Theodor Herzls utopie werd Palestijnse nachtmerrie

Theodor Herzl, ‘De Jodenstaat’, Mets & Schilt, Amsterdam, 2004, 142 blz., 19 euro,
ISBN 90 5330 411 8. (vertaling Sander Hendriks, nawoord Isaac Lipschits).

Kunnen boeken de wereld veranderen? Schijnbaar wel. Neem bijvoorbeeld ‘Der Judenstaat’. Honderd en acht jaar geleden – op 14 februari 1896 om precies te zijn – liepen de eerste vijfhonderd exemplaren van dit boekje (een kleine honderdtwintig pagina’s) van de pers.

Auteur Theodor Herzl had er een hele klus aan om het te slijten. Niemand zat te wachten op zijn utopisch geschrift. Hij vond dat het in Europa woedende antisemitisme niet kon worden bestreden. De enige oplossing was de oprichting van een joodse staat. De joden moesten massaal emigreren naar dit ‘beloofde land’. Niemand kon toen vermoeden dat dit slecht geschreven boekje, met zijn kromme zinnen, zijn racistische, kolonialistische en pseudo-wetenschappelijke denkbeelden en ineengeflanste argumentatie, de kaart van het Midden-Oosten zou hertekenen. De eerste Nederlandse vertaling van ‘Der Judenstaat’ ligt sinds kort in onze boekwinkels.

Herzls zionistische utopie werd de nachtmerrie van de Palestijnen. Al-Nakba (de catastrofe), zo noemen de Palestijnen de gebeurtenissen van 1947-1948 nog steeds. Na de goedkeuring van resolutie 181 in de Verenigde Naties, waarin werd aanbevolen om het Britse koloniale mandaatgebied Palestina te verdelen in een joodse en een Arabische staat, brak de hel los. Voor de Palestijnen was dit plan onaanvaardbaar. Hun mening werd niet eens gevraagd. En het verdeelplan was voor hen bijzonder onrechtvaardig. De zionistische kolonies hadden op dat ogenblik slechts 7% van het grondgebied onder hun controle. Volgens het VN-verdeelplan kregen ze niettemin 55,5% toegewezen. De zionisten, die Palestina wilden omvormen tot ‘Eretz Israël’ (Groot Israël), wilden meer. “Niet de VN, maar de wapens zullen beslissen over de grenzen van de joodse staat”, zei Ben Goerion, de zionistische voorman, die op 15 mei 1948 eenzijdig de staat Israël zou uitroepen. Chaim Weizman, de latere president van de joodse staat, voorspelde dat Palestina “zo joods zou zijn als Amerika Amerikaans of England Engels is”. En zo gebeurde het. Tijdens de oorlog die in 1947 en 1948 in Palestina woedde – in Israël noemen ze hem nog steeds de ‘onafhankelijkheidsoorlog – werd de meerderheid van de Palestijnen (900.000) uit hun land verdreven. Dat ging gepaard met gruwelijke slachtpartijen en terroristische aanslagen. In Deir Yassin, een dorpje in de buurt van Jeruzalem, werden 250 Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen afgeslacht door de zionistische milities Irgun en Stern (die onder leiding stonden van de latere premiers Menahem Begin en Yitzhak Shamir). Op de ruines van dit dorp werd later de joodse wijk Har Nof gebouwd. Menahem Begin had er een flat, waar hij zijn laatste levensdagen sleet. Op de akkers van Deir Yassin en het naburige dorp Ayn Karim bouwde de staat Israël het officiële Holocaust Memorial, Yad va-Shem. Deir Yassin was geen incident de parcours, geen ‘ongeluk’, dat in het hevigst van de strijd kon gebeuren. De zionistische milities richtten in die dagen vierendertig andere, vergelijkbare slachtingen aan in Palestijnse dorpen. De staat Israël kon worden opgericht dank zij een grootschalige etnische zuivering van de Palestijnen. Tijdens en onmiddellijk na de ‘onafhankelijkheidsoorlog’werden 400 van de 500 bestaande Palestijnse dorpen met de grond gelijk gemaakt. De verdreven Palestijnen verloren niet alleen al hun bezittingen, ze waren ook hun nationaliteit kwijt. Ze werden statenloze burgers.

Een grote ‘ziener’

De oprichting van de ‘joodse staat’ gebeurde iets meer dan een halve eeuw na de verschijning van Herzls zionistische manifest. De zionisten noemen hun founding father nog steeds een grote ‘ziener’. En tot op zekere hoogte hebben ze gelijk. In de inleiding van “De Jodenstaat’ waagde Herzl zich meteen aan een voorspelling, die later zou uitkomen. “De Jodenstaat is een internationale behoefte. Daarom zal hij ontstaan.” Herzl wist als geen ander dat hij voor zijn fantasievolle plannen de steun van de grootmachten nodig had. Hij hoopte dat “de mogendheden bereid zouden zijn het joodse volk de soevereiniteit over een neutraal land te verlenen” en voorspelde dat zijn nog op te richten groupuscule, de ‘Society of Jews’, (later het ‘Jewish Agency’ en de ‘World Zionist Organisation’), “met de huidige machthebbers in onderhandeling zou treden, en wel onder protectoraat van de Europese mogendheden.” Ook deze voorspelling kwam min of meer uit: de staat Israël werd in 1948 opgericht dank zij de steun van de grootmachten, de grote overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog: Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjetunie.

Oostenrijkse Jules Verne

Slechts weinigen – ook binnen de joodse gemeenschap – namen Theodor Herzl ernstig. Toen ‘De Jodenstaat’ verscheen, werkte Herzl voor de redactie van de Weense liberale krant ‘Neue Freie Presse’. In de redactielokalen deden grappen over hem de ronde. Collega’s noemden hem de “Oostenrijkse Jules Verne”. Theodor Herzl was een dweper. En hij was zich daarvan bewust. “Het gevaar is groot dat mijn plan voor dweperij wordt gehouden”, waarschuwde hij. Bij het schrijven van ‘Der Judenstaat’, zo bekende hij later, “verkeerde ik in zo’n verheven gemoedsstemming zoals ik nog nooit tevoren had gekend”. Het deed hem denken “aan Heinrich Heine, die bij het schrijven van een gedicht het wieken van de vleugels van een adelaar boven zijn hoofd hoorde.”

Herzl was in 1860 in Boedapest geboren in een niet eens zo vroom joods gezin. Het besef dat hij jood was en dat het antisemitisme Europa regelmatig teisterde, groeide bij hem pas toen hij in 1878 in Wenen rechten ging studeren. Hij maakte er kennis met antisemitische auteurs, zoals Eugen Karl Dühring. Die had in 1881 een bijzonder ranzig anti-joods traktaat geschreven: ‘Die Judenfrage als Frage der Rassenschädlichkeit für Existenz, Sitten und Kultur der Völker’. Dühring vond de joden een ‘schadelijk ras’, dat een bedreiging vormde voor ‘het bestaan, de zeden en de cultuur van de volkeren’. Vreemd genoeg kende Herzl – althans naar eigen zeggen – bekende zionistische auteurs van zijn tijd niet. Zo had hij nog nooit gehoord van Leon Pinsker, die in 1882 het zionistische pamflet ‘Auto-Emanzipation’ had geschreven. Herzl noteerde in zijn dagboek dat hij wellicht ‘De Jodenstaat’ nooit zou hebben geschreven als hij Pinskers geschriften had gelezen.

Antisemitisme, een ‘ongeneeslijke ziekte’

“Judeofobie is een psychische afwijking. Als zodanig is ze erfelijk en omdat ze als een ziekte tweeduizend jaar lang is overgedragen, is ze ongeneeslijk”, schreef Pinsker. Herzl was het hier volmondig mee eens. “Het antisemitisme kan niet bedwongen worden. Het kan niet uit de wereld worden geholpen zolang de grondslagen ervan niet uit de weg zijn geruimd. Zijn deze echter wel uit de weg te ruimen?”, vroeg Herzl zich af. “Onder de bevolkingen groeit het antisemitisme van dag tot dag, van uur tot uur. En het kan niet anders of het zal nog verder groeien, omdat de oorzaken blijven voortbestaan en niet uit de weg geruimd kunnen worden”. In 1893 vatte Herzl nog het plan op om de ongeneeslijke ziekte van het antisemitisme uit te roeien door de joden massaal tot het christendom te bekeren. Hij wilde bij de paus een audiëntie aanvragen om de Oostenrijkse joden op een zondag op klaarlichte dag onder klokkengelui van de Weense Stephansdom te laten dopen. De audiëntie is er nooit gekomen. In plaats daarvan verzon Herzl zijn “nationale oplossing”. “Ik zie het joodse vraagstuk niet als een maatschappelijk en evenmin als een religieus vraagstuk. Het is een nationaal vraagstuk, en om het op te lossen moeten wij het in de eerste plaats tot een politiek wereldvraagstuk maken waarvoor de beschaafde volkeren in onderling overleg een regeling moeten kunnen vinden.”

Herzl koos voor de oprichting van een joodse staat, als enige oplossing voor het anti-joodse racisme. Vreemd genoeg kwam hij tot die conclusie, toen hij in 1894 en 1895 in Parijs voor de Neue Freie Presse het proces tegen de Franse, joodse legerkapitein Dreyfus volgde. Dreyfus werd beschuldigd van hoogverraad. Het werd een politiek proces. De Franse rechterzijde bezondigde zich aan antisemitisme van het goorste soort. De termen links en rechts in onze politieke cultuur dateren trouwens vanuit de tijd van zaak Dreyfus. In de Assemblée nationale zaten de verdedigers van Dreyfus (de antiractisten) aan de linkerkant, de rechtse, Franse nationalisten en antisemieten zaten rechts. Het proces leverde een hoogstandje van de Franse literatuur op: het briljante “J’accuse” van Emile Zola. Terwijl de democraten en tegenstanders van racisme en antisemitisme zich energiek manifesteerden, kwam de correspondent van de Neue Freie Presse tot een heel ander besluit: antisemitisme is onuitroeibaar, het kan niet bestreden worden, voor de joden is er in Europa geen plaats, ze hebben een eigen staat nodig.

Herzl en zijn medestanders discussieerden, na het eerste zionistische congres in het Zwitserse Basel in 1897, nog vele jaren voor ze de definitieve knoop doorhakten. Aanvankelijk wilden ze hun joodse staat in Argentinië of in Oeganda oprichten. Uiteindelijk kozen ze voor het bijbelse, beloofde land Palestina .

Flirten met de grootmachten…

Herzl was een man van zijn tijd. Kolonialisme was toen nog geen beladen woord. Alle grootmachten hadden overzeese kolonies. Zelfs de Belgische dynastie, onder Leopold II, had het wingewest Congo (waar overigens zeer veel Congolees bloed was gevloeid). Herzl was een fervent voorstander van de koloniale onderneming. Zijn zionistische droom noemde hij zonder meer “kolonisatie”. In ‘De Jodenstaat’ schreef hij een hoofdstukje met de titel ‘Palestina of Argentinië’. Hij sprak zich niet meteen uit of de joodse staat in Palestina of in Argentinië moest worden opgericht. “Argentinië is, gelet op de natuurlijke hulpbronnen, een van de rijkste landen ter wereld”, stelde hij vast. “Het heeft een enorm oppervlak met een geringe bevolking en een gematigd klimaat.” Voor Herzl is Palestina echter eerste keus: “Het is ons onvergetelijke historische thuisland. Alleen al van de naam zou een enorm pakkende oproep naar ons volk uitgaan om zich te verzamelen.” Om er in een kolonialistische oprisping meteen aan toe te voegen: “Voor Europa zouden wij daar een onderdeel van de vestingwal tegen Azië zijn. Wij zouden een voorpost van de beschaving tegen de barbarij vormen.” Af en toe was Herzl profetisch. Zijn navolgers – de politieke klasse van de staat Israël – beschouwen zich tot de dag van vandaag als een voorpost tegen de barbarij in Azië, in de onmiddellijke omgeving van de grootste olievoorraden van de wereld. Om zijn kolonisatieplannen te bepleiten ging Herzl actief lobbyen bij de machtigen der aarde: hij polste de sultan van Turkije (Palestina was toen nog een provincie van het Turkse rijk), hij klopte aan in Londen en zocht steun bij de Russische tsaren.

… en met de antisemieten

Herzl reisde in 1903 naar Rusland om er steun te vragen voor zijn zionistisch project. Hij praatte er met de beruchte graaf Vyacheslav von Phleve, de minister van Binnenlandse Zaken in de regering van tsaar Nicolaas II. Vier maanden voor deze ontmoeting, was von Phleve nog verantwoordelijk voor een antisemitische pogrom in Kishenev, waarbij 45 joden werden vermoord en meer dan duizend gewond. De antisemiet von Phleve was voor Herzl een aanvaardbare gesprekspartner. Zijn adepten zouden ook na zijn dood in 1904 uiterst goede banden onderhouden met antisemitische kopstukken van de Europese politiek. Na actief zionistisch lobbywerk, gaf de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Balfour, in 1917 Britse steun aan de zionistische kolonisatie van Palestina. In de Britse politiek stond Balfour bekend als antisemiet. In 1905 was hij de pleitbezorger van de ‘Aliens Act’, waardoor Russische joden, die op de vlucht waren voor de tsaristische pogroms, de toegang tot Groot-Brittannië werd ontzegd.

De adepten van Theodor Herzl zouden bij de waanzinnigste opstoot van het antisemitisme ooit in Europa – nadat Adolf Hitler in Duitsland Führer werd – zelfs met de nazi’s gaan flirten. In 1933 sloot de World Zionist Organisation het beruchte Ha’avara Abkommen (Transferakkoord) met nazi-Duitsland. Dit akkoord moest Duitse joden in staat stellen zich in Palestina te vestigen, zonder daarbij hun vermogen te verliezen. Potentiële joodse kolonisten in Duitsland kregen het advies een van te voren vastgesteld bedrag in te leveren bij een speciaal hiervoor opgerichte bank. Met dit kapitaal vervaardigden Duitse ondernemingen producten voor de export naar de zionistische kolonies in Palestina. Na verkoop kwam de opbrengst van deze producten terug in handen van de emigranten. Vooraanstaande ‘socialistische’ zionisten, zoals David Ben Goerion, Moshe Sharett en Golda Meir, steunden het Ha’avara Abkommen. Dank zij deze deal emigreerden tussen 1933 en 1936 niet minder dan 164.267 Duitse joden naar Palestina. In die jaren was 60% van het in Palestina geïnvesteerde vermogen afkomstig uit nazi-Duitsland. Door de Ha’avara-regeling wisten de zionisten meer dan 40 miljoen dollar vanuit nazi-Duitsland naar Palestina over te brengen. Geen wonder dat de World Zionist Organisation zich met hand en tand verzette tegen een internationale economische boycot van nazi-Duitsland. De meeste joodse organisaties in de wereld riepen actief op om Hitler aan economische sancties te onderwerpen. In een brief aan de machthebbers in Berlijn schreef de World Zionist Organisation: “De verontwaardiging van joden in het buitenland over de ontwikkelingen in Duitsland kan de verwezenlijking van het zionisme alleen maar schade toebrengen. Propaganda voor een boycot – zoals momenteel op verschillende manieren tegen Duitsland wordt gevoerd – is in essentie onzionistisch.” In Palestina richtten de zionisten een bijzondere commissie op om zich in het boycotdebat te mengen. David Ben Goerion verduidelijkte het opzet: “Het is niet de taak van de commissie om te ijveren voor de rechten van de joden in Duitsland. De commissie moet zich enkel interesseren voor het probleem van de Duitse joden, in zoverre ze naar Palestina kunnen emigreren.”

In nazi-Duitsland bestond aan de top aanvankelijk veel belangstelling voor de zionistisch kolonisatie in Palestina. Adolf Eichmann, de latere architect van de ‘Endlösung’ (de massale uitroeiïng van de joden) vond de oprichting van een joodse staat een goede oplossing voor het “jodenvraagstuk”. In 1937 was hij te gast op het twintigste zionistische congres. Hij reisde hetzelfde jaar op uitnodiging van de zionisten naar Palestina. In 1938 had Eichmann nog een ontmoeting met David Ben Goerion en de latere burgemeester van Jeruzalem, Teddy Kolek.

Vreemd wereldbeeld

Wie ‘De Jodenstaat’ vandaag doorneemt, wordt ongetwijfeld getroffen door het vreemde wereldbeeld van Theodor Herzl. Hij was een fervente voorstander van het kolonialisme (de kolonisatie in Amerika verliep volgens hem ‘uiterst primitief”, hij vond de manier van koloniseren van de blanken in Zuid-Afrika heel wat deugdelijker). Racisme was hem niet vreemd. Hij was geschokt door het antisemitisme, om er in één adem aan toe te voegen: er is niets aan te doen, de enige oplossing is massaal emigreren naar een ‘joodse staat’. Op volstrekt willekeurig wijze deelde hij de wereld op in antisemitische landen en niet-antisemitische landen. Groot-Brittannië, dé grootmacht in zijn tijd, gold als een niet-antisemitisch land. Dat Londen wetten stemde waardoor het voor vervolgde joden uit tsaristisch Rusland onmogelijk werd naar Groot-Brittannië uit te wijken, leek voor Herzl geen punt.

Hij was van oordeel dat de joden zelf verantwoordelijk waren voor het antisemitisme. “De arme joden brengen het antisemitisme momenteel naar Engeland, naar Amerika hebben ze het al lang overgebracht”, zo noteerde hij in ‘De Jodenstaat’. Nu eens heeft hij het over ‘de joodse stam’, dan weer over ‘het joodse ras’. En Herzl nam de anti-joodse stereotypen zonder enige schroom voor waar aan. Hij typeerde de joden weinig fraai als “hebzuchtig volk”. Voor hem bestonden er twee belangrijke redenen, die het antisemitisme verklaarden: “de causa remota is dat wij in de Middeleeuwen het vermogen tot assimileren verloren hebben, de causa proxima is onze overproductie van intellectuele middengroepen, die geen afvloeiing naar beneden en geen opklimmen naar boven hebben, dat wil zeggen geen gezonde uitweg naar beneden of naar boven. Naar beneden toe worden wij tot revolutionairen geproletariseerd, vormen wij de onderofficieren van alle revolutionaire partijen, en naar boven toe groeit tegelijkertijd onze angstaanjagende financiële macht.” Het zijn anti-joodse stereotypen, die later steevast in de nazi-propaganda opduiken: de joden als raddraaiers van het joods-bolsjewistische en joods-plutocratisch-kapitalistische complot.

Fictie en non-fictie

Bij het verschijnen van ‘De Jodenstaat’ in 1896 was het absoluut onduidelijk of Herzl een fictie- of een non-fictieboek had geschreven. Uit dit traktaat bleek vooral zijn talent als fantast, utopist en dweper. De joodse staat, die hij voor ogen had, was een haast surrealistische constructie: arbeid, kapitaal en grond moesten er zuiver joods zijn, de joodse staat moest de modelstaat worden, waar de zevenurige werkdag voor iedereen gold. Herzl had de wazigste ideeën over het politiek bestel van zijn joodse staat. Hij noemde zich “een overtuigd vriend van monarchistische instellingen, daar zij het mogelijk maken een bestendige politiek te voeren en omdat ze de met de staat verbonden belangen vertegenwoordigen van een historisch beroemde familie die geboren en getogen is om te heersen. Onze geschiedenis is echter zo lang onderbroken geweest (de lijn van het huis van David) dat het voor ons niet meer mogelijk is bij deze instellingen aan te knopen.” De parlementaire democratie was niet aan hem besteed: “De volksmassa’s laten zich nog veel meer dan de parlementen door alle mogelijke dwaalleren beïnvloeden en laten zich inpakken door iedereen die zijn stem maar luid genoeg verheft. Het is onmogelijk ten overstaan van een voltallige volksvergadering gestalte te geven aan een binnen- of buitenlands beleid.”

Wat zou de voertaal moeten worden in Herzls joodse staat? Ook daaraan had de auteur gedacht. “Misschien denkt iemand dat het een probleem zal vormen dat wij geen gemeenschappelijke taal meer hebben. Wij kunnen toch immers geen Hebreeuws met elkaar spreken. Wie van ons kent voldoende Hebreeuws om in deze taal een treinkaartje te bestellen? Dat gaat toch niet. Toch is de zaak eenvoudig. Ieder behoudt zijn eigen taal.” “Het gedegenereerde en beknotte jargon waarvan wij ons heden ten dage bedienen, de gettotalen, zullen wij afleren. Het waren de geheimtalen van gevangenen. Onze volksonderwijzers zullen hun aandacht op deze zaak richten.” “De taal die het algemene verkeer het best blijkt te dienen, zal zonder dwang als hoofdtaal gaan fungeren.” Deze visie werd door Herzls adepten snel begraven. Ze voerden een nieuw Hebreeuws in als algemene voertaal, waardoor andere talen van de joodse gemeenschap, zoals het Jiddisch, gaandeweg in de verdrukking kwamen.

Herzl zag voor de joodse clerus een cruciale rol weggelegd voor de emigratie van de joden naar zijn staat. “Elke groep heeft zijn rabbijn, die met zijn gemeente meereist. Iedereen groepeert zich zonder dwang.” “Zullen wij op het eind een theocratie hebben?”, vroeg Herzl zich af. “Nee! De onvervulde theocratische ambities van onze geestelijken zullen wij in het geheel niet laten opkomen. Wij zullen hen in hun tempels weten vast te houden, zoals wij ons beroepsleger in de kazernes zullen vasthouden.” Zijn navolgers hebben ook deze Herzliaanse opvattingen gelaten voor wat ze waren: Israël is een theocratische staat, waar de scheiding tussen synagoge en staat onbestaande is, en waarin het leger het belangrijkste politieke personeel levert. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: generaal Yitzhak Rabin, generaal Ehud Barak en generaal Ariel Sharon zijn Israëlische premiers van de voorbije tien jaar…

In ‘De Jodenstaat’ sprak Herzl zich alleen uit over de manier waarop de joden naar de joodse staat moesten worden overgebracht: “zonder dwang”. Dat de plaatselijke bevolking hiervoor moest wijken, was voor hem niet meteen een zorg. En hoe dat moest gebeuren liet hij wijselijk in het midden. Zijn navolgers hebben dit probleem met de grootste precisie en doeltreffendheid ‘opgelost’: in 1948 grepen ze naar het wapen van de etnische zuivering en verdreven de meerderheid van het Palestijnse volk.

(Uitpers, nr. 59, 6de jg., december 2004)