Syrië en Iran: een standvastig bondgenootschap

Na de gewapende confrontatie tussen Israël en Hezbollah in Libanon afgelopen zomer werd duidelijk dat Iran en Syrië nog steeds een cruciale rol spelen in het Midden-Oosten. Die sturende positie hebben Teheran en Damascus grotendeels te danken aan hun opmerkzame bondgenootschap.

Ondanks de onderlinge ideologische en sektarische verschillen tussen beide regimes houdt de alliantie al bijna dertig jaar stand en beïnvloedt de merkwaardige band nog steeds het politieke landschap van de turbulente regio.

De diplomatieke samenwerking tussen Iran en Syrië is in de eerste plaats gegroeid als een defensieve alliantie, zo stelt Jubin Goodarzi, auteur van ‘Syria and Iran: Diplomatic Alliance and Power Politics’. In zijn pas verschenen boek over de oorsprong en de aard van het langdurige bondgenootschap weerlegt Goodarzi stelselmatig de gangbare opvattingen over het partnerschap.

Sommige opinieschrijvers en analisten dachten dat de alliantie enkel ontstaan was als een ‘mariage de raison’, gericht tegen het oorlogszuchtige Irak en gedoemd om uiteen te vallen na de Golfoorlog van 1990. Anderen hebben in de samenwerking nooit meer gezien dan een opportunitisch verbond tussen twee autoritaire staten met een agressief buitenlands beleid.

Uit Goodari’s boek blijkt dat de ‘speciale relatie’, zoals de Syrische regering haar band met Teheran bij voorkeur noemt [1], ontstond toen beide landen totaal geïsoleerd dreigden te geraken, zowel regionaal als internationaal. Vandaag is de situatie niet zoveel anders is en blijkt de angst voor verdere isolatie nog steeds een belangrijk motief voor verdere samenwerking. Het bondgenootschap werd bestendigd naarmate Iran en Syrië in hun partnerschap een veilige weg zagen om de opmars van regionale spelers als Irak en Israël in te dijken en de westerse – vooral Amerikaanse – inmenging in hun regio terug te schroeven.

De Iraanse revolutie als beginpunt

Tot voor de Iraanse revolutie in 1979 waren de bilaterale relaties tussen Iran en Syrië veeleer koel en vijandelijk en bestond er vooral een wederzijds wantrouwen tussen het westersgezinde, pro-Israëlische Teheran van de Sjah en het Sovjet-gezinde Baath-regime in Damascus. Wel onderhield de Syrische president Hafez al-Assad (overleden in 2000 en opgevolgd door zijn zoon Bashar, nvdr) vanaf begin de jaren zeventig nauwe banden met de in Iran geboren Imam Musa Sadr, die aan het hoofd stond van de sjiitische geloofsgemeenschap in Libanon [2]. Door zijn nauwe band met Sadr kwam de Syrische president onder meer in contact met prominente leden van de Iraanse oppositie, die later sleutelposities zouden bekleden binnen de Islamitische Republiek.

Toen de Iraanse revolutie in 1979 een einde maakte aan het conservatieve regime van Mohammed Reza Pahlavi en de islamitische geestelijke Ruhollah Khomeini aan de macht bracht, was de Arabische politieke orde sterk verzwakt en in staat van verval. Dat kwam onder meer door het beperkte succes van de oorlog in 1973 tegen aartsvijand Israël, het aanhoudende conflict in Libanon, de impasse rond de Palestijnse kwestie en het ‘bedrog’ van Egypte, dat zopas de Camp David-akoorden had ondertekend. Na deze opeenvolging van ontgoochelingen stelde Syrië nog weinig vertrouwen in de andere Arabische staten en zag het zich genoodzaakt zijn regionale beleid te herzien. Bovendien voelde het zich sterk geviseerd door Israël en Irak, met wie de relaties op een absoluut dieptepunt stonden. Assads toenadering tot het nieuwe regime in Teheran was dus in de eerste plaats een poging om verdere isolatie te voorkomen.

Meteen na de omverwerping van de Iraanse monarchie op 12 februari 1979 stuurde Assad een telegram richting Teheran, waarin hij Khomeini feliciteerde met zijn overwinning en zijn steun betuigde aan de nieuwe Iraanse machtshebbers. Kort daarna stuurde Damascus gezanten naar Iran om te onderhandelen over mogelijke samenwerking tussen beide landen. In maart volgde het eerste Syrische staatsbezoek aan Teheran sinds de val van het ‘ancien régime’.

Khomeini kon Syriës steun goed gebruiken, want in tegenstelling tot Assad keerden de meeste Arabische leiders zich geleidelijk af van het nieuwe regime. Vooral de Iraakse leider Saddam Hoessein keek met bijzonder veel argwaan naar de ontwikkelingen in zijn buurland en vreesde voor de impact die de overwinning van de sjiitische geestelijke Khomeini kon hebben op de Iraakse sjiieten. Een goede verstandhouding met Damascus werd des te belangrijker voor Iran, naarmate de regionale en internationale isolatie van het nieuwe regime toenam door het gijzelingsdrama in de Amerikaanse ambassade en de daaropvolgende economische sancties. Ondertussen gingen de relaties met Irak er verder op achteruit en lanceerde Bagdad een propagandaoorlog tegen zijn Perzische buren.

Nog voor de Iraakse troepen Iran in september 1980 binnenvielen, had Syrië al een luchtbrug opgesteld om Teherans snel slinkende wapenvoorraad aan te vullen en het Iraanse leger voor te bereiden op een nakende Iraakse aanval. Tijdens de oorlog schaarden de meeste Arabische landen zich al gauw achter Irak. Syrië van zijn kant bleef Iran onverwijld steunen en sloot onder meer een gigantische wapendeal af met de Sovjet-Unie.

Samen sterker

Tijdens de oorlog tussen Iran en Irak, die bijna de hele jaren tachtig overspande, kenden Syriës bilaterale relaties met de andere Arabische landen nauwelijks of geen verbetering. Het aanslepende conflict in Libanon gaf Damascus bovendien nog een bijkomende reden om met Iran te blijven samenwerken. Terwijl het islamitische regime in Teheran twee jaar lang afhankelijk was geweest van Syriës steun, kantelde de machtsbalans binnen de alliantie in 1982 met de verdrijving van de Iraakse troepen uit Iran en de gelijktijdige Israëlische invasie in Zuid-Libanon. Plots werd Assad diegene die Teherans hulp nodig had, niet alleen om Irak in bedwang te houden, maar ook om Israël en het Westen uit zijn Libanese achtertuin te weren. Na de terugtrekking in 1985 van de Israëlische troepen tot achter hun zelfverklaarde veiligheidszone nam Damascus weer geleidelijk de bovenhand binnen het partnerschap dat voor Iran opnieuw een uitweg werd om totale isolatie af te wenden.

Vanaf 1985 begon de voortdurende burgeroorlog in Libanon het bondgenootschap tussen Teheran en Damascus echter steeds meer op de proef te stellen. Dat kwam onder meer omdat beide regimes heel uiteenlopende toekomstplannen hadden voor Libanon. De Iraanse sjiitische clerus had reeds lang voor de Iraanse revolutie interesse voor de sjiieten in Libanon. Zij zouden dan ook de eerste stap zijn binnen de verspreiding van het revolutionaire islamitische gedachtengoed buiten de Iraanse grenzen. Assad van zijn kant droomde al lang van een machtsuitbreiding in Libanon, met als ultieme streefdoel de hereniging van Groot-Syrië [3]. Die uiteenlopende visies werden weerspiegeld in de hevige strijd die er op het Libanese oorlogsterrein woedde tussen de sjiitische milities Amal en Hezbollah. De twee vijandiggezinde milities werden respectievelijk gesteund door Syrië en Iran en dreigden door hun onderlinge clash de Syrisch-Iraanse alliantie vroegtijdig te beëindigen. Maar Damascus en Teheran slaagden er op tijd in hun geschillen omtrent Libanon bij te leggen en maakten de weg vrij voor het Damascus-akkoord, dat een einde maakte aan de vijandelijkheden tussen Hezbollah en Amal [4].

Bestendiging van het bondgenootschap na 1988

Volgens Goodarzi was deze verzoening een duidelijk teken dat Iran en Syrië beiden een duurzame langetermijnstrategie verkozen boven een gevaarlijk, kortzichtig plan. Voor beide staten bleef de alliantie ook na de eerste (1980-1988) en tweede Golfoorlog (1990) een belangrijke strategische factor. Hun buitenlandbeleid leek bovendien steeds meer te convergeren. Er waren niet alleen de gemeenschappelijke regionale vijanden waaronder Israël en Irak; sinds de val van de Sovjet-Unie wilden zowel Teheran als Damascus vermijden dat de VS, als enige overblijvende grootmacht, de touwtjes in het Midden-Oosten verder in handen zouden nemen.

De vrees dat Washington zijn invloed in het Midden-Oosten verder zou uitbreiden is ook vandaag nog een van de sterktste motieven achter het bondgenootschap. Sinds de Amerikaanse president George Bush in 2002 opriep om de ‘As van het Kwaad’ te bestrijden en schurkenstaten zoals het Irak van Saddam Hoessein en andere dictatoriale regimes in de regio tot de democratie te bekeren, voelen Syrië en Iran voortdurend de hete adem van Washington in de nek. Toen het Brits-Amerikaanse leger Irak in maart 2003 binnenviel, dachten beide regimes dat zij het volgende doelwit zouden zijn. Daarom konden ze maar met gematigd enthousiasme reageren op de omverwerping van hun aartsrivaal Saddam Hoessein, van de macht verdreven door een vijand die een minstens even grote bedreiging vormde.

Dat die vijand zich volledig misrekend heeft en voorlopig militair vastzit in het Iraakse moeras, is een zekere geruststelling voor Teheran en Damascus. Maar hoewel beide regimes hebben bijgedragen tot de opmars van het anti-Amerikaanse verzet in Irak, is geen van beide landen gebaat met een regelrechte Iraakse burgeroorlog [5]. Iran en Syrië mogen dan wel niet rouwig zijn om de Amerikaanse misrekening, beiden zijn als de dood voor een escalatie van het sektarische geweld tussen de Iraakse soennieten en sjiieten, dat zich buiten de Iraakse landsgrenzen dreigt verder te zetten.

Volgens Goodarzi heeft de Amerikaanse inval in Irak de strategische samenwerking tussen Iran en Syrië duidelijk versterkt. Sinds 2003 zijn er aanzienlijk meer diplomatieke contacten tussen Teheran en Damascus en trachten ze hun beleid meer op elkaar af stemmen om het hoofd te kunnen bieden aan de nieuwe uitdaging. Bij elke bilaterale ontmoeting tussen de twee regimes staan de gebeurtenissen in het Midden-Oosten en de situatie in Irak hoog op de agenda. In februari 2005 verklaarde de Syrische eerste minister Mohammed Naji al-Utri tijdens een bezoek aan Iran dat de twee landen ‘een verenigd front vormden tegen de uitdagingen waarmee ze in de regio geconfronteerd werden’.[6]

De hete adem van Washington

Ondanks het Amerikaanse fiasco in Irak voelen Syrië en Iran zich nog steeds sterk geviseerd door de Amerikaanse ‘agressor’, die de toon tegenover Teheran en Damascus niet meteen lijkt te verzachten. In 2004 voelde Assad de druk op zijn regime plots toenemen toen de VS samen met Frankrijk via een resolutie van de VN-Veiligheidsraad het Syrische regime opriepen om zich niet langer te bemoeien met de Libanese politiek. Terwijl Assad die oproep toen nog naast zich neer kon leggen, zag hij zich na de moord op de Libanese oud-premier Hariri in februari 2005 genoodzaakt om in een golf van internationaal protest zijn troepen uit Libanon terug te trekken.

Tegelijkertijd voerde de regering-Bush ook de druk op het Iraanse regime op. In een poging om Teheran verder te isoleren bracht Washington Irans nucleaire activiteiten ter sprake en duwde het onderwerp gaandeweg tot bovenaan de internationale agenda. Sinds de komst van de radicale Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad in augustus 2005 is het Iraanse nucleaire dossier bijna dagelijkse kost in de media. Niet alleen Washington maakt van de media gebruik om zijn agenda door te drukken en Teheran volledig te demoniseren, ook Ahmadinejad heeft in de media een doeltreffende manier gevonden om zich niet door de VS te laten afschrikken en weet op tijd de nodige controverse op te wekken, onder meer door publiekelijk de holocaust in twijfel te trekken.

Of Teheran met zijn atoomprogramma ook niet-civiele doelstellingen nastreeft, blijft voorlopig onduidelijk. Wel staat vast dat zowel Iran als Syrië sinds begin jaren negentig een heus wapenarsenaal hebben opgebouwd om het ‘grote militaire onevenwicht in de regio te herstellen’, zoals beide landen het motief achter hun bewapening verwoordden [7]. Dat onevenwicht werd volgens hen vooral veroorzaakt door een overgemilitariseerd Israël, dat bovendien over kernwapens beschikte. Daarnaast was er nog steeds het Irak van Saddam Hoessein, dat in het verleden niet te beroerd was geweest om chemische wapens tegen zijn tegenstanders in te zetten. Om met een evenwaardige afschrikkingscapaciteit te kunnen uitpakken wilden Teheran en Damascus hun wapenarsenalen aanzienlijk uitbouwen. Daarvoor hadden ze ook niet-conventionele wapens nodig, waaronder verschillende soorten langeafstandsraketten. Die kochten ze aanvankelijk van Rusland, Noord-Korea en China. Later zijn ze die ook zelf beginnen ontwikkelen op basis van de technologie die ze van hun wapenleveranciers hadden verkegen.

Hezbollah is veranderd

Sinds Saddam Hoessein van de macht is verdreven, blijft alleen Israël nog over als een potentieel gevaarlijke regionale speler. Volgens Goodarzi dient de Iraanse geheimzinnigheid rond hun atoomprogramma dan ook vooral om Israël te blijven afschrikken. Maar ook Syrië stelt weinig vertrouwen in de joodse staat en toont weinig bereidheid om de onderhandelingen met Israël te hervatten, waardoor het eindelijk de Golanvlakte zou kunnen terugwinnen. Sinds het gewapende conflict in Libanon afgelopen zomer zijn de spanningen tussen Israël en Syrië alleen maar toegenomen. Israël beschuldigt Damascus ervan de ontvoeringen van de Israëlische soldaten in de Gazastrook en aan de Libanese grens te hebben gedirigeerd. Maar als mede-sponsor van Hezbollah gaat ook Iran niet vrijuit in de ontvoeringszaken, aldus Israël.

Volgens Goodarzi is het best mogelijk dat Hezbollah eerst in Teheran en Damascus te rade is gegaan voor ze haar offensief tegen Israël heeft ingezet. Toch is de sjiitische beweging de voorbije jaren veel minder gehoorzaam geworden aan haar Iraanse en Syrische donoren, meent Goodarzi. Hezbollah mag er dan nog dankzij de jarenlange samenwerking met Iran en Syrië in geslaagd zijn om de Israëlische troepen in 2000 uit Zuid-Libanon te drijven, sindsdien is de militie uitgegroeid tot een belangrijke Libanese politieke beweging, die verkozen is door het volk en die verantwoording moet afleggen tegenover datzelfde volk. Daarom dient Hezbollah in de eerste plaats de Libanese bevolking, zo stelt Goodarzi, en pas in tweede instantie Teheran en Damascus. Dat bleek ook duidelijk uit de verklaring die Hezbollah-leider sjeik Hassan Nasrallah aflegde na het beëindigen van de vijandelijkheden met Israël afgelopen zomer. Nasrallah verklaarde toen dat hij nooit toestemming zou hebben gegeven om die Israëlische soldaten te kidnappen, mocht hij vooraf geweten hebben welk onmenselijk leed daarop zou volgen [8]. Toch kan moeilijk ontkend worden dat Iran en Syrië dankzij Hezbollah onrechtstreeks invloed blijven uitoefenen op de Libanese politieke ontwikkelingen, en meer nog, dat ze een bijzonder efficiënt afschrikkingsmiddel hebben tegen hun gemeenschappelijke aartsrivaal Israël.

Een paradoxaal sterk bondgenootschap

Heel wat opinieschrijvers en analisten waren ervan overtuigd dat de alliantie tussen Iran en Syrië niet meer was dan een ‘mariage de raison’, ontstaan om een expansionistische Saddam in het gareel te krijgen, en gedoemd om uiteen te vallen eens de Golfoorlog voorbij was. Bijna twintig jaar later houdt het bondgenootschap echter nog steeds stand en lijkt de band tussen het islamitische sjiitische regime in Teheran en het seculiere Baath-regime in Damascus sterker dan ooit.

Volgens Goodarzi is de standvastigheid van de alliantie perfect verklaarbaar. Een belangrijke troef, paradoxaal genoeg, is het feit dat beide staten heel uiteenlopende ideologieën nastreven. Allianties tussen staten diezelfde transnationale universalistische ideologie nastreven hebben minder slaagkansen dan allianties waarin ideologie minder belang heeft. Dit is meer dan eens aangetoond in het Midden-Oosten, waar een historische overvloed heerst aan autoritaire regimes die hun toevlucht hebben gezocht tot een bepaalde ideologie om hun politieke legitimiteit te vergroten. Veeleer dan een alliantie aan te gaan met een ideologisch gelijkgezinde, wedijverden gelijkgezinde staten meestal onderling voor het leiderschap en probeerden ze de onderwerping van de andere staat af te dwingen. Die wedijver bestond onder meer tussen de nationalistische Baath-regimes van Irak en Syrië. Maar het verklaart bijvoorbeeld ook waarom het islamitische Iran in 1998 op voet van oorlog kwam te staan met de fundamentalistische islamitische Taliban in buurland Afghanistan.

Een andere troef van het bondgenootschap is het feit dat de alliantie vooral een defensief doel dient. Defensieve allianties zijn over het algemeen stabieler en duurzamer dan offensieve allianties, waarin de motivatie om samen te werken meestal wegvalt nadat de gemeenschappelijke tegenstander is aangevallen en overwonnen. Met de jaren hebben Teheran en Damascus ingezien dat hun regionale doelstellingen elkaar overlapten. Maar om die gemeenschappelijke agenda door te drukken moesten ze hun kortetermijnplannen achterwege laten en de voorkeur geven aan hun langetermijnbelangen.

Hoelang de alliantie nog zal stand houden, is moeilijk te voorspellen. Het bondgenootschap heeft hoedanook zijn stempel achtergelaten op het politieke landschap in het Midden-Oosten. Bovendien is het opmerkelijk hoe weinig zeggenschap Washington tot nu toe heeft gehad op beide autoritaire regimes en hoe Iran en Syrië ook na de val van het communisme relatief ongestoord hun eigen gang zijn blijven gaan.

(Uitpers, nr. 80, 8ste jg., november 2006)

Noten

[1] “We have a special relationship with Iran, not an alliance”, aldus de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Walid Moallem. Al-Jazeera, 20 April 2006.

[2] Zie Patrick Seale, Assad: The Struggle for Power in the Middle East, Berkley: University of California Press, 1988, p. 352; Zie ook Abbas William Samii, Syria and Iran: An Enduring Axis”, Mideast Monitor, Vol.1, No. 2, April/May 2006.

[3] Na de val van het Ottomaanse rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog droomden de Arabische nationalisten luidop van één grote onafhankelijke Arabische staat. Maar de koloniale machten maakten al gauw een einde aan die droom. Via de ondertekening van de geheime overeenkomst Sykes-Picot verdeelden Engeland en Frankrijk het Midden-Oosten onder elkaar en maakten het tot mandaatgebied. De Syrische nationalisten legden zich daar niet bij neer en riepen in 1920 de onafhankelijkheid uit van Syrië ‘binnen zijn natuurlijke grenzen’. Die begrenzing kwam grofweg overeen met een gebied dat het huidige Syrië, Libanon en Palestina behelst. Frankrijk van zijn kant negeerde deze onafhankelijkheidsverklaring en stuurde een bezettingsmacht naar Damascus. Later dat jaar richtte Frankrijk de nieuwe staat Libanon op, waardoor Syrië een deel van zijn grondgebied kwijtgeraakte aan zijn nieuwe buurland.

[4] Zie Anoushiravan Ehteshami en Raymond Hinnebusch, Syria and Iran, Routledge Publishers, Londen, 1997, p.131-4.

[5] Ook al is het geen officieel Iraans beleid, het is zo goed als zeker dat er vanuit Teheran materiële en financiële steun wordt gegeven aan de militie van de radicale Iraakse sjiitische geestelijke Muqtada al Sadr in een poging om de werkzaamheden van de buitenlandse coalitietroepen in Bagdad en Zuid-Irak te verhinderen. Van Damascus staat vast dat het tot voor kort radicale soennitische opstandelingen en islamitische verzetstrijders hielp om de Iraakse grens over te steken. Assad mag dan wel gestopt zijn om de toestroom terroristen aan te wakkeren, zijn regering lijkt voorlopig niet gehaast om de Iraakse grens strenger te bewaken.

[6] Zie Goodarzi, 2006, p. 293.

[7] Ibidem, p.292.

[8] Zie de lezing door Jubin M. Goodarzi, “Syria and Iran: an enduring alliance” in Chatham House, Londen, 2 oktober 2006.

(Visited 10 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 103 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook