Tegentijdse kanttekeningen

 

Sinds de Nederlandse antropoloog en (eco)filosoof Ton Lemaire naar Savignac de Miremont op het Franse platteland is verhuisd, verschijnen er met de regelmaat van een klok bundels met korte teksten van hem die hij ‘miniaturen’ of ‘kanttekeningen’ noemt. Je zou het ook het kortere werk kunnen noemen van een auteur die al levenslang vaak dikke boeken schrijft – ik denk dan onder meer aan ‘De tederheid’ (1968), ‘Filosofie van het landschap (1970), ‘Over de waarde van kulturen (1976), De indiaan in ons bewustzijn’ (1986), ‘Twijfel aan Europa’ (1990), ‘Wandelenderwijs, sporen in het landschap’ (1997), ‘De leeuwerik’ (2004), ‘Op vleugels van de ziel’ (2007) en ‘De val van Prometheus’ (2010) – maar Ton Lemaire is nog lang niet uitgeschreven. Alleen zijn schrijfstijl en formulering heeft een andere wending genomen. Met ‘Het lied van Hiawatha’ (2013), ‘Verre velden’ (2013), ‘Mettertijd’ (2015), ‘Onder dieren ( 2017), ‘Met lichte tred’ (2019) en nu weer met ‘Tegen de tijd’ beoefent hij een genre dat ergens balanceert tussen de ernst van het essay en de eerder badinerende column.

 

Brede reikwijdte

 

Ook in ‘Tegen de tijd’ zijn het weer korte, gebalde stukken geworden die hij ’Kanttekeningen bij onze wereld’ noemt. Dat Ton Lemaire een maatschappijkritische geest is weten we al langer. Zijn denken gaat regelrecht in tegen de (neoliberale) tijd(geest). Dat blijkt ook nu weer zeer duidelijk in zijn kanttekeningen bij ‘onze’ wereld die duidelijk niet de zijne is, maar waaraan hij zich niet kan en wil onttrekken. Dwarsliggers houden het spoor recht. Zijn kritische blik op ‘onze’ wereld is zeer breed en wordt gevormd door zijn antropologische en filosofische achtergrond, twee complementaire terreinen met een brede reikwijdte. Terwijl een antropologische benadering de hele mensheid als horizon heeft, houdt filosofie haar aandacht gericht op de totaliteit van de werkelijkheid en de voorwaarden voor alle kennis. Vaak begint Lemaire een van zijn veertig kanttekeningen met een observatie uit het dagelijkse leven of met het analyseren van de etymologie van een woord, maar daar blijft het niet bij. Het is meestal alleen maar een aanleiding om naar het grotere plaatje daarachter te zoeken en daarvoor maakt hij vaak gebruik van verschillende kennisdomeinen. Hij glijdt zo, vaak in een zin, van het concrete naar het abstracte en andersom. Kanttekening 2 is daar een mooi voorbeeld van. Het heet ‘regressie’. Algemener kan haast niet, maar hij gebruikt de term hier om de staat van onze cultuur mee aan te duiden. Economische groei is een obsessie en een fetisj geworden met pathologische kanten. Het is voor hem een symptoom van verval, van  regressie en niet van progressie. En daaruit besluit hij: ‘Eerst moet er regressie plaatsvinden in de ogen van het heersende wereldbeeld om tot werkelijke progressie te komen en daarmee een totale heroriëntatie: een humaner toekomst voor de mensheid en de redding van de planeet.’ (p. 19) Hoe vanuit iemands wereldbeeld een begripsinhoud helemaal kan worden omgekeerd. Dat is een oefening in het ideologisch ontleden van taalgebruik, een discipline waar de sociolinguïst Jan Blommaert zo sterk in was.

Kanttekening tien gaat over ‘Muren en hekken’ althans in de inleiding, maar Lemaire eindigt met een beschouwing over kosmopolitisme en universalisme en als antropoloog drukt hij de vrees uit dat die beweging ook kan leiden tot terugkeer van muren, omheiningen en bewakers, tot uitsluiting en xenofobie. Zijn conclusie? ‘Er lijkt een onophefbare spanningsverhouding bestaan tussen de vereniging en uniformering van de mensheid en de wenselijkheid van verscheidenheid en particularisme anderzijds.’ (p. 54)

 

Tragisch humanisme

 

Dat Ton Lemaire geen voorstander is van het monotheïsme is al langer geweten en ook nu weer houdt hij in kanttekening 20 een ‘pleidooi voor polytheïsme (en ook voor het pantheïsme) ‘omdat ze in verwondering openstaan voor de oneindige rijkdom van de wereld en niet zwichten voor de onttovering van de werkelijkheid met zijn verlies van het heilige. Er zijn mogelijk in het universum nog veel onbekende goden te vinden!’. (p. 106)

Een van zijn mooiste kanttekeningen gaat over ‘zin’ en daarin expliciteert Lemaire zeer goed zijn mensbeeld en zijn tragisch humanisme zoals aanwezig is in het beeld van Sisyphus dat Albert Camus schetst: ‘Sisyphus staat model voor de mens die in opstand komt tegen zijn lot en de goden durft te tarten. In de korte pauze tussen twee tochten, wanneer hij afdaalt om de rots weer te gaan halen, is de held zich van zijn tragische situatie bewust. Maar juist door dit bewustzijn en zijn opstandigheid staat hij tevens boven zijn lot.’ (p. 218). Dat tragisch humanisme is sterk aanwezig in Camus’ roman ‘La Peste’ waarin het optreden van dokter Rieux aantoont dat de bekende opvatting dat een ethiek niet kan bestaan zonder godsdienst onzin is.

 

Humanimalisme

 

Ook nu weer breekt hij, zoals hij eerder in ‘Onder dieren’ deed,  een lans voor wat hij ‘humanimalisme’ noemt, een neologisme dat humanisme en animalisme in zich verenigt.  Daarin ligt volgens hem het fundament voor een nieuwe ethiek. De ethische en morele vooruitgang van de mensheid zou ertoe moeten leiden dat mensen ook jegens dieren morele plichten  hebben en dat zij ze niet louter mogen behandelen als instrumenten en middelen ter exploitatie of als obstakels en lastposten voor menselijke expansie. Die nieuwe ethiek die ook de dierenwereld insluit, vertrekt van het principe van de kwetsbaarheid. Alle levende wezens zijn kwetsbaar en kunnen lijden en sterven. Zijn stelling is duidelijk: mensen hebben een prrincipiële verantwoordelijkheid voor andere mensen en voor de niet-menselijke dieren juist op grond van onze gemeenschappelijke kwetsbaarheid en van ons vermogen tot empathie en mededogen, zoals ook de Nederlandse primatoloog Frans De Wael in zijn werk onderstreept.

*

Veertig kanttekeningen lang datzelfde niveau halen is vrijwel onmogelijk. Alle stukjes zijn niet allemaal even sterk en daarom had Lemaire naar mijn smaak de selectie ervan wat strenger kunnen doorvoeren. Ton Lemaire eindigt zijn reflecties van de korte adem door zijn taal nog meer te herleiden tot de essentie en zo brengt hij als toemaatje nog veertig aforismen die door hun gebaldheid helemaal van de korte adem zijn. Aforismen zijn als de haiku’s in poëzie. Lemaire schuift op in die richting. Wat bijvoorbeeld gedacht van ‘Alles in het leven is vluchtig en vergankelijk, maar daarom niet tevergeefs.’? Misschien moet je lang in het leven staan om dat te kunnen en durven zeggen.

Tegen de tijd, kanttekeningen bij onze wereld
Ton Lemaire
Ambo/Anthos, Amsterdam
2022
252blz
9789026358661

Visited 288 Times, 1 Visit today

Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken