Terrorismebestrijding in België: het DHKP-C proces

Het proces dat in België loopt tegen 7 vermeende leiders en leden van de Turkse revolutionaire organisatie DHKP-C (Revolutionaire Partij voor de Bevrijding van het Volk – Front), is binnenkort aan zijn 10de jaar toe.

De feiten dateren van september 1999. Toen ontdekte de politie, eerder toevallig, wapens en valse documenten in een appartement in Knokke, badstad aan de Belgische kust, en arresteerde daarvoor 3 vermoedelijke leden van de organisatie. De federaal procureur verhinderde dat deze feiten een “gewone rechtsgang” zouden krijgen. Hij nam de zaak uit handen van de plaatselijke gerechtelijke instanties en ging ze als een springplank gebruiken om tegen de DHKP-C als organisatie een proces op te zetten en vandaag 7 personen te vervolgen voor “bendevorming en lidmaatschap van een criminele en terroristische organisatie”. Wetten die respectievelijk in 1999 en 2003 aan de Belgische strafwet zijn toegevoegd.

Om dit proces alle kansen op slagen te geven, werd een ‘competente’ rechtbank samengesteld, met aan het hoofd een rechter met ‘ervaring in de terrorismebestrijding’, die speciaal voor deze zaak aan de rechtbank werd toegevoegd. En werd het oorspronkelijke dossier aangedikt met allerlei aanklachten, die dateren uit een periode die loopt van voor 1999 tot en met 2004. Zo werd in het huidig dossier de (internationale) rol van het informatiebureau van de DHKP-C in Brussel toegevoegd, de beschuldiging dat het appartement in Knokke in feite onderdak gaf aan “het nieuwe Europese hoofdkwartier van de organisatie”, de betichting dat de beschuldigden “een communiqué van de DHKP-C over een misgelopen aanslag in Turkije” verspreidden enzovoort.

Het proces kreeg helemaal een politieke wending toen Fehrye Erdal, één van de beklaagden, die al jaren onder toezicht van de Belgische staatsveiligheid stond, op 26 februari 2006, precies één dag voor de uitspraak van het eerste vonnis in het proces, onderdook omdat zij haar uitlevering aan Turkije vreesde. En toen een andere beklaagde, de Belg Bahar Kimyongür, die in afwachting van het proces in beroep op vrije voeten was, op 28 april 2006, bij een bezoek aan een concert in Nederland, werd aangehouden en daar gedurende twee maand in de gevangenis werd opgesloten. Dat gebeurde op basis van een internationaal aanhoudingsmandaat dat uitging van Turkije dat om zijn uitlevering vroeg “omwille van zijn belediging van de Turkse minister van buitenlandse zaken bij diens bezoek aan het Europese parlement”. De Nederlandse justitie weigerde de uitlevering, Bahar keerde naar België terug en de zaak deinde uit tot een rel in het Belgische parlement. Een parlementair was er op uitgekomen dat er op 26 april 2006, op initiatief van het kabinet van het Ministerie van justitie, een vergadering van 25 hoge verantwoordelijken van de veiligheidsdiensten, de magistratuur en ambtenaren van het ministerie van justitie, had plaatsgevonden. Daar was besloten het bezoek van Bahar aan Nederland aan de Nederlandse politie te tippen om zich op die manier van Bahar te ontdoen. België kon immers zijn eigen staatsburger niet uitleveren aan Turkije, via Nederland kon dat wel…

De kern van dit proces draait om de strijd tegen “het internationaal terrorisme”. De Belgische antiterreurwetgeving dateert van 19 december 2003. Ze is de toepassing van de Europese kaderwet tegen het terrorisme van 13 juni 2002. Europa heeft haar inspiratie gehaald bij de Amerikaanse antiterreurwetgeving, die is aangenomen na de aanslagen van 11 september 2001. Van de VS tot België viseert de antiterreurwetgeving in essentie twee stromingen. Vooreerst en in hoofdzaak het Islamitisch verzet, dit wil zeggen de gehele radicale politieke islamitische beweging van Al Qaida tot en met een humanitair Islamitisch relieffund voor Hamas in Palestina. Daarnaast viseert ze de enkele revolutionaire linkse bewegingen, die ontstaan zijn in de jaren 60 en die vandaag nog altijd voortvechten, zoals de Columbiaanse FARC (Colombiaanse Gewapende Revolutionaire Strijdkrachten), de Turkse DHKP-C, de Filipijnse KP (Kommunistische Partij), het Palestijnse FPLP (Volksfront voor de Bevrijding van Palestina)… Tegen al de leden of sympathisanten van die organisaties is in de zowat vijftig landen die sinds 11/9 een antiterreurwetgeving hebben aangenomen, de jacht geopend. In tegenstelling tot sommige organisaties van de eerste stroming, weten de Europese veiligheidsdiensten zeer goed dat zij op het Europese continent geen gewapende, laat staan terroristische, acties te vrezen hebben van het tweede soort organisaties. Bij de tweede stroming komt het er vooral op aan elke vorm van logistieke, maar vooral van politieke en morele steun vanop het Europese continent voor deze organisaties af te snijden. Adieu de tijd waarin de jonge generatie in het Westen opgroeide in solidariteit met de Vietcong in Vietnam, het MPLA in Angola, het ANC in Zuid-Afrika of de guerrilla van Che Guevara in Bolivië. Er wordt aan de leden of sympathisanten van die organisaties vooral verweten dat zij een legale activiteit van solidariteit uitoefenen, die in dienst staat van het terrorisme, en daarom illegaal is. Deze benadering moét onvermijdelijk de vrijheid van meningsuiting in onze landen aantasten.

Het voorbeeld dat dit misschien het meest duidelijk illustreert is het geval van Bahar Kimyongür, geboren Belg, afgestudeerde kunsthistoricus van de Vrije Universiteit te Brussel (ULB) en voormalig woordvoerder van het Informatiebureau van de DHKP-C in de Europese wijk te Brussel. Er wordt hem geen enkel delict of crimineel feit ten laste gelegd, behalve het bestaan van enkele ongebruikte kopies van zijn identiteitskaart. Maar verder geen enkele vorm van geweld noch in Turkije, noch in enig ander land. En toch werd Bahar veroordeeld tot vijf jaar effectieve gevangenisstraf. Een zeer brede solidariteitsbeweging in academisch en syndicaal milieu rond het DHKP-C proces heeft zich rond de persoon van Bahar Kimyongur gecentreerd, en de procureur generaal heeft dan ook alles op alles gezet om het imago van Bahar Kimyongur te discrediteren en hem voor te stellen als een leider van een terroristische organisatie.

Onderstaand artikel, verschenen op de website van de Belgische socialistische vakbond ABVV (www.abvv.be), dateert van 13 september 2007, toen het proces herbegon in Antwerpen. Het schetst een kleine historiek van het proces en is de reactie van het Platform voor vrije Meningsuiting op de publicatie van een foto van Bahar Kimyongur met een bazooka op de schouder, door federaal procureur Delmulle.
 
Bahar met bazooka : een boomerang voor Delmulle ?

Het proces in Antwerpen leek aanvankelijk in een serenere sfeer van start te gaan dan in Brugge en Gent het geval was geweest, maar dat bleek uiteindelijk buiten de waard gerekend : federaal procureur Delmulle legde een paginagrote kleurenfoto van “Bahar Kimyongur met een bazooka op zijn schouder” op de tafel van de rechters.
Hoe kwam dit proces in Antwerpen terecht en waarom pakt Delmulle vandaag uit met ‘nieuw bewijsmateriaal’?

De vernietigende uitspraak van het Hof van Cassatie …

Op 19 april had het Hof van Cassatie alle vonnissen van Brugge en Gent in dit proces nietig verklaard én de onmiddellijke vrijlating bevolen van de vier beklaagden, waarvan er drie al meer dan een jaar in de cel zaten. Het Hof van Cassatie beoordeelde de geforceerde aanduiding van rechter en terrorismespecialist Freddy Troch als voorzitter van de rechtbank te Brugge als onwettelijk, en oordeelde dat de beklaagden terecht konden vrezen dat ze als gevolg hiervan geen fair proces hadden gekregen. De rechtbank beval om heel het proces over te doen voor het Hof van Beroep in Antwerpen. Zo maakten we mee dat geketende beklaagden, die ‘s morgens nog voor het Hof van Cassatie zaten, omringd door anti-terrorisme-agenten-met bivakmutsen, enkele uren later in burgerplunje op vrije voeten stonden. Een vonnis en een beeld dat de autoriteit en de carrière van de federaal procureur op het spel zette. De procureur had immers de beklaagden op alle zittingen als “gevaarlijke terroristen en criminelen” afgeschilderd, en in beroep de verzwaring van hun straf bepleit en verkregen. Hij had het gedaan gekregen dat ze nog tijdens de zittingen van het eerste proces werden aangehouden “omdat ze anders vast en zeker gingen onderduiken”.
De algemene indruk na het vonnis van Cassatie was dat de waarheid in dit proces geweld werd aangedaan, dat men de beklaagden wilde doen boeten voor de verdwijning van Fehrye Erdal, dat er geen feiten waren die een veroordeling tot 8 jaar effectieve gevangenisstraf( !) konden verantwoorden. Minister Landuyt vroeg sancties tegen de magistraten die zich in Brugge en Gent hadden schuldig gemaakt aan manipulatie. 180 organisaties verenigden zich in juni rond een oproep tegen de criminalisering van alle politieke en sociale activisten in ons land, waaronder Bahar Kimyongur.
De ontreddering in het andere kamp was groot : eerst was Fehrye Erdal ontsnapt, dan was de uitlevering van Bahar via Nederland aan Turkije mislukt, en nu werd het hele vonnis ongedaan gemaakt. Delmulle reageerde zwak met een bericht dat niemand au serieux nam : een vakantiekamp van de DHKP-C zou in werkelijkheid “een terroristenkamp in de Ardennen” zijn geweest. En hij beweerde dat die organisatie “hem persoonlijk met de dood bedreigde“. Iets wat die organisatie in een communiqué onmiddellijk tegensprak. Belangrijker was dat Delmulle de kritiek op zijn houding in dit proces en de solidariteitsbeweging voor vrije meningsuiting wegwuifde als “een gekend onderdeel van de tactiek van de terroristen om de autoriteiten te destabiliseren”. Hij bereidde samen met de staatsveiligheid, een tegenaanval voor die iedereen voor schut moest zetten.

…en de wraak van de federaal procureur

Delmulle verklaarde bij zijn inleiding op het nieuwe proces dat hij besluiten met enkele verbeteringen en wijzigingen wilde neerleggen bij het Hof en bij de verdediging. Bundels met kopies werden rondgedeeld. Tot consternatie van alle aanwezigen bleek in de bundel een paginagrote kleurenfoto te zitten van “Bahar Kimyongür met een bazooka in een Palestijns kamp in Libanon”. Op een andere pagina een getuigschrift over de authenciteit van de foto (een begeleidende brief van het hoofd van de staatsveiligheid, de heer Winants, die de foto ter beschikking stelde aan de federaal procureur “voor eventueel nuttig gevolg“) en elders een begeleidend commentaar van Delmulle die stelde dat “deze foto goed de persoonlijkheid van Bahar Kimyongür typeert“. De foto werd een paar uur later vertoond op alle avondjournaals van de VRT, zonder wederwoord van Bahar of een advocaat. Voor Delmulle leek de zaak nu gewonnen nog voor ze moest beginnen: Bahar die zich altijd had voorgesteld als een slachtoffer van een aanval op de vrije meningsuiting stond hier als een volbloed terrorist met een bazooka op de foto: professoren, syndicalisten, militanten en andere ‘nuttige idioten’ die zich al bijna twee jaar mobiliseerden voor de vrije meningsuiting en voor Bahar waren er aan voor de moeite.

Bazooka of boomerang ?

Maar de pers en diegenen in de publieke opinie die deze zaak volgen reageerden globaal niet zoals Delmulle had verwacht : VTM bracht een objectief verslag van de zitting; zowel De Morgen als Le Soir drukten het protestcommuniqué van Bahar af, waarin hij uitleg gaf over de foto: “Het gaat om een foto gemaakt tijdens een bezoek aan Libanon in september 2002 naar aanleiding van de 20ste verjaardag van de slachting in het vluchtelingenkamp van Sabra en Shatilla. De foto is genomen in het kamp Ayn al Hilwe. Voor de grap heb ik daar een bazooka, een roest museumstuk, dat daar aan de muur hing in een huiskamer even vastgenomen. (…) Er zijn honderden mensen die voor de grap met wapens hebben geposeerd (hierbij ook een foto van mij als soldaat in walibi). Dat dergelijke foto als bewijsmateriaal tegen mij wordt gebruikt, is hallucinant. (… ) Heeft de Belgische staat in zijn strijd tegen het echte terrrorisme niets beters te doen?


Het lijkt erop dat Delmulle uiteindelijk geen bazookaschot heeft afgevuurd maar alleen maar de boomerang heeft gegooid. Het valt te hopen dat de rechtbank in Antwerpen voldoende waarde zal hechten aan deze foto. Want dan zou het Hof tot het besluit kunnen komen dat de publicatie van deze foto als ultiem bewijsstuk niét de persoonlijkheid van Bahar typeert, maar wel die van Delmulle. De rechtbank zou uit de publicatie van de foto precies de gevaarlijkheid van de antiterroristenwetten kunnen afleiden en er des te scherper de afwezigheid aan enige concrete aanklacht tegen Bahar door zien. We willen hier een aantal punten in verband met de foto ter discussie stellen, die meteen ook de redenen aangeven waarom de beweging voor vrije meningsuiting zo zwaar tilt aan de zaak Bahar.

« Schuldig door associatie».

Bahar wordt niet vervolgd voor een terroristisch misdrijf : niet voor het plannen of het plegen van een gelukte of mislukte aanslag, niet voor een bom, niet voor het bezit van wapens of wat dan ook, niet in België en evenmin in Turkije. De enige politieke activiteit die Bahar heeft ondernomen gedurende de voorbije 10 jaar is het ronselen van steun voor de politieke gevangenen in Turkije: eerst tegen de folteringen en moorden, de volgende 7 jaar specifiek tegen de Type F- foltergevangenissen in Turkije. Daarbij horen zijn hongerstakingen, de betogingen die hij organiseerde, de steuncommuniqués die hij schreef, de controlecommissies en solidariteitsdelegaties met Belgische en Europarlementairen naar Turkije die hij begeleidde en het –figuurlijk dan nog- tegen de schenen schoppen van de minister van buitenlandse zaken van Turkije toen die op bezoek kwam in het Europees parlement. Zo kent iedereen Bahar, gedreven door het lot van protesterende en zich doodhongerende gevangenen in isolatiecellen, iemand die tot vervelens toe en tot ergernis van menige militant altijd met hetzelfde verhaal afkwam. Maar Bahar kreeg uiteindelijk gelijk in zijn strijd : op 22 januari 2007 besliste het Turkse ministerie van justitie in de circulaire 45/1 gedeeltelijk toe te geven op de eisen waarvoor Bahar en zijn vrienden zich 10 jaar hebben ingezet : er werd een versoepeling afgekondigd van het regime in de Type F gevangenissen.

Iedereen wist dat Bahar zijn activiteiten ontplooide vanuit het informatiekantoor van de Marxistische partij DHKP-C in de Europese wijk in Brussel. Maar dat stoorde toen niemand : het was een partij die men in de jaren negentig, jaar na jaar, officieel en onder luid applaus van het publiek, in elke 1 mei stoet van de SPa te Antwerpen zag opstappen.
Tot nine/eleven.

Toen werd de organisatie op de lijst van eerst de Amerikaanse en nadien ook Europese lijst van terroristische organisaties geplaatst, zonder mogelijkheid tot beroep tegen die beslissing door die organisatie en boven de hoofden heen van alle nationale parlementen. In het proces tegen de DHKP-C maakte Delmulle van de bovengenoemde legale activiteiten van Bahar het bewijs dat hij “een leider was van een terroristische organisatie”. In democratische middens was die stelling onaanvaardbaar: Delmulle kon Bahar alleen een opinie en een engagement verwijten, niets meer. Het is hier dat de foto met de bazooka op de proppen komt, die moet suggereren wat Delmulle niet kan aantonen of bewijzen. Delmulle verspreidt een foto die zowel wat de datum, de inhoud als de plaats betreft volkomen buiten dit proces valt, maar die de suggestie wekt dat de Belg Bahar een echte (tenminste potentiële) terrorist is en leider van een Turkse terroristische organisatie ! Het is de antiterreurwetgeving ten voeten uit. In de VS is vandaag iedereen die uit een Arabisch of moslimland afkomstig is een potentiële terrorist (met de “ethnic profiling” zijn in de VS sinds 11/9 93.000 mensen door de politiediensten opgeroepen om foto’s en vingerafdrukken te laten nemen, 5.000 van hen werden in preventieve hechtenis gezet!). Daarnaast is er de “schuld door associatie” (“guilty by association”) van kracht : het lidmaatschap of het sympathisant zijn van een organisatie, maar ook de ideeën en de beelden die iemand kunnen associëren met terrorisme volstaan voor een vervolging. Deze werkwijze sijpelt ongemerkt ook bij ons binnen. Zo verkreeg de Nederlandse recherche in juli 2005 in het kader van de Wet Bevoegdheden Vorderen Gegevens de mogelijkheid om bij de Nederlandse bibliotheken op te vragen wie er welke boeken leest, ook al bestaat er tegen die personen geen enkele verdenking ! De Amerikaanse rechtsprofessoren David Cole en Jules Lobel deden eerder deze maand, naar aanleiding van de herdenking van de aanslagen van 11 september 2001, een oproep om de afbraak van de rechtstaat door de antiterroristenwetgeving een halt toe te roepen (Six years after 9/11, why we’re losing the war on terror, The Nation, 6 september 2007). Ze citeren een publicatie van het Pentagon, The National Defense Strategy, die stelt : “de kracht van onze natie wordt verder ondermijnd door hen die de strategie van de zwakken hanteren: via de organisatie van internationale fora, via juridische procedures en via het terrorisme.” Het Pentagon, zeggen de professoren, stelt het feit dat men internationale verantwoording moet afleggen voor zijn politiek en dat men strikte juridische procedures wil volgen op gelijke voet met het terrorisme. Dat betekent dat de tijd van de “open procedures en de wettelijke bescherming die bepaalden dat mensen alleen verantwoordelijk konden worden gesteld voor hun eigen daden” voorbij is, en vervangen wordt door de willekeur en de rechteloosheid van de “ethnic profiling” en de “guilt by association”. Wie de rechtstaat genegen is en wie niet wil dat deze rechteloosheid zich ook hier installeert, moet wakker worden en de antiterrorismewet en de methodes van Delmulle afwijzen.

Voor Delmulle is ook het Palestijnse verzet illegitiem.
 
Bahar poseert op de foto, zoals boven geciteerd, met een bazooka op de schouder, in een Palestijns kamp in Libanon in september 2002. Hij was daar met een delegatie Europarlementairen en NGO-verantwoordelijken ter gelegenheid van de 20ste herdenking van de slachtpartij in Sabra en Chatila in september 1982. Daar werden toen enkele duizenden Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen afgemaakt door een Christelijke Falangistische militie, in een sector die werd bezet en gecontroleerd door Israël, de beste bondgenoot van de VS. De Algemene Vergadering van de UNO bestempelde nadien deze gebeurtenis als “een daad van genocide”. Deze situatie van permanente dreiging van volkerenmoord, van ‘gewapende vrede’ tussen verschillende secties binnen de Libanese staat, en –vooral- van permanente oorlog met buurland Israël (de laatste oorlog dateert van vorig jaar), maakt dat het bezit van wapens in een Palestijns kamp in Libanon geen misdrijf is, maar een legitiem en erkend recht. Het vasthouden van een wapen in die context kan op geen enkele manier een delict vormen, en heeft ook niets te maken met ‘het terrorisme’ waarvan Delmulle Bahar wil beschuldigen. Dat is nog meer waar indien het, zoals op deze foto, gaat om een niet-operationeel wapen, om een sierstuk dat van de muur werd gehaald om te poseren voor een foto. Maar voor Delmulle zijn alle bazooka’s die zich waar ook ter wereld in handen van het verzet bevinden, zelfs als ze als een museumstuk aan de muur hangen, een teken van terrorisme en criminaliteit. Ook hier gaat Delmulle a bridge too far…

De ‘persoonlijkheid van Bahar’ is ‘de mening van Bahar’.

Voor Delmulle typeert de foto de ‘persoonlijkheid van Bahar’, met andere woorden, ‘de mening van Bahar’, zijn sympathie voor de revolutionaire strijd in Turkije en in de wereld. Men heeft het recht om het met die sympathie oneens te zijn, en velen binnen de beweging voor vrije meningsuiting distantiëren zich daarvan, en zijn nog minder “sympathisanten van de DHKP-C.” Maar dat is nu juist de betekenis van de vrijheid van meningsuiting: informatie krijgen, standpunten toelaten en aanhoren, er een tegensprekelijk debat over voeren.
Voor diegenen die vrezen dat de mening van Bahar “het terrorisme” zal doen toenemen, nog volgende bedenking. Er waren nooit zoveel terroristische aanslagen in de wereld als na 11/9, niet omwille van het radikaal engagement van mensen als Bahar, maar wel door de Global War on Terror van de VS, en in zijn zog, van de landen die deze illegale oorlog steunden. Het slagveld dat de Amerikanen in Irak hebben gecreëerd is de grootste kweekvijver en het grootste trainingskamp voor Al Qaeda terroristen dat de wereld ooit gekend heeft. Maar niet alleen voor hen. Op hetzelfde slagveld in Irak opereren naar schatting 180.000 ‘security contractors’, méér dan het aantal Amerikaanse soldaten in Irak. Deze huurlingen staan boven iedere wet en controle. Gedurende vier jaar oorlog is er niet één van hen vervolgd voor geweld tegen een Irakees. Een voorbeeld van het soort ‘incidenten’ waarin zij betrokken zijn kregen we vorige week. Op 16 september schoten enkele huurlingen van Blackwaters, een veiligheidsfirma die met 1000 man aanwezig is in Irak en die een 800 miljoen dollar contract heeft met de VS regering, tijdens zo’n ‘incident’ in Bagdad 8 onschuldige burgers dood en verwondden ze 13 anderen. Het is maar wat men onder terrorisme verstaat. Misschien kunnen de verdedigers van de oorlog tegen Irak, die wél van een onbeperkte vrijheid van mening genieten in de media, daar eens over nadenken.

(Uitpers, nr. 93, 9de jg., januari 2008)

Luk Vervaet is lid van het Platform voor Vrije Meningsuiting en het Comité pour la liberté d’expression en d’association (CLEA)
 

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :