Tibetaans spook waart door Olympisch Peking

Het is wellicht geen toeval dat er in Lhasa en andere delen met Tibetaanse bevolking betogingen werden georganiseerd enkele dagen vóór de Olympische vlam werd ontstoken. Een complot? De vrienden van China staan natuurlijk klaar om van een complot te spreken bedoeld om de Olympische Spelen te saboteren. Maar de onrust weerspiegelt in de eerste plaats hoe talrijke Tibetanen de Chinese aanwezigheid als een bezetting blijven beschouwen.

Onder het bewind van de Dalai Lama was 95 procent van de bevolking in slavernij gedompeld, luidt een van de argumenten om de Chinese aanwezigheid goed te praten. Nu, de Dalai Lama is een van de laatste om dat tegen te spreken.

Een ander argument: het Tibetaans boeddhisme is helemaal niet zo vreedzaam als in de buitenwereld wordt voorgesteld. Dat is een historisch feit. De geschiedenis van dat boeddhisme hangt bijna aan elkaar van intriges, interne afrekeningen, slachtingen tussen de diverse stromingen. Ook vandaag is dat boeddhisme verre van een eenheid. Ook in het kamp van de Dalai Lama staan fracties met getrokken messen tegenover elkaar. Vooral radicale groepen verwijten de Dalai Lama dat hij met zijn eis voor ruime autonomie verraad aan de Tibetaanse zaak pleegt.

Bezetting

Hoe de “vrienden van China” het ook draaien of keren; de meeste Tibetanen hebben zich niet neergelegd bij 58 jaar bezetting – want dat is het in hun ogen.

“Dalai Lama koetchi koetchi” riep een Tibetaanse vrouw ons bij een bezoek in 1984 de ganse tijd na. “De Dalai Lama zal terugkeren”, vertaalde iemand voor ons. Tibet was opengesteld voor toeristen en het Potala, het prachtige paleis van de Dalai Lama bovenop een steile heuvel, was opengesteld voor bezoek. Het was weer een van die periodes waarin de Chinese overheden een poging deden om vriendelijk te zijn voor de Tibetanen. Maar repressie noch ‘vriendelijkheid’ hebben totnogtoe geholpen om de harten van de meeste Tibetanen te winnen.

Tibet had zwaar geleden onder de zogenaamde “Grote Proletarische Culturele Revolutie” van de tweede helft van de jaren 1960. Veel schitterende tempels van het Tibetaans boeddhisme waren vernield, de meeste kloosters waren leeg en in de hoofdstad Lhasa was de Jokhang tempel omgevormd tot letterlijk een varkensstal. In het begin van de jaren 1980 gooide Peking het roer om, er kwamen zelfs verontschuldigingen voor de verwoestingen, de kloosters raakten weer wat meer bevolkt met monniken. In de Jokhang tempel maakten we dat jaar de inwijding mee van een ‘kleine boeddha’.

Lhasa had toen, in 1984, nog een sterk Tibetaans uitzicht. Al viel het onmiddellijk op dat er bij de Han-Chinezen (92 % van de bevolking van China bestaat uit “etnische Chinezen”) weinig sprake was van integratie. Hier leefden duidelijk twee gemeenschappen volkomen naast elkaar, nauwelijks met elkaar. In de lange rijen mensen die aanschoven om het Potala te bezoeken, was er niet één etnische Chinees te bespeuren. Nu is dat wel veranderd, Chinezen met geld gaan nu ook op reis naar die exotische provincie.

Apartheid

Tien jaar later was die scheiding niet verminderd. Lhasa was intussen meer een Chinese stad geworden met een Tibetaanse wijk. China tracht onder meer met migratie zijn greep op Tibet te versterken. Het probleem is dat etnische Chinezen niet graag naar Tibet gaan, het leven is er op die grote hoogte niet zo makkelijk – veel bezoekers moeten al wel eens naar de zuurstoffles grijpen. Peking moet etnische Chinezen extra betalen om ze daar een tijdje te laten werken, de meeste willen slechts tijdelijk in Tibet leven, ze missen er teveel de vertrouwde omgeving. De enige vorm van integratie die we zagen, waren cafés en bars waar jonge Chinezen en Tibetanen dezelfde kleren droegen en dezelfde drankjes namen.

Tegelijk waren de kloosters weer wat bevolkt geraakt. Niet zoals vóór 1950 toen een zeer groot deel van de “actieve bevolking” als monnik in kloosters leefde, op kosten van de rest van de Tibetanen. Maar die herleving baarde de Chinezen zorgen, want zij hebben geen controle over die kloosters, weten niet wat daar gebeurt en waarop die monniken broeden. Betogingen zoals die van deze maand zijn voor Peking een nachtmerrie.

Bijna 60 jaar nadat de troepen van de Volksrepubliek Tibet binnentrokken en bijna vijftig jaar na de vlucht van de Dalai Lama en vele duizenden Tibetanen naar India, is Peking er dus nog altijd niet in geslaagd dit gebied stevig onder zijn controle te brengen. De huidige onrust komt Peking wel erg ongelegen, enkele maanden vóór de Olympische Spelen. En ook op een moment van nieuwe spanningen in Xinjiang (Oost-Turkestan) waar de Oeigoeren, een Turks volk, door massale Chinese migratie een minderheid aan het worden zijn. China heeft relatief inderdaad niet zoveel etnische minderheden (in totaal toch meer dan 100 miljoen personen) maar die zitten meestal in regio’s die belangrijk zijn voor de strategie of de energievoorziening.

Ander land

De reden voor dat Chinese falen in Tibet is fundamenteel simpel: China heeft niets te maken in Tibet. De Chinezen voeren allerlei historische argumenten aan, zoals een eeuwenoud vorstenhuwelijk in de 13de eeuw en het feit dat Tibet in de loop der geschiedenis dikwijls, tegen zijn wil, bij het Rijk van het Midden was ingelijfd. Maar die argumenten snijden geen hout: Tibet is in alle opzichten een ander land, met een volkomen afgelijnde eigen geschiedenis en cultuur. Bovendien, en dat is toch een belangrijk tegenargument, hebben de Tibetanen de Chinezen nooit gevraagd om hen te “bevrijden”.

Want zo stelt Peking het soms ook wel voor. China zou Tibet bevrijd hebben van een achterlijke feodale samenleving waarin de mensen werden onderdrukt. Dat is waar, de Dalai Lama is trouwens een van de eersten om dat te beamen. China heeft inderdaad onderwijs, gezondheidszorg, een beetje hygiëne en infrastructuur gebracht. Er is nu een lange spoorlijn naar Lhasa. Met statistieken kan Peking aantonen dat de Tibetanen het nu materieel heel wat beter hebben dan wat ze in de oude feodale maatschappij zouden hebben gekend.

Strategie

Peking bezette Tibet in 1950 in de eerste plaats om strategische redenen. De Volksrepubliek was na de communistische revolutie van 1949 nogal geïsoleerd – de Verenigde Staten en de rest van het Westen erkenden het nieuwe China niet, zodat de nieuwe leiders zich redelijk bedreigd voelden. Tibet wordt niet voor niets het “dak van de wereld” genoemd. Peking vreesde dat zijn vijanden van Tibet een vijandige basis zouden hebben gemaakt. Door het zelf te bezetten werd dat risico ingedijkt. Later, in 1962, vochten China en India een oorlog uit om enkele grensgebieden, waarmee China ook wel wilde duidelijk maken dat het desnoods vanuit Tibet de dichtbevolkte gebieden van India kon bedreigen.

Vandaag is de politiek van “containment”, de indijking, van China dé prioriteit van Washington. De Amerikanen hebben de voorbije jaren niets onverlet gelaten om China militair, met basissen en vloot, zoveel mogelijk te omsingelen. In die optiek blijft Tibet voor Peking even belangrijk als in 1950. Trouwens, in twee gesprekken die ik ooit met de Dalai Lama (Oceaan van Wijsheid, en dat gaat voor hem op) had, zei hij iedere keer weer dat de Tibetanen inderdaad rekening moeten houden met de strategische belangen van China. Tibet mag nooit een vijand van China worden, zei hij. Maar Peking lijkt er nu rotsvast van overtuigd dat de Dalai Lama opzettelijk rellen doet uitlokken om China’s imago vlak voor de Olympische Spelen te besmeuren.

Dat is hoe dan ook gelukt, al roept de Dalai Lama op de Spelen niet te boycotten, althans niet sportief. Het zit er wel in dat enkele landen de Spelen politiek boycotten of andere manieren zoeken om hun steun aan de Tibetaanse actievoerders te betuigen.

De Tibetanen zelf zijn verdeeld, zoals meestal. De geschiedenis van het Tibetaans boeddhisme is er trouwens een van veel strijd tussen diverse stromingen, van harmonie is lang geen sprake geweest. Ook in ballingschap is het tot zware disputen gekomen, zodat Peking af en toe dacht van die verdeeldheid gebruik te kunnen maken om tot afspraken te komen met een van die stromingen. Maar tevergeefs.

(Uitpers, nr 97, 9de jg., april 2008)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 51 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook