Te koop: gezondheidszorg

Stel dat iemand aan onze grootouders had gezegd dat ziekte de inzet moest worden van winstbejag en dat men de concurrentie moest laten spelen in de zorgsector. De kans is groot dat men deze persoon had verwezen naar wat men toen het gesticht noemde. Een systeem gebaseerd op individueel winstbejag dat is niets anders dan de wet van de jungle, dan concurrentie op leven en dood. Dat men uitgerekend de zorg voor zwakken en zieken zou laten werken volgens dat beginsel, dat was gewoon ondenkbaar.

Amper vijftig jaar later lijkt dit voor veel mensen de doodsnormaalste zaak en stuurt men aan op de ‘vermarkting’ van de zorgsector. De theologen van de vrije markt lanceren mooie en beloftevolle theorieën en slagen er vaak in om de zaak te verbloemen. Maar ze kunnen niet om het feit heen dat het winstoogmerk in de sector neerkomt op de volgende berekening: hoe kan ik zo min mogelijk zorg verstrekken voor een zo hoog mogelijke prijs, want dat garandeert de hoogste winst. Dat is het tegenovergestelde van de elementaire beschavingsopdracht om zoveel mogelijk zorg te verstrekken voor een zo laag mogelijke prijs.

In feite zou de commercialisering van de gezondheidszorg gewoon onbespreekbaar moeten zijn. Het is het helaas niet. Sterker, we zitten wat dat betreft al in een vergevorderd stadium. De patiënt is nog niet terminaal maar kan het wel heel snel worden.

De neoliberale pletwals

De drang om de zorgsector te vermarkten valt niet uit de lucht. Om te begrijpen waar die vandaan komt is het nuttig één en ander te situeren in een breder historisch kader. Aan vakbondsmilitanten hoef je niet uit te leggen dat de evoluties in een bedrijf of instelling voor een groot gedeelte bepaald worden door de heersende krachtsverhoudingen.(1) Hetzelfde geldt nu voor de grote evoluties in de maatschappij. Op dat vlak zien we op het einde van de jaren zeventig een kentering in de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Dat is het gevolg van een aantal factoren. De verhoogde werkloosheid(2) verzwakt de arbeidersbeweging. Uit schrik om aan de deur te vliegen en vervangen te worden door één van de vele werklozen zijn de werknemers minder geneigd om eisen te stellen. De schrik dat het bedrijf zijn deuren zou kunnen sluiten omwille van de crisis doet vakbonden inbinden. Tenslotte stelt de vakbondstop zich wereldwijd te zwak op en laat ze zich te veel in het defensief drukken. Deze verzwakte opstelling van de werknemers beantwoorden de werkgevers met een groots opgezet offensief. Ze worden hierin gesteund door de politieke elite en de media. Boegbeelden zijn Reagan en Thatcher. Vanuit de VS en Groot-Brittannië waait de neoliberale pletwals over naar het oude continent.

Eén van de centrale punten van dit offensief is de privatisering of vermarkting van overheidsinstellingen: kredietverlening, telecommunicatie, post, transport, energie en zelfs onderwijs,(3) pensioenen en gezondheidszorg. Vandaag gebeuren de privatiseringen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Europese Unie. Ze zijn in de eerste plaats gericht op de belangen en winsten van de grote multinationals. De privatisering van de dienstensector gebeurt in de schoot van de WTO via de ‘General Agreement on Trade in Services’, de zogenaamde GATS. Leon Brittan, de voormalige Eurocommissaris voor buitenlandse handel laat geen twijfel over de inzet ervan: "Het GATS is niet alleen een akkoord tussen de regeringen, het is op de eerste plaats en voor alles een instrument ten dienste van de zakenwereld. De Commissie blaakt van enthousiasme om de zakenlui te helpen om de liberalisering te versnellen dankzij de GATS."(4) Op de voorbije onderhandelingen van de WTO van november 2001 werd het licht op groen gezet om alle diensten, inclusief de zorgsector geleidelijk te liberaliseren.(5) In de toekomst zullen regeringen verplicht worden om hun openbare dienstverlening, d.w.z. zowel onderwijs, gezondheidszorg als andere sociale diensten, open te stellen voor buitenlandse investeerders en markten.

De grote oriëntaties voor de sector worden dus op het allerhoogste niveau genomen. Zoals een directeur van een instelling maar de uitvoerder is van de nationale politiek, zo opereren de nationale politici binnen de krijtlijnen die worden uitgetekend in de schoot van de WTO en de Europese Commissie, ver weg van enige democratische controle. Dat heeft zo zijn strategische consequenties. We komen daarop terug.

Waarom privatiseren?

Waarom is het privé-kapitaal nu zo belust op de publieke financiering van de sector en om de openbare ziekenhuizen in handen te krijgen? Ten eerste is het kapitaal altijd op zoek naar nieuwe markten. De geeuwhonger van het kapitaal kent geen grenzen. Als men gedacht had dat het ging stoppen met de privatisering van Belgacom en Sabena, dan heeft men het goed mis. Het kapitaal is met niet minder tevreden dan alles, het wil gewoon alles. Wat blijft er nog over: de post, energie, transport (NMBS en De Lijn), het onderwijs, de pensioenen en de zorgverstrekking.

Deze laatste sector is wereldwijd goed voor een ‘markt’ van 2200 miljard euro. Dat is ongeveer het dubbele van de automobielsector, of negenmaal het BNP van België. Het gaat dus over een gigantische sector, waarvan nog twee derde braak ligt, d.w.z. nog in handen van de overheid. Het is een veelbelovende markt, want de behoeften stijgen jaarlijks met zo’n 5%. De takken die wel reeds geprivatiseerd zijn laten bovendien zeer hoge winstcijfers zien. Zo behoren de winsten uit de farmaceutische industrie tot de allerhoogste. Het is dus een natte droom van menig kapitaalbezitter om deze ‘markt’ te mogen ontginnen.

Een tweede reden heeft te maken met de fiscaliteit. De begroting voor gezondheidszorg en andere sociale diensten wordt gefinancierd door belastingen, die voor een deel worden betaald door de ondernemingen. (6) Als de overheid een deel van de dienstverlening afstoot kunnen die belastingen dus (nog verder) omlaag. Het kapitaal dat niet besteed wordt aan de overheid komt dan ten goede aan de privé-winsten. Dat kadert in de algemene neoliberale strategie van de ‘ontvetting van de staat’. En dat geldt des te meer in de zorgsector gezien het feit dat de behoeften er jaar na jaar stijgen en bijgevolg een toenemende druk uitoefenen op de uitgaven. Even cijferen: het budget voor de gezondheidszorg bedraagt in België rond de 14,4 miljard euro (580 miljard bef), (7) met een tekort van 400 miljoen euro (17 miljard bef). In het afgelopen jaar werd de bedrijven voor 4,2 miljard euro (170 miljard bef) kwijtgescholden aan sociale bijdragen. Wat men aan de ene geeft kan men aan de andere niet meer uitgeven en omgekeerd.

Er is nog derde reden waarom bepaalde, aanverwante sectoren van het bedrijfsleven geïnteresseerd zijn in de gezondheidszorg. Greep krijgen op de zorgsector biedt namelijk extra-voordelen voor de eigen activiteiten en betekent dus een versterking van de economische positie van het bedrijf.

Enkele voorbeelden: farmaceutische bedrijven of producenten van hoogtechnologische apparatuur zullen maar al te graag participeren in grote ziekenhuizen, kwestie van de afzetmarkt wat te garanderen. Begrafenisondernemers zouden een investering kunnen opvatten als een potentiële klantenbinding. Een grote multinational die de hospitalisatieverzekering van zijn personeel zelf beheert, zou geïnteresseerd kunnen zijn om aandelen te verwerven van een nabij hospitaal. Dat zou de behandeling niet alleen goedkoper maken (korting wegens verzekerde grote afzet) en dus minder kosten voor de verzekering. De multinational zou dan ook kunnen aansturen op een management van de kliniek dat erop gericht is de patiënten (werknemers) zo snel mogelijk opnieuw aan het werk te krijgen … Dit is onderdeel van de zogenaamde ‘managed care’, goed bekend in de VS, maar nu ook reeds ingevoerd in Nederland.

De salamipolitiek

Privatisering of vermarkting zijn verraderlijk omdat ze op een sluipende manier worden doorgevoerd. Een overheidsbedrijf wordt nooit in één keer verkocht aan privé-kapitaal want dat zou op te veel verzet stuiten en het zou ook minder interessant zijn voor mogelijke kopers. (8) Daarom gebeurt het in schijfjes. Maar daarom wordt het ook minder opgemerkt en als een gevaar aanzien. In de verschillende sectoren gebeurt de privatisering ongeveer volgens een zelfde stramien. De zorgsector volgt dit stramien min of meer. In deze sector spreekt men beter van vermarkting of commercialisering omdat de meeste ziekenhuizen (reeds) in privé-beheer zijn, er weinig dokters in loondienst werken en de mutualiteiten private instellingen zijn. Maar de financiering komt nog steeds van de overheid waardoor het winstprincipe uitgeschakeld is.

  1. Het beheer van de overheidsinstelling wordt georganiseerd zoals in een privé-bedrijf. Dat gaat gepaard met de uitbouw van een versterkt kader van managers. In de gezondheidssector gaat het vaak om kaders die niet uit de zorg zelf komen: juristen, economisten, gepensioneerde militairen, … De afdeling ziekenhuiswetenschappen aan de universiteiten biedt weliswaar plaats aan verpleegkundigen, maar de basisfilosofie van die opleiding gaat vooral in de richting van een kille, zakelijke en marktconforme aanpak.
  2. Aan de instelling wordt meer autonomie verleend in het kader van bezuinigingen, d.w.z. dat ze vooral op het vlak van de toegekende middelen hun plan moeten trekken: de zogenaamde plafonnering van de enveloppe. De enveloppes in de zorgsector volgen de jaarlijkse toenemende behoefte niet. De gevolgen laten zich raden: te weinig investeringen, te weinig personeel, schuldenopbouw. Het gaat hier in de eerste plaats om bezuinigingsmaatregelen. Maar je zou je ook kunnen afvragen of we hier niet te maken hebben met een verrottingsstrategie, met de bedoeling het grote publiek klaar te maken voor toekomstige privatiseringen.
  3. Het opsplitsen in aparte eenheden, die elk autonoom kunnen functioneren. Een wet van 1991, die gebaseerd is op een Europese richtlijn, heeft de overheidsbedrijven verplicht om een onderscheid te maken tussen activiteiten van openbaar nut en activiteiten die voor commercialisering (privatisering) in aanmerking komen. De meer rendabele sectoren worden zonodig gesaneerd of geherstructureerd zodat ze aantrekkelijk worden voor het privé-kapitaal. De overige, onrendabele sectoren blijven aan de overheid toevertrouwd. Daarnaast worden ook bepaalde deeltaken afgestoten en overgelaten aan onderaannemingen. Zo laten reeds heel wat ziekenhuizen het poetswerk gebeuren door privé-firma’s.
  4. De combinatie van verslechterde openbare dienstverlening als gevolg van de bezuinigingen en een groeiende koopkrachtige vraag naar kwaliteit bij de bovenste lagen van de bevolking, leidt tot het ontstaan van particuliere initiatieven naast het bestaande overheidsaanbod. De onderinvesteringen in de post hebben geleid tot slechtere dienstverlening met als gevolg dat heel wat bedrijven zich richten tot privé-verzendingsfirma’s. In de zorgsector is deze trend volop bezig bij de bejaardenhulp. Indien de jaarlijkse behoeften met 5 tot 7% stijgen en de publieke financiering slechts met 1,5 tot 2,5% stijgt, dan betekent dat een sluipende privatisering van 2,5 tot 5,5%.
  5. De laatste fase is de verkoop aan de privé-sector van die eenheden die ervoor in aanmerking komen, d.w.z. de rendabele. De overheid blijft dan instaan voor de garantie van de zogenaamde basisdienstverlening.

Efficiënter en goedkoper?

De voorstanders van privatisering of vermarkting baseren hun argumentatie op de efficiëntie. Omwille van de concurrentie worden de marktspelers verplicht zo efficiënt mogelijk te werken. Bij planning en overheidsinterventie valt dat weg hetgeen leidt tot verspilling, inefficiëntie en verlies aan kwaliteit. Daarmee wordt geargumenteerd, d.w.z. daarmee wordt de neoliberale privatiseringsgolf ideologisch ingedekt en gelegitimeerd. Maar hierboven zagen we dat de privatiseringen in de eerste plaats het gevolg zijn van veranderde krachtsverhoudingen en dat ze vooral gericht zijn op de belangen en het winstbejag van de grote ondernemingen. Met efficiëntie heeft dat natuurlijk niets te maken, wel met macht. Het vermeende gebrek aan kwaliteit en efficiëntie in de overheidsdiensten wordt bovendien voor een groot deel in de hand gewerkt door de langdurige bezuinigingen. Daarover wordt zedig gezwegen.

Maar laten we dan toch even ingaan op de argumentatie zelf. Voorstanders werken met de identiteit: markt = efficiëntie en doen het voorkomen alsof dat de tegenstanders van privatisering ook tegen de efficiëntie zijn. Dat is vooreerst een logische denkfout. Overheidsinstellingen kunnen zowel efficiënt als inefficiënt werken, en dat geldt evengoed voor privé-ondernemingen. Er zijn voldoende voorbeelden van privé-bedrijven die met overheidsgeld in leven gehouden worden. De efficiëntie (of rentabiliteit) hangt af van het beheer, van de voorradige middelen, van een gunstige marktpositie of ligging, van aanwezige infrastructuur, enz. De identificatie tussen markt en efficiëntie gaat ook voorbij aan het feit dat de markt het winstbeginsel inhoudt en daardoor sociale doelstellingen ondergraaft. Alles hangt af van het uitgangspunt en de doelstellingen. Als de doelstelling is om iedereen gelijke kwalitatieve zorg te verstrekken, dan is die zorg efficiënt die dat garandeert (= sociale efficiëntie). Indien we als doel daarentegen stellen winst te maken op het einde van het jaar, dan is het efficiënt om alle verliesposten uit te schakelen (= winst efficiëntie). Dan moeten patiënten met open rekeningen uitgesloten worden, dan wordt de revalidatie best afgebouwd, enz. Dus op het vlak van sociale efficiëntie is de markt allesbehalve noodzakelijk een gunstige factor. Theoretisch houdt de argumentatie over de efficiëntie m.a.w. geen steek.

Maar ook in de praktijk is de identiteit markt = efficiëntie niet vol te houden. In de VS is de vermarkting van de gezondheidssector het verst gevorderd. Welnu het land geeft 13,1% van zijn BNP uit aan gezondheidszorgen, terwijl België slechts 8,6%. (9) Dat wil zeggen dat er per inwoner meer dan de helft meer wordt uit gegeven dan bij ons, en dat terwijl 40 miljoen VS-burgers niet eens over een ziekteverzekering beschikken en nog eens 60 miljoen onderverzekerd zijn.

Of laat ons eens kijken naar dat deel van de gezondheid dat ook bij ons reeds volledig geprivatiseerd is: de farmaceutische nijverheid. Deze industrie behoort tot de meest winstgevende en kent een jaarlijkse groei van ongeveer 15%. Dit op de markt gebaseerde systeem slaagt er niet in efficiënte, betaalbare en gemakkelijk te gebruiken geneesmiddelen te verstrekken tegen ziektes waar meer dan drie vierde van de wereldbevolking aan lijdt: malaria, tuberculose, slaapziekte, Aids, leishmaniasis, … Voor de aandeelhouders is de medicijnenmarkt bijzonder efficiënt, maar voor de meer dan vier miljard aardbewoners ligt dat blijkbaar anders. Zeer zeker, bedrijfsleiders kunnen ook ethische en sociaal bewogen zijn, en zijn dat ook vaak. Maar dit aanhalen als argument om de markt te promoten klinkt in het licht van het voorgaande wel erg cynisch.

Gevolgen

Volgens Van Dale is privatiseren het overlaten van overheidstaken aan het bedrijfsleven of aan particulieren. Maar met deze overdracht van taken verandert ook de wijze waarop ze worden uitgevoerd omdat tezelfdertijd winst en concurrentie worden ingevoerd. Het gaat hier dus niet enkel om een wijziging van de eigendomsverhoudingen (van de overheid naar privé-kapitaal) maar ook om een andere invulling van de taken met verregaande gevolgen voor patiënten en personeel.

Er is weinig voorstellingsvermogen nodig om te bedenken dat het winstoogmerk zal leiden tot meer interesse voor de meest lucratieve zorgen en niet noodzakelijk voor de meest noodzakelijke zorg. Het versneld helpen van zieke werknemers van een bedrijf waarmee men een contract heeft, zal meer opbrengen dan een goede kinderafdeling, geriatrie of dure IC-bedden waar nauwelijks iets mee te verdienen valt. Er zal een tendens bestaan in het binnenhalen van hoogtechnologische (kapitaalsintensieve) apparatuur ten koste van investeringen in (arbeidsintensieve) basisverzorging. Op het eerste kan meer verdiend worden dan op het tweede. Elke kliniek zal proberen de meest lucratieve zorgverlening binnen te halen: harteenheden, in-vitrofertilisatie, one day surgery, plastische en esthetische chirurgie… Er zal jacht gemaakt worden op kapitaalkrachtige patiënten, of patiënten met goede hospitalisatieverzekeringen. De neiging zal bestaan om onverantwoord snel te besluiten tot een ingreep. Men zal onvoldoende gekwalificeerd personeel inzetten. In de minder rendabele takken zal men gebruik maken van minder goed of verouderd materiaal, in de hoogtechnologische sectoren ziet men nu reeds het omgekeerde: steeds nieuwer apparaten, zelfs al hebben die geen substantieel voordeel. De controle zal verslappen.

Openbare ziekenhuizen (OCMW) of verzorgingsinstellingen zullen zich moeten toeleggen op de basiszorg, d.w.z. op resttaken die het minst rendabel zijn. De introductie van het marktmechanisme betekent ook de opkomst van marketting en reclame. Men kan het zich al voorstellen: "De zachtste bedden, de liefste verpleegsters, de kortste operaties. Alleen het Erasmusziekenhuis kan dat bieden. Deze week 10% op alle operaties en gratis stervensbegeleiding". Dit is geen fictie, in de VS gaat men reeds volop deze richting uit. Tenslotte zal men op zoek gaan naar sponsors. Hierboven toonden we reeds tot wat dit allemaal kan leiden.

Kortom de kwaliteit zal gevoelig achteruitgaan. In Nederland hebben ze daar ondertussen ervaring mee. Vorig jaar vroeg de inspecteur generaal voor de gezondheidszorg om speciaal toezicht op privé-klinieken als ‘specifiek risicogebied’ …

Voor de patiënten laten de gevolgen zich ook makkelijk raden. De verzorging zal worden afgestemd op de koopkracht. Patiënten met een goede hospitalisatieverzekering zullen voorrang krijgen en van de beste zorgen kunnen genieten. Slechtverzekerden zullen het moeten stellen met basisgezondheidszorg van de laagste kwaliteit, om nog maar te zwijgen van de niet-verzekerden zoals illegalen. Nu al mogen privé-klinieken in Nederland hogere tarieven aanrekenen.

Globaal genomen zal de goede dienstverlening duurder worden en dus minder toegankelijk voor iedereen. Het aanbod zal verschralen. Er zal een zorg ontstaan met twee snelheden: oververzorging van rijke patiënten, die zich de meest extravagante diensten zullen kunnen permitteren en onderverzorging van de arme patiënten. In de vermarkte gezondheidszorg van de VS zien we tot wat dat kan leiden: daar sterven de armste bevolkingsgroepen (vooral zwarten en latino’s) gemiddeld dertig jaar eerder dan de blanke VS-burgers.

Hier zijn we nog niet zo ver, maar toch hebben nu reeds één op drie patiënten moeilijkheden heeft om zijn gezondheidsfactuur te betalen. De verdere vermarkting zal deze situatie alleen maar verslechteren. En we hebben het dan nog niet over een mogelijk faillissement van geprivatiseerde instellingen, met alle gevolgen voor de aanwezige patiënten. De recente voorbeelden in enkele rusthuizen hebben laten zien tot wat de vermarkting allemaal kan leiden.

De uitholling van de ziekteverzekering (eerste pijler), wat neerkomt op de gedeeltelijke privatisering van deze sector, zal dat proces nog versnellen. We zien nu reeds tot wat de vermarkting in de autoverzekering leidt: voor bepaalde kwetsbare groepen zoals jongeren, werklozen en ouderen wordt een verzekering praktisch onbetaalbaar. Nu reeds weigeren de mutualiteiten in België aan bepaalde categorieën een bijkomende verzekering. In de VS hebben 40 miljoen burgers geen ziekteverzekering en zijn 60 miljoen nog eens onderverzekerd. Dat gaat over meer dan één derde van de bevolking.

De gevolgen voor de werknemers zijn gemakkelijk te voorspellen aan de hand van wat in andere sectoren reeds is gebeurd op dat vlak. Vooreerst zal het statuut, waar lang is voor gestreden, sneuvelen. De werkdruk zal (nog) verder toenemen evenals de flexibiliteit. Overgestresseerde verpleegkundigen, overwerkte chirurgen en assistenten aan de operatietafel, … Met de chantage van faillissement zullen CAO’s niet nageleefd worden. Er zal onvoldoende geld zijn voor bijscholing. Met de uitbreiding van de EU zal men het tekort aan verpleegkundig personeel proberen op te vangen door mensen uit de voormalige Oostbloklanden aan te trekken. Dat zal op zijn beurt een neerwaartse druk op de lonen en verslechterde arbeidsomstandigheden met zich meebrengen.

Alternatieve voorstellen

Gezondheidszorg is een grondrecht, het moet in dienst staan van de mens en niet van winst of kapitaal. De basis van publieke dienstverlening is sociale zorg, d.w.z. herverdeling van de rijkdom in functie van de noden en behoeften. Het bevordert solidariteit door het risico over de samenleving te verdelen en door zorg te verstrekken op basis van nood en niet op basis van koopkracht.

De vermarkting introduceert het winstbeginsel en maakt daar een einde aan. Het introduceren van concurrentie in de zorgsector is ofwel onmogelijk (bijvoorbeeld om geografische redenen) ofwel zoals we zagen ongewenst. Het is in elk geval ethisch ondenkbaar dat zorg geweigerd wordt omwille van te geringe koopkracht, en dat is wat dreigt te gebeuren met de vermarkting.

Daarom moet alles in het werk gesteld worden om de actuele privatiseringsgolf te stoppen en terug te dringen, zowel in het belang van de consument (patiënt) als van de werknemer, en dat niet alleen in de gezondheidssector. Op lange termijn zal men er moeten naar streven om de bestaande privatiseringen of vermarkting opnieuw ongedaan te maken. Maar daarvoor zal men de krachtsverhoudingen moeten wijzigen. Op korte termijn kunnen volgende doelstellingen nagestreefd worden voor de zorgsector:

  • halt aan elke verdere vermarkting, bejaardentehuizen opnieuw onder overheidscontrole;
  • betere arbeidsvoorwaarden voor verplegenden en verzorgenden.
  • ongedaan maken van het budgettair keurslijf; het budget moet bepaald worden in functie van de behoeften en deze moeten samen met alle betrokken partijen worden vastgelegd;
  • de grootte en oriëntatie van het management moet opnieuw in functie van de zorg en niet in functie van kille berekeningen;
  • een bredere sociale zekerheid, waar iedereen naar draagkracht bijdraagt.

‘Daar is geen geld voor’ zal men zeggen. Inderdaad, dáár, d.w.z. in de sociale sectoren, is er geen geld voor. Voor andere sectoren is er blijkbaar wel geld. Of er geld is voor deze of gene sector hangt natuurlijk af van de maatschappelijke prioriteiten en de politieke keuzes. Het is evident dat een maatschappij die gekenmerkt wordt door een verouderde populatie, verhoudingsgewijze meer uitgeeft aan zorgverstrekking (en aan pensioenen). De sterk toegenomen productiviteit maakt zoiets gemakkelijk mogelijk. (10) Wil men tegemoetkomen aan de jaarlijkse stijgende behoefte van 5 à 7%, dan is een jaarlijkse verhoging van het budget van 720 tot miljoen tot 1 miljard euro (29 tot 40 miljard bef) nodig. De opbrengst van een vermogensbelasting op de grote fortuinen zou alleen al 3,7 miljard euro (150 miljard bef) opleveren, dat is meer dan vijf maal zo veel. Het verlies aan belastingsinkomen omwille van fraude wordt geschat op ongeveer 15 miljard euro (600 miljard bef) en er is ook nog niet geïnd belastingsgeld ter waarde van 5 miljard euro (200 miljard bef).

Uitdagingen voor de vakbond

We zagen dat de vermarkting verstrekkende gevolgen zal hebben voor zowel de patiënten als de werknemers uit de sector. Binnen het krachtenveld van de gezondheidszorg zijn de vakbonden het best georganiseerd en zijn het de enige actoren van wie serieus verzet mag verwacht worden tegen de vermarkting. Dat verzet moet zeker ook niet verwacht worden van eender welke fractie binnen het parlementair halfrond, integendeel. Vakbonden dragen dus een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid, die verder reikt dan de eigen personeelsbelangen.

Maar ze hebben een gewiekste tegenstrever. Met het aantreden van paarsgroen zien we een trendbreuk. Niet alleen worden de vakbonden zoveel mogelijk buiten spel gezet en hun macht ondergraven, de nieuwe excellenties zijn ook grootmeesters in het ‘verkopen’ van hun boodschap en in het bespelen van de publieke opinie. De regering beschikt over zeer handige mediadeskundigen en heeft grote delen van de pers achter zich, zeker wat betreft de grote (neoliberale) oriëntaties.

Argumenten worden goed uitgedokterd, de afbraak van sociale verworvenheden wordt zorgvuldig gecamoufleerd. Het recente conflict in de onderwijswereld illustreert dat heel mooi. Van meet af aan zaten de onderwijsbonden in het defensief. Zowel de regering als zowat de gehele pers stonden zeer vijandig t.o.v. de geplande acties. De onderwijsmensen werden voorgesteld als luieriken en de ouders als slachtoffers van de staking. Ouders werden tegen de leerkrachten uitgespeeld. De vakbond was daar kennelijk onvoldoende tegen gewapend. Op televisie kwamen de vertegenwoordigers van het personeel eerder zwak over. Om te slagen had men een sterke communicatiecampagne moeten voeren, zowel naar de ouders (publieke opinie) als naar het onderwijzend personeel. Men had moeten duidelijk maken dat de bonden niet alleen opkomen voor zichzelf, maar dat ze met deze actie ook de kwaliteit van het onderwijs wilden behoeden. Dat het de regering niet te doen was om het lerarentekort op te vangen, maar dat het daarentegen eens te meer ging om een botte besparingsmaatregel. Dat uiteindelijk de leerlingen en dus ook de ouders de dupe zouden zijn van de maatregel: meer ziekteverzuim, vergrijzing van het personeel, … Maar zo’n campagne is er niet gekomen en dus ook geen front met de ouderverenigingen. De publieke opinie keerde zich dan ook tegen de acties, met de gekende gevolgen.

De ‘witte’ wereld kan daar zijn lessen uit trekken. Privatisering en vermarkting zijn uiterst moeilijk thema’s en het zal een goed uitgekiende strategie vergen, inclusief een communicatiestrategie. Reeds jarenlang worden we via de media overspoeld met de boodschap dat privatiseren en vermarkten niet alleen goed en noodzakelijk is, maar ook dat het onafwendbaar is. Wie het overheidsinitiatief blijft verdedigen wordt bestempeld als ouderwets. De publieke opinie is daar sterk van doordrongen. Het zal noodzakelijk zijn dit te doorprikken en aan te tonen dat hier heel veel op het spel staat, dat de kwaliteit en de solidariteit in het geding zijn, dat we evolueren naar Amerikaanse toestanden, enz. Zo’n bewustzijnscampagne is vooreerst nodig om de achterban te overtuigen, maar vooral om de publieke opinie op de hand te krijgen. Alleen zo kan een duurzaam front gemaakt worden dat enige kans op slagen heeft.

Ten tweede is er de mondiale dimensie. De privatiseringsgolf wordt op een supranationaal niveau goedgekeurd en georganiseerd. We moeten ons niet teveel blindstaren op wat de Vandenbrouckes en de Vogels daarover zeggen. Dat gaat over de punten en de komma’s. De fundamentele strijd tegen de privatiseringen, de vermarkting van de non profit en tegen de verdere afbraak van sociale verworvenheden zal Europees moeten gevoerd worden. De Europese multinationals uit de dienstensector hebben zich georganiseerd in het European Services Forum (ESF). Dat is een machtige lobby die onderdeel is van UNICE, het VBO op Europees niveau. Via dat kanaal wegen zij zwaar door op de besluitvorming in de Europese Commissie en de Europese Raad. Willen de vakbonden in de toekomst een partij zijn voor dit zwaargewicht, dan zullen ze zich ook op Europees niveau moeten organiseren. Als we het syndicaal werk niet gaan globaliseren, dan zullen we door de globalisering weggespoeld worden.

(Uitpers, mei 2002)

*Marc Vandepitte is hoofddelegee van COC (onderwijs) en auteur van diverse boeken en publicaties.

 

Bibliografie:

J. Breekveldt, Workshop: Tegen privatisering gezondheidszorg! Of zijn andere dingen belangrijker? www.wxv.dds.nl/lab/art_be_priv.html.

V. Moors, De kwaliteit van de zorg komt ernstig in gevaar. www.sdnl.nl/gezond-3.htm.

A. Pollock & D. Price, Globalisation? Privatisation? www.healthmatters.org.uk/stories/pollock.html

A. Pollock & D. Price, Rewriting the regulations: how the World Trade Organisation accelerate privatisation in health-care systems. The Lancet nr. p. 365, p. 1995-2000.

F. Vandenbroucke, De actieve welvaartsstaat en de gezondheidszorg. www.vangool.fgov.be:T-001020.htm.

M. Vandepitte. Dit Europa willen we niet. Brussel 2001.

UNDP, Human Development Report 2001. Washington 2001.

World Bank, World Development Report 2001, New York 2001.

World Health Organisation, www.WHO.int.

Voetnoten

(1) In de gezondheidssector wordt het krachtenveld bepaald door de volgende belangengroepen: vakbonden, artsensyndicaten, mutualiteiten, overheid, privé-kapitaal, directies van gesubsidieerde instellingen, farmaceutische sector, eventuele patiëntenbonden. In België hebben de artsenverenigingen van oudsher veel macht wat o.a. verklaart waarom wij geen nationaal gezondheidssysteem kennen zoals in Groot-Brittannië.

(2) De verhoogde werkloosheid was niet alleen het gevolg van de economische crisis. Het was ook een doelbewuste politiek om een neerwaartse druk op de lonen tot stand te brengen. Deze politiek werd gevoerd door middel van hoge rentevoeten, op het einde van de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig. Hogere interestvoeten betekent voor een kapitaalbezitter dat het investeren minder rendabel wordt omdat de afbetaling ervan duurder wordt. En bovendien is het dan interessanter om je geld speculatief te beleggen. Het gevolg is minder investeringen en dus minder tewerkstelling.

(3) Over de privatisering van het onderwijs zie M. Vandepitte, Is het onderwijs te koop? Brandpunt maart 2002, p. 198-200.

(4) Where next? The GATS 2000 negociations. www.mkaccdb.eu.int.

(5) De volgende regel werd uitgewerkt. Stel dat een VS-bedrijf een bepaalde dienst wil aanreiken in Frankrijk, dan kan de VS vanaf mei 2002 een concreet aanbod doen aan de Franse regering. Er start dan een bilaterale onderhandeling tussen beide landen en indien deze niets oplevert zal de geschillencommissie van de WTO de knoop doorhakken.

(6) Het grootste deel van de gezondheidszorg wordt gefinancierd vanuit de sociale zekerheid en een klein aandeel uit de algemene middelen: taksen en belastingen. Het zijn voornamelijk de sociale bijdragen die de ondernemingen dwars zitten.

(7) Het totale budget voor gezondheid is ongeveer 850 miljard. Hiervan wordt 580 miljard gefinancierd door de RIZIV. De rest door de gebruiker zelf, de patiënt dus. Dit gebeurt onder de vorm van remgelden, niet terugbetaalde medicatie, instrumenten…

(8) Er moet namelijk eerst een opsplitsing gebeuren in rendabele en niet-rendabele takken. (Zie verder.) In de regel worden de eerste verkocht en behoudt de overheid de andere.

(9) Dat is het gevolg van een grote bureaucratie, extravagante wensen van rijke patiënten, daarin aangemoedigd door commerciële specialisten en ten slotte van hoge verzekeringen die artsen moeten afsluiten om zich in te dekken tegen schadeclaims.

(10) De productiviteit drukt uit hoeveel een arbeider gemiddeld per uur produceert. Door een continue vooruitgang van de technologie stijgt dit jaar na jaar. In de Europese Unie was dat de afgelopen 20 jaar gemiddeld ongeveer 3,5% per jaar. D.w.z. dat men met een gelijk aantal werknemers die even lang werken, jaar na jaar 3,5% meer produceert. Dat is meer dan voldoende om een verhoging van 5 à 7% in de zorgsector en 1% in de pensioensector (respectievelijk de jaarlijks toenemende behoefte) te compenseren, zelfs als men een jaarlijkse reële loonsverhoging van 1 tot 2% veronderstelt.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 37 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook