Terug van nooit weggeweest: ‘le Liban à papa’

Een man zonder politiek programma en zonder enige politieke staat van dienst wordt in de eerste ‘vrije en democratische verkiezingen’ sinds 1975 in Libanon naar de top van de politieke elite gekatapulteerd. Dat heeft hij in hoofdzaak te danken aan het feit dat hij de zoon van zijn vader is. Zijn naam: Saad Hariri. Het resultaat van de drie ronden van de parlementsverkiezingen toont vooral aan dat de oude politieke garde het ‘nieuwe en democratische’ Libanon stevig in haar greep heeft.

Geen enkele nieuwe politiek kracht of politicus is op het toneel verschenen. Het nieuwe Libanon lijkt als twee druppels water op het oude. Het confessionele politieke systeem van het land – de belangrijkste oorzaak van de burgeroorlog van 1975 tot 1991 – is volledig intact. En de politieke moorden zijn ook weer helemaal terug van weggeweest.

Op 2 juni kwam Samir Kassir, sterjournalist bij het prestigieuze en door de familie Hariri financieel gesteunde dagblad An Nahar, bij een bomaanslag in Beiroet om het leven. Samir Kassir was een notoir tegenstander van de Syrische aanwezigheid in Libanon. Op 21 juni werd de auto van Georges Hawi opgeblazen in het centrum van Beiroet. Hawi stond van 1979 tot 1993 aan het hoofd van de Libanese communistische partij. Tijdens de burgeroorlog had hij een belangrijke rol gespeeld binnen de linkse nationale beweging. Hawi was een trouwe bondgenoot van Damascus. Pas na de moord op de voormalige premier Rafik Hariri op 14 februari dit jaar sloot Hawi zich bij het anti-Syrische bondgenootschap aan, waar alle belangrijke oude ‘godfathers’ van de Libanese confessionele partijen zich hebben gevonden.

Het clansysteem

Wie is Saad Hariri, die in Beiroet en in het noorden in één klap alle parlementszetels binnenhaalde? Samen met zijn nieuwe coalitiepartner, druzenleider Walid Joumblatt, bezet de groep rond Hariri 72 zetels in het nieuwe parlement, de coalitie van de sjiitische partijen Hezbollah en Amal kwamen uit op 35 zetels en de partij van de rechtse, christelijke en virulent anti-Syrische generaal Michel Aoun was goed voor 21 zetels. Saad Hariri is 35 en de jongste zoon van mediatycoon, bouwpromotor en voormalig premier Rafik Hariri.

De oude Hariri was een man van de wereld. Vriend aan huis in het Elysée – waar de Franse president Jacques Chirac kantoor houdt en waar nog steeds de geur van de Franse koloniale ‘grandeur’ hangt. Vertrouweling van het Saoedische koningshuis – en daarmee ook direct een voet tussen de deur in het Witte Huis. Jarenlang vriend van Damascus – het land dat ondanks zijn actieve deelneming aan de eerste Golfoorlog van de familie Bush tegen Irak in 1991 in ongenade is gevallen.

Rafik Hariri keerde zich in augustus 2004 tegen zijn Syrische beschermheer Bashir al-Assad. De Syrische president beging toen de flater om rechtstreeks tussenbeide te komen in het politieke debat in Beiroet. Hij legde een diktat op waardoor een belangrijke Syrische bondgenoot, president Emile Lahoud, zijn ambtstermijn met drie jaar verlengd zag. Hariri nam ontslag als premier. Vreemd genoeg had Damascus in 1995 een gelijkaardige maatregel afgedwongen waardoor toenmalig president Elias Hrawi drie jaar langer op post kon blijven. Niemand van de Libanese politieke klasse, ook Rafik Hariri niet, vond het toen de moeite om te protesteren tegen de Syrische inmenging.

Parijs – Washington: nieuwe alliantie

Rafik Hariri stond bekend om zijn politiek instinct. De Libanese multimiljardair begreep dat de tijden veranderd waren. Hariri die regelmatig in audiëntie werd ontvangen door de Franse president Jacques Chirac en door de Amerikaanse president George W. Bush, had in de zomer van 2004 snel begrepen dat de Fransen en de Amerikanen de handen in elkaar zouden slaan om een snelle terugtocht van de 20.000 Syrische militairen uit Libanon te forceren, samen met een ontwapening van de sjiitische militie Hezbollah en de Palestijnse gewapende groepen, die over een licht wapenarsenaal beschikken, waarmee ze de veiligheid in de twaalf Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon verzekeren. Tijdens de top van de G8 (de zeven rijkste industrielanden plus Rusland) in het Amerikaanse Sea Island, in juni 2004, kondigde Jacques Chirac aan dat hij samen met de Verenigde Staten een anti-Syrische resolutie bij de VN zou indienen. Heel wat commentatoren stonden verbaasd over Chiracs ommezwaai. De Franse president had zich uiterst kritische opgesteld tegen het militaire avontuur van George W. Bush in Irak. Plots leek Parijs bereid om samen met Bush de Syrische president Assad onder druk te zetten. Op 2 september 2004 keurde de VN-Veiligheidsraad resolutie 1559 goed (met een krappe meerderheid van negen stemmen op vijftien). De resolutie maande Syrië aan al zijn troepen uit Libanon terug te trekken en sprak zich uit voor een onverwijlde ontwapening van Hezbollah en de Palestijnse milities.

Na de moord op Rafik Hariri schoof de miljardairsfamilie onmiddellijk een troonopvolger naar voor. Het werd niet Bahia Hariri, de zus van de vermoorde ex-premier, zelf volksvertegenwoordigster en een centrale figuur bij de organisatie van de massale betogingen in Beiroet in maart, waarbij honderdduizenden Libanezen de terugtrekking van het Syrische leger eisten en uiteindelijk ook verkregen. De machtige familie Hariri koos in de beste feodale traditie voor een mannelijke opvolger als clanhoofd. De jongste zoon, Saad Hariri, zou het gigantische zakenimperium van zijn vader overnemen en de talloze liefdadigheidsstichtingen, die de oude Hariri in de loop der jaren had opgericht. De politieke carrière van Saad Hariri is in één zin samen te vatten. De man heeft niet de minste politieke ervaring. [Wellicht daarom werd niet hij, maar zijn trouwe medestander Foead Siniora, een oud-minister van Financiën, door president Lahoud werd aangezocht een regering te vormen. (nvdr)]. Hij heeft niet eens een politieke partij, laat staan een politiek programma. In een interview met de Arabische krant Al Hayat resumeerde hij op 22 april laatstleden, een maand voor de parlementsverkiezingen zelf treffend zijn politieke rol: “er zal niets veranderen, al wat mijn vader heeft gedaan zal ik verder blijven doen. Wij gaan door op de door hem ingeslagen weg.”

Een duidelijke bekentenis dat hij Libanon wil houden zoals het is: ‘le Liban à papa’.

Confessionalisme sterker dan ooit

Als bron van waarheid komt een boutade vaak heel goed van pas. “Mocht Georges Marchais – in de jaren zeventig en tachtig de onbetwiste leider van de PCF, de Franse communistische partij – in Libanon zijn geboren en getogen, stond er zonder twijfel ‘katholiek’ op zijn identiteitskaart”. De uitspraak is van Maxime Rodinson, de vorig jaar overleden historicus en eminent arabist. Rodinson had iets met Libanon. Hij deed er zijn eerste belangrijke ervaringen met de Arabische wereld op. Rodinson was een zoon van een Russische joodse immigrant, die omwille van zijn anarchistische sympathieën en het rabiate antisemitisme van de tsaren naar Parijs was uitgeweken. In 1939 bij de algemene mobilisatie kon de jonge Rodinson niet aan zijn legerdienst ontsnappen. Hij werd naar Libanon gestuurd, toen nog een Franse kolonie. In 1943 toverden de Fransen in Libanon het nationaal pact uit hun hoed. Het was op de eerste plaats een poging om Libanon uit de handen van de fascistische as te houden en het land een formele vorm van onafhankelijkheid te verlenen. Het pact werd ook de oorzaak van de Libanese ziekte. Het land werd voor eens en altijd politiek verdeeld onder de zeventien erkende etnisch-religieuze groepen. Het Libanese confessionalisme was geboren: voortaan moest de Libanese president altijd een christen zijn, de premier een soenniet en de voorzitter van het parlement een sjiiet. Het systeem leidde – naast de permanente inmenging van buurland Israël, dat zijn bondgenoten had in extreem-rechtse christelijke middens – tot de burgeroorlog, die het land van 1975 tot 1991 naar een bloedige catastrofe zou leiden. De diagnose van de Libanese ziekte – het confessionalisme – is ontelbare malen gesteld. Remedies zijn er nooit gekomen. En de jongste stembusgang toont het nog eens schrijnend aan. Libanon lijkt zijn oude demonen te vereren en gaat – alsof er nooit een burgeroorlog is geweest – door op de platgetrapte paden. De meerderheid van de Libanese kiezers nam niet eens de moeite om zijn stem uit te brengen. Wie wel de weg naar de stembus vond, moest voor confessionele kandidaten stemmen. De hele oude politieke garde, de clans rond Gemayel, Joumblatt, Hariri, Frangié, Chamoun en Aoun blijven het politieke spel bepalen. En toch waren de commentaren in de internationale pers nagenoeg unisono: “Libanon heeft zijn eerste vrije verkiezingen gehad sinds 1975”. Dat in het land van de ceder de vloer wordt aangeveegd met alle noties van de moderne parlementaire democratie, is een gedachte die de meeste politieke commentatoren straal negeren. In Libanon is er niet confessioneel, maar pro- of anti-Syrisch gestemd, zo houden kranten, radio en televisie ons voor. Pro-Syrisch of anti-Syrisch, in Libanon zijn dat relatief recente politieke categorieën. Ze zijn, net zoals Coca Cola of McDonalds geïmporteerd uit de Verenigde Staten. Alle oude dinosauriërs, die ook vandaag aan de macht blijven, hebben in het verleden met Syrië gecollaboreerd. Niemand binnen deze politieke elite heeft een plan om wat te doen aan de Libanese ziekte. Geen enkele van deze oude politici heeft de intentie het vermolmde politieke systeem grondig te hervormen en het niet langer te baseren op confessionalisme, clanisme en corruptie. Nochtans was dat één van de belangrijkste punten uit de akkoorden van Taëf van 1989. Deze akkoorden waren mede onder Syrische druk tot stand gekomen en moesten een einde maken aan de Libanese burgeroorlog. In de tekst van dit akkoord stond zeer duidelijk dat “de afschaffing van het politieke confessionalisme een essentieel nationaal doel is. Om dit te verwezenlijken is er een geprogrammeerde actie in etappen vereist.” Deze zo noodzakelijke hervorming van het politieke systeem werd door de regering van Rafik Hariri meteen in de diepvries gestopt.

De afschaffing van het politieke confessionalisme blijft een taboe in Libanon. En het is niet het enige taboe dat overeind blijft. Over de schrijnende corruptie van de leidende clans mag in Libanon met geen woord worden gerept. Niemand lijkt zich de voor de hand liggende vraag te stellen hoe het komt dat onder de regering van Rafik Hariri de buitenlandse schuld is gestegen van 3 miljard dollar tot 18 miljard dollar. Rafik Hariri heeft er voor gezorgd dat een handvol rijke families gouden zaken heeft gedaan bij de wederopbouw van het aan flarden geschoten land. De meerderheid van de Libanezen leeft echter op een sociaal kerkhof. Alle kwalen, waarmee het land de voorbije jaren af te rekenen had, werden gemakshalve in de schoenen van de Syrische bezetters geschoven. Het klopt dat de meeste Libanezen de Syrische bemoeizucht en militaire aanwezigheid grondig beu waren. Maar de vraag is of de grote nationale eenheid, die tentoongespreid werd tijdens de anti-Syrische betogingen na de moord op Rafik Hariri, een lang leven beschoren is. Een meerderheid van Libanezen erkent ook vandaag nog dat de Syrische aanwezigheid in hun land van groot belang is geweest voor de stabiliteit en – paradoxaal genoeg – voor de relatieve vrijheid waarvan de Libanezen genieten. De anti-Syrische coalitie, die de verkiezingen heeft gewonnen, kreeg de steun van Washington en Parijs en werd actief gepromoot door de Amerikaanse bondgenoten in de regio, Egypte en Saoedi-Arabië. In tegenstelling tot beide laatste Arabische landen kent Libanon een persvrijheid waarvan Egyptenaren en Saoedi’s alleen maar kunnen dromen.

Scherpe tegenstellingen

De tegenstellingen tussen de verschillende gemeenschappen in Libanon blijven echter zeer scherp. De multiconfessionele partijen, zoals de Libanese communistische partij of de Organisatie voor communistische Actie, hebben nagenoeg al hun invloed verspeeld. De overige politieke formaties zijn confessioneler dan ooit te voren. Hezbollah en Amal vertegenwoordigen de sjiitische gemeenschap. De soennieten hebben zich bij gebrek aan een uitgesproken nationale leider achter Saad Hariri geschaard. De socialistische partij van Walid Joumblatt is op de eerste plaats een partij van de druzen en de christelijke maronieten – de extreem-rechtse Forces libanaises, generaal Michel Aoun, voormalig president Amin Gemayel,en de Nationale Partij van de familie Chamoun – hebben zich verenigd in de Kornet Chahoean.

De nieuwe regering van Saad Hariri en het nieuwe parlement, dat ook de volgende vier jaar zal worden voorgezeten door Nabih Berri, de leider van de sjiitische partij Amal, krijgen een reeks bijzonder gevaarlijke dossier te verwerken. Washington en Parijs eisen de ontwapening van Hezbollah en de Palestijnse milities. Alleen het christelijke kamp is voorstander van een ontwapening van Hezbollah. Uit een recente enquête bleek dat 31% van de soennieten en liefst 79% van de sjiieten tegen de maatregel gekant zijn. De Libanese christenen juichen de Amerikaans-Franse bemoeienissen toe, terwijl de meerderheid van de moslims – met de Amerikaanse interventie in Irak en de confrontatiekoers van Washington tegen Syrië en Iran in het achterhoofd – scherp gekant is tegen deze permanente inmenging in de Libanese binnenlandse aangelegenheden. De vraag stelt zich overigens, wie Hezbollah zal ontwapenen. Het Libanese leger bedankt feestelijk voor deze opdracht. Een groot deel van de rekruten van dit leger bestaat uit jonge sjiieten en het voorbije decennium hebben de Libanese militairen actief de Hezbollahstrijders gesteund in hun succesvolle confrontatie met het Israëlische leger in Zuid-Libanon. Hezbollah geniet nog steeds van een onaangetast prestige als de enige verzetsgroep die er ooit in geslaagd is een einde te maken aan een Israëlische bezetting. In de zomer van 2000 werd de toenmalige Israëlische premier en generaal Ehud Barak verplicht zijn troepen uit Zuid-Libanon terug te trekken. Het werd een smadelijke aftocht.

En het nieuwe parlement mag zich al meteen uitspreken over een ander heet hangijzer. In 1989 kregen alle leiders van de Libanese milities amnestie. Wie zich aan oorlogsmisdaden had schuldig gemaakt kon rekenen op volstrekte straffeloosheid. Eén militieleider ontsnapte echter niet aan de dans. Samir Geagea kreeg levenslang. Geagea was samen met Elie Hobeika, een andere leider van de extreem-rechtse Forces libanaises, verantwoordelijk voor de slachtpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in september 1982. Elie Hobeika werd in januari 2002 vermoord bij een bomaanslag in Beiroet, nadat hij had verklaard te willen getuigen voor een Belgische rechtbank in het proces tegen de Israëlische premier Ariel Sharon. Eerstdaags moet het Libanese parlement beslissen of Samir Geagea eindelijk kan vrijkomen. Voor de nakomelingen van de Geagea’s slachtoffers is dat niet meteen opbeurend nieuws.

En ook de ontwapening van de Palestijnse vluchtelingenkampen staat op de parlementaire agenda. In Palestijnse kringen maakt men zich hierover zeer grote zorgen. De Palestijnen vrezen voor hun veiligheid, als die niet langer wordt gegarandeerd door Palestijnse strijders. Ook dit wordt een bijzonder gevaarlijke klus voor de nieuwe Libanese heersers. Toch leek er voor de Palestijnen deze dagen ook nog een sprankeltje hoop. Libanon telt nog steeds om en bij de 400.000 Palestijnse vluchtelingen. De meesten onder hen leven in erbarmelijke omstandigheden in twaalf vluchtelingenkampen. Al decennialang zijn de Palestijnen onderworpen aan een zeer strikt beroepsverbod. Meer dan zeventig beroepen zijn voor hen in Libanon verboden. Op 27 juni kondigde de Libanese minister van Arbeid, Tarrad Hamadeh, aan dat alle Palestijnen, die in Libanon zijn geboren voortaan een werkvergunning kunnen krijgen. Voor de door massale werkloosheid getroffen Palestijnen is dat goed nieuws. Maar er zit ook een wrange bijsmaak aan. Sinds de moord op ex-premier Hariri hebben heel wat Libanezen hun woede gekoeld op de Syrische ‘gastarbeiders’. De voorbije jaren waren honderdduizenden Syriërs aangetrokken om het goorste en slechtst betaalde werk te verrichten in de Libanese landbouw en bouwsector. Tientallen Syrische arbeiders werden de voorbije maanden in koelen bloede vermoord. Wat leidde tot een ware uittocht van Syriërs en een alarmerende rapport van de mensenrechtenorganisatie Amnesty International (1). Door het massale vertrek van de Syrische arbeidskrachten kwamen hele sectoren van de Libanese economie lam te liggen. De Palestijnen mogen nu hun plaats innemen. Hun situatie wordt er allicht niet rooskleuriger op.

(Uitpers, nr. 66, 6de jg., juli-augustus 2005)

(1) Amnesty International, ‘Stop attacks on Syrian workers and bring perpetrators to justice’, 21 april 2005.

Visited 9 Times, 1 Visit today

Tags :