfde pleeggezin ondergebracht.

Carlos Pascual Madorran is vandaag 74 jaar. Hij was de benjamin van de ‘niños’. Vierenhalf was hij toen hij op de boot werd gezet om aan de oorlogsellende te ontsnappen. Vandaag vertelt hij zijn verhaal in sappig Gents. De Gentse dokwerkers en transportarbeiders lieten in die dagen spaarkaarten drukken, waarmee sympathisanten van de Spaanse zaak hun steentje konden bijdragen om de opvang van de oorlogskinderen te financieren. Voor die spaarkaart hadden ze een foto van Carlos gebruikt. Heel sjofel gekleed, een echte Baskenmuts op zijn hoofd. Toen zijn moeder in San Sebastián de foto te zien kreeg, werd het even zwart voor haar ogen. “Dat ze mijn zoon zo hebben aangekleed!” Zij zorgde er voor dat haar kinderen altijd piekfijn gekleed liepen. Carlos bleef in Gent. Voor goed. Zijn moeder kwam later naar Gent. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog – zijn vader was net door de franquisten vrijgelaten – werd Carlos’ gezin herenigd.

De meeste niños herinneren zich niet echt veel van de gruwel van de Spaanse burgeroorlog. De kinderen die uit Bilbao kwamen weten nog vaag hoe ze in spoorwegtunnels moesten schuilen voor de bombardementen.

Lubi De Coninck is 79 – kwam in een Mechels pleeggezin terecht, werd later geadopteerd en werd een echte manenblusser. Hij heeft wel scherpe herinneringen aan Barakaldo, de voorstad van Bilbao waar hij in 1927 werd geboren als Eusebio Lopez y Garcia. Voor de ingang van de spoorwegtunnel waar zijn familie een onderkomen had gezocht ontplofte op een dag een bom.

“Later, zelfs toen ik al enkele maanden in België was, kroop ik nog altijd onder tafel als ik een vliegtuig hoorde.”

Angel Mugica Gonzalez (77 vandaag) kwam uit San Sebastián naar Gent. Ook hij bleef hier en werd later kapper. Hij herinnert zich nog goed hoe hij en zijn vriendjes na school in een vuurgevecht terechtkwamen. Zijn vriendje Javier had hem net nog gevraagd hoe je het woord ‘Luna’ (maan) schrijft. Het antwoord heeft Angel nooit kunnen geven. Enkele tellen later lag Javier dood naast hem. De kogel was raak. “Hij zou onherkenbaar geweest zijn als hij die mooie krullen niet had gehad”. Ook Angel werd bij dit gevecht door een kogel getroffen. Gelukkig voor hem liep dat niet zo fataal af.

‘Mensen met een gouden hart’

Matías Martinez Ibañez is 82. Hij woont in zijn geboorteplaats Sestao, een mistroostig industriestadje in de buurt van Bilbao. In 1937 kwam hij in Gent terecht in het gezin van Frans en Louise Roels. Mensen met een gouden hart. Hun eigen kinderen waren al de deur uit. Zijn pleegvader was een bekende Gentse communist. De familie zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet. En Matías heeft tijdens het laatste oorlogsjaar in Nederland meegevochten voor de bevrijding op nazi-Duitsland. Het mocht allemaal niet baten. In 1949 is de Koude Oorlog al in alle hevigheid opgelaaid. “Dat anticommunisme besmette al snel de Europee landen die onder invloed van de VS stonden.” Alles wat nog maar naar communisme rook, werd vervolgd. Na een incident in Gent – waar hij niets mee te maken had (een standbeeld van koning Albert op zijn paard werd beschadigd en de Gentse communisten kregen er de schuld van) moest Matías binnen de achtenveertig uur het land verlaten. Uitgewezen. Terug naar het land van het Francofascisme, naar de repressie, de armoede en de – net geen – hongersnood. Matías is nog altijd verbolgen over “de grove onrechtvaardigheid van de Belgische autoriteiten”.

De grote familie Eekman

Esther Arocena Torrecilla is 83. Op 11 juni 1937 stapte ze op de boot richting Frankrijk. Zij was een weeskind. Moeder overleden net voor het begin van de burgeroorlog. Vader vertrokken naar het front in Vitoria om er in de rangen van de republikeinen tegen Franco te vechten. Spoorloos verdwenen. “Op zee voeren we voorbij een oorlogsschip van Franco, de Cerbera, dat zijn kanonnen en mitrailleurs op ons richtte. We vreesden dat die ons tot zinken zou brengen. We waren toen in volle zee. Gelukkig waren er twee Britse onderzeeërs die ons hielpen. Met witte vlaggen en hun kanonnen op de Cerbera gericht, vormden ze een escorte die ons beschermde. We dachten dat we zouden sterven. Het was de grootste paniek van mijn leven. De fascisten waren echte moordenaars. Ze hadden de tienduizend kinderen en hun begeleiders evengoed kunnen ombrengen. Ik wil dat iedereen dat weet om zulke situaties in de toekomst te vermijden.”

Esther Arocena Torrecilla kwam in Schaarbeek terecht bij de familie Eekman, een kinderrijk (relatief welgesteld) gezin, overtuigde communisten, die hun grote huis hadden opengesteld voor tal van vluchtelingen uit nazi-Duitsland. De familie Eekman ging tijdens de nazi-bezetting van België in het verzet en betaalde daarvoor een zeer hoge prijs.

Esther Arocena Torrecilla vertelt over Alex en zijn vrouw Jo (die als ‘moeke’ door het leven ging): “Alex en Jo Eekman waren lid van het verzet. Eerder al toen Hitler in 1933 de macht overnam in Duitsland, boden ze joden en politieke vluchtelingen onderdak. Maar ze werden verklikt. Ik ben op het nippertje ontsnapt aan een inval van de Duitsers (…) Het was vreselijk. De Duitsers namen de vader, Alex, mee. En ook de drie oudste kinderen: Anette, Johan en Walter. Bij het begin van de oorlog was Walter met zijn broer Tom naar Frankrijk gevlucht, op bevel van de Belgische regering. Die had erop aangedrongen om zich bij de terugtrekkende Belgische strijdkrachten te voegen. Tom werd op de Franse wegen door een Duitse Messerschmitt neergemaaid en was dood. Walter wou niet alleen in Frankrijk blijven en was naar België teruggekeerd. En nu werd hij ook opgepakt. Alex werd naar Mauthausen gestuurd. Op een dag kwam het bericht dat hij er was omgekomen. De precieze datum van zijn overlijden hebben we nooit vernomen. Anette moest naar Ravensbrück. Walter kwam terecht in Breendonk, maar het is niet omdat dit een Belgisch kamp was, dat de levensomstandigheden er beter waren. Het was evenzeer een dodelijk kamp. Ook Johan werd naar Breendonk gestuurd, daarna naar Duitsland. De jongste kinderen, Wim en Roeland, werden een tijdje in de gevangenis opgesloten, maar daarna weer vrijgelaten. Het was toen voor iedereen gevaarlijk om bij moeke langs te gaan. Want de Duitsers zegden dat ze geen vin mochten verroeren, anders zouden ook de jongste kinderen weggehaald worden. Moeke werd veertien dagen voor het einde van de Tweede Wereldoorlog toch nog opgepakt. Ze werd met een transport naar Ravensbrück gebracht, waar ze na drie jaar haar dochter Anette terugzag. Daar zaten ook Duitsers gevangen die ze op hun vlucht voor de nazi’s nog bij haar in huis had opgenomen. Een aantal van hen stond in voor de bewaking. Zij hebben voor bescherming gezorgd, in de mate van het mogelijke natuurlijk. Het was ook nodig want moeke was ziek. Indien de Duitsers dat hadden geweten, dan hadden ze haar wellicht omgebracht. Inmiddels naderden ook de Russen. Na de bevrijding van het kamp ging moeke naar Zwitserland om op krachten te komen. Ook de jongens waren in een slechte gezondheid. Ze keerden meer dood dan levend terug. Walter woog amper nog 36 kilo (…) Ik heb de kinderen Eekman nog vaak teruggezien. We werden vrienden voor het leven.”

Esther Arocena Torrecilla bleef in België. Meer dan veertig jaar lang was ze haute coutureontwerpster bij Claire Mannerie in Brussel.

Vluchtelingen anno 2007

François Santin – zijn vader was een overtuigde linkse, filosoof en hoogovenarbeider in de staalfabriek Altos Hornos de Vizcaya in de buurt van Bilbao. François Santin is niet vergeten dat zijn vader zo zijn eigen kijk had op het leven. “Arbeid Adelt. Elke arbeider is dus eigenlijk een notabele”, zo luidde een van de stellingen van zijn vader. Santin kwam als ‘niño de la guerra’ naar ons land en werd toen hij vijftien was met zijn broer terug naar Spanje gerepatrieerd. Hij kon daar niet harden onder de fascistische Francodictatuur en kwam terug naar België. François Santin vond hier werk en zou later voor de socialistische vakbond FGTB aan de slag gaan. Vandaag is hij al een achttal jaar actief in de vzw ‘Démocratie sans Frontières’ – die ijvert voor een betere verstandhouding tussen Belgen en allochtonen.

“Ik heb nooit mijn levensverhaal willen vertellen omdat het niet uniek is. En omdat duizenden anderen hetzelfde hebben beleefd. Maar als we vergeten wat gisteren is gebeurd, dan overkomt ons morgen hetzelfde,” zegt hij.

Een aantal van deze voormalige Spaanse vluchtelingen vertelt hoe moeilijk ze het nog steeds hebben als ze beelden zien van oorlogsvluchtelingen of verhalen horen van vluchtelingen die vandaag hun toevlucht zoeken in Spanje of in België. De ‘niños de la guerra’ konden in hun tijd rekenen op een hartverwarmende solidariteit. Vandaag zien ze hoe België vluchtelingenkinderen opsluit in gesloten asielcentra. En hoe kinderrechtencommissaris, Ankie Vandekerckhove, de liberale en socialistische excellenties van de paarse regering hiervoor op de vingers tikt en hen eraan moet herinneren dat België de Internationale Conventie voor de Rechten van het Kind heeft ondertekend…

(Uitpers, nr 88, 8ste jg., juli-augustus 2007)

(*) Met de publicatie van het boek ‘Los Niños’ is de eerstkomende maanden ook een reeks culturele activiteiten gepland.

– Zo trekt er een fototentoonstelling over dit thema het land rond: zie www.bewogenfotografen.be en www.linxplusscheldeland.be.

– De ‘niños’ zijn ook prominent aanwezig tijdens het multimediaproject ‘Vlernika’ in het kader van de Gentse feesten in juli: zie: www.trefpuntvzw.be.

– Op zondag 15 juli is er tijdens de Gentse Feesten een debat over dit thema: ‘Zonder dwarsliggers kunnen de treinen niet rijden’ – Is internationale solidariteit vandaag nog mogelijk in het rijke Noorden? Zie: www.trefpuntvzw.be.

– En er is ook het theaterproject ‘Spaans Krijt’: zie www.istf.be.

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=494686&refsource=uitpers

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel