Suriname recent

De publicaties in het Nederlands van en over Suriname vormen geen hoge stapels. Toch verschijnen er jaarlijks een aantal. Walter Lotens las zes publicaties die in 2007 werden uitgegeven.

Wayana overleven tussen Suriname en Frans-Guyana

Achter de Wilde Kust wonen ze, de Wayana’s. Aan de bovenloop van de Marowijne, diep verscholen in het tropische regenwoud waar de grenzen van Suriname, Frans-Guyana en Brazilië elkaar raken, maar waar geen van de drie Amazonestaten echt aanwezig is.

Meer dan twintig jaar geleden maakte de Nederlandse antropoloog Karin Boven kennis met deze kleine groep van 1200 à 1500 mensen, die tot de Caraïbisch sprekende volken behoort. Onlangs verscheen haar doctoraal proefschrift over veranderingsprocessen bij de Wayana in Suriname en Frans-Guyana. Het is haar levenswerk en tevens een stuk van haar persoonlijk leven. Na een lezing in Paramaribo vertrok ze met haar gezinnetje naar het verafgelegen Wayanagebied om daar haar werk aan te bieden, te vertalen en te verduidelijken. Het zal zeker een emotionele tocht geweest zijn voor de antropoloog en tevens ex-vrouw van de Wayanaman Ipomadi Toko Pelenapïn uit het dorp Kawenhakan. “Zijn leven is door onze kennismaking net zo ingrijpend veranderd als dat van mijzelf,” schrijft ze (p. 321). Ook voor haar dochter Leana, daar geboren, was het ongetwijfeld een beklijvende rootsreis.

Door haar jarenlange verblijf in Kawenhakan kan Boven schrijven vanuit het Wayanaperspectief: ze spreekt de taal en wist zich als vrouw van een Wayana ook min of meer als een Wayana te gedragen en tot hun gedachtewereld door te dringen. Tijdens haar reis naar de bronnen van de Latani in het Tumukhumakgrensgebergte ontdekt zij het cultural landscape van de Wayana. Het bos is meer dan een bos. Het is geïmpregneerd met cultuur en historie. “Na deze reizen had ik bij terugkeer in het dorp het gevoel van met Wayanaogen naar de wereld te kunnen kijken en begreep ik meer dan voorheen wat het antropologisch begrip emic, ‘van binnenuit’, inhoudt. (p.35)”

Als antropoloog met grote aandacht voor de sociale interactie en veranderingsprocessen verzet zij zich sterk tegen een mythisch-exotische maar vooral statische beeldvorming, tegen het etiketjes plakken van oudere vakgenoten op het Wayana-zijn. De ëputop, het bekende ritueel waarbij adolescenten zich laten steken door mieren en wespen bestaat niet meer. En dan? De Wayana-identiteit is geen eeuwig en onveranderlijk gegeven. Wayana sluiten zich niet af voor de buitenwereld. Interactie met buitenstaanders in tijden van vrede of oorlog is hen niet onbekend. Vanuit het motto Adapt or perish hebben zij zich voortdurend nieuwe overlevingstrategieën eigen gemaakt.

Haar hoopvolle conclusie is dat de Wayana geen passieve slachtoffers zijn, maar actors of social change. Zij hebben geen boodschap aan de Wayana pur sang. Liever wat vermenging met andere etnische groepen waardoor zij allianties kunnen smeden om hun toekomst veilig te stellen. Daarom willen zij zeer bewust deel uitmaken van een globaliserende wereld.

Boven beschrijft uitvoerig de rise and fall van het dorp Kawemhakan, dat eens het invloedrijkste dorp aan de Lawarivier was, maar nu dreigt te verdwijnen. De Wayana vertrekken uit Suriname en trekken de rivier over omdat aan de Franse kant een aantrekkelijk euroland wenkt. Die bewegingen zijn eigen aan een frontier society, aan een statenloos borderland waarvan de bewoners handig weten gebruik te maken. Overleven in een grensgebied. Dat is de dubbele focus van Bovens studie.

Het gaat natuurlijk niet alleen over overleven, maar ook over leven (met een witruimte tussen). Vooral hoofdstuk 5 “Kawemhakan: een spiegel van verandering” en zes “Vreugde en spanningen in de gemeenschap” bevatten van binnenuit beschreven pareltjes van de Wayana-levenswijze in transitie. De negen forse hoofdstukken met heel veel verwijzingen naar literatuur – het gaat om een proefschrift – vragen behoorlijk wat concentratie, maar de doorzettende lezer zal zeker beloond worden voor de inspanning.

“Dit boek moet de Wayana een stem geven,” zei Boven in De Ware Tijd van 10/02/2007. Het boek is meer geworden: het is ook een belangrijk stuk van hun collectief geheugen en een verwoording van wat de Wayana willen voor zichzelf en hoe ze hun toekomst zien. Bovens historische insteek waardoor de ups and downs van de Wayana in beeld komen, zowel van de long term history (van vóór 1492 tot de Hollanders) als de short term history (van de invloed van de Amerikaanse zendelingen in de jaren vijftig tot de zuigkracht van euroland Frans-Guyana) is zonder meer boeiend. “Inheems zijn in het onafhankelijke Suriname” en “Stroomversnellingen aan de Wayanarivieren” bevatten unieke bladzijden voor het grote Surinaamse geschiedenisboek dat nog moet worden geschreven.

In haar “Ten slotte” verweeft Boven de hoofdlijnen uit de Wayana-historie met haar centrale uitgangsvragen en bewijst ze nogmaals wat van binnenuit schrijven betekent. Wie geen tijd heeft om heel deze kanjer te lezen, kan zich beperken tot pagina 258 tot 267. Dit is haar wetenschappelijk visitekaartje.

Bovens langdurig verblijf werd een intens rijke periode van participerende observatie. Misschien wel iets te veel van het eerste om goed te zijn voor een antropoloog. Maar kun je ‘de andere’ wel begrijpen door in- en outsider tegelijk te zijn? Door enerzijds dichterbij te komen maar toch een observatieafstand behouden? Kan dat wel? Is ‘participerende observatie’ geen contradictio in terminis, niet meer een academisch begrip dan werkelijkheid? Ik vraag het me af. Boven schrijft er niet over. Dat zou nochtans best boeiend zijn.

Haar verhaal over een onbekend mini volkje krijgt universele allures omdat zij de grote problemen aansnijdt waarmee heel de inheemse beweging bij het begin van deze 21ste eeuw te kampen heeft. Het boek is naar mijn gevoel ook zo rijk omdat het eigenlijk over een multidisciplinair onderzoek gaat: Boven begeeft zich niet alleen op antropologisch terrein, maar treedt ook op als historica en verdiepte zich in de botanie, de entomologie, de astrologie en de linguïstiek.

Achter dit boek gaan nog veel andere potentiële boeken schuil. Maar daarvoor moet Boven misschien ook wat uit haar wetenschappelijk keurslijf durven stappen en meer als mens op de voorgrond treden. Stem geven aan de Wayana heeft ze alvast schitterend gedaan. En nu meer de eigen stem? Of kan dat niet voor een wetenschapper?

Karin Boven, Overleven in een grensgebied, Veranderingsprocessen bij de Wayana in Suriname en Frans-Guyana, IBS, Rozenbergh Publishers, 2006, 325 blz. ISBN 90 5170 621 9, prijs: 34,90 euro

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=728026&refsource=uitpers

Een Nederlandse strafkolonie in Suriname

Jodensavanne aan de Surinamerivier, op ongeveer vijftig kilometer van Paramaribo, staat vooral bekend als historische site. Op het einde van de 17de eeuw vestigden zich daar Sefardische joden, gevlucht uit Brazilië. De overblijfselen van een grote synagoge en een joods kerkhof worden nu voorgedragen om erkend te worden als Erfgoed der Mensheid.

Veel minder bekend is het verhaal dat de journalist Twan Van de Brand over die plek te vertellen heeft. In “De strafkolonie” doet hij een boekje open over een minder fraaie bladzijde van het Nederlandse oorlogsverleden in Suriname waar tussen 1942 en 1946 een heus concentratiekamp heeft bestaan.

Het Nederland dat op 10 mei 1940 door Duitsland werd overvallen, beschikte toen nog over koloniën in de Oost en de West. De Nederlandse overheid nam dadelijk maatregelen om ook daar alle Duitse sympathieën de kop in te drukken. Vanaf dat ogenblik werd in Indië de Nationaal-Socialische Beweging (NSB) van Anton Mussert die een flinke aanhang kende, dadelijk verboden. Er werden ruim 2500 arrestaties verricht – meestal Duitsers en Oostenrijkers – maar ook 500 Nederlanders, al dan niet vermeende NSB’ers die in de sfeer van toen als gemene landverraders werden beschouwd. In 1942 werden 146 van de ‘felsten’ met een vrachtschip via Kaapstad naar Suriname gebracht. Zij zouden tot 1946 – pas één jaar na de oorlog werden ze vrijgelaten – in een concentratiekamp op Jodensavanne doorbrengen. Acht onder hen stierven daar.

Dat ‘vergeten’ verhaal reconstrueert Van den Brand zeer zorgvuldig op basis van gesprekken met overlevenden uit die periode. Hij praat zowel in Suriname, als in Nederland en Duitsland met vier geïnterneerden, twee van hun (Surinaamse) bewakers en Nederlandse militairen. Het werd een rush tegen de onverbiddelijke levenstijd, want intussen zijn enkele door hem geïnterviewde sleutelfiguren overleden. Naast deze oefening in oral history completeert Van den Brand zijn onderzoek met de eerder schaarse documenten in Surinaamse en Nederlandse archieven over wat hij zelf een ‘doofpotaffaire’ noemt.

In tien goed onderbouwde en levendig geschreven hoofdstukken, geïllustreerd met potloodtekeningen van de jongste gevangene Rolf Breier, beschrijft de auteur het dagelijkse leven in dat concentratiekamp waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten, werden getreiterd en waar ook is gemoord. Na een mislukte ontsnappingspoging werden vier vluchtelingen afgevoerd naar Fort Zeelandia in Paramaribo waar twee onder hen (Karel Raedt van Oldenbarnevelt en Loo van Poelje) een kogelregen in de rug kregen.

Van den Brand doet uitschijnen dat de sabelvreter kolonel Jan Kroese Meyer – vijand van die andere autoritaire figuur, gouverneur Kielstra – hiervoor verantwoordelijk was, maar in plaats van vervolgd te worden, maakte deze militair promotie tijdens de ‘politionele acties’ van 1948-1949 in de Oost. Later werd hij Amerikaanse staatsburger en daardoor ongrijpbaar voor de Nederlandse Marechaussee. Opvallend in dit boek is dat de Surinamers er veel menslievender uitkomen dan de Nederlandse militairen. Zij hebben veel meer begrip voor die arme Indische gevangenen dan de Nederlanders die hun landgenoten als vriendjes van Hitler beschouwden.

Met “De strafkolonie” drukt Van den Brand de Nederlandse lezer met de neus op enkele onfrisse feiten uit de Nederlandse geschiedenis. Wie “Een kwestie van macht” gelezen heeft, een dikke kanjer waarin Anthony van Kampen het leven van de Nederlandse arts Lex Schoonheyt beschrijft, zal echter weinig nieuwe feiten tegenkomen in dit verhaal.

Twan Van den Brand, De strafkolonie, Een Nederlands concentratiekamp in Suriname 1942-1946, Uitg. Balans, Amsterdam, 2006, 191 blz. ISBN 90-5018-808-7

Aankooplink De Groene Waterman:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=473482&refsource=uitpers

Paramaribo, stad van harmonische tegenstellingen

Paramaribo, de hoofdstad van Suriname, is een stad van harmonische tegenstellingen. Je vindt er vertegenwoordigers van verschillende origine, godsdienst en cultuur. Zo huizen in de Keizerstraat bijvoorbeeld een synagoge en een moskee broederlijk naast elkaar. Hoewel Suriname, zo zeggen de twee auteurs, overal ter wereld wordt gezien als het voorbeeld van de multiculturele samenleving, is tijdens de verkiezingen de verdeeldheid duidelijk zichtbaar. Hindoestanen stemmen op Hindoestanen, Javanen op Javanen en creolen op creolen. Die tegenstellingen leiden niet tot een onleefbare situatie maar maken Paramaribo tot wat het is geworden: een stad van harmonische tegenstellingen.

Dat is de grondstelling van de auteurs die doorklinkt tot in de titel van hun boekje. Voor Surinamers en Nederlanders van Surinaamse origine zijn beide dames zeker geen onbekenden. Cynthia Mc Leod is de auteur van een vijftal vuistdikke historische romans waarin belangrijke episodes uit de bewogen Surinaamse geschiedenis op een luchtige manier uit de doeken worden gedaan – “Hoe duur was de suiker” waarvan meer dan tienduizend exemplaren verkocht werden is haar meest bekende boek. Haar co-auteur Hennah Draaibaar is een generatie jonger en werkt als correspondente voor de Nederlandse NOS. Beide vrouwen hebben alvast met elkaar gemeen dat zij een belangrijk stuk van hun leven in het buitenland hebben doorgebracht – Mc Leod is de weduwe van een Surinaamse diplomaat en woonde jaren in Antwerpen – en Draaibaar is opgegroeid in Nederland. Zij behoren tot een steeds groter wordende groep van Surinamers die de laatste jaren naar hun land van oorsprong remigreren. Als schrijver en journalist zetten zij hun talenten in om dat kleine landje in Zuid-Amerika onder de aandacht te brengen van een Nederlandstalige publiek.

“Het moment dat de wielen van het vliegtuig de grond van de Johan Adolf Pengel-luchthaven raken, worden de passagiers onrustig.” Zo beginnen zij op een eerder cliché-achtige manier hun reisverhaal. Zij trachten zich te verplaatsen in de leefwereld van de toerist en nemen hem/haar onder de arm om Paramaribo te leren kennen. Dit boekje leest als een reisgids waarvoor de lezer een dubbele begeleiding meekrijgt. De verteller Cynthia Mc Leod, die vaak geleide stadswandelingen houdt, komt vooral aan het woord om historische toelichting te geven, terwijl de journalist Hennah Draaibaar met haar microfoon rondloopt en vooral vragen stelt. Om de een à twee bladzijden geven ze de pen aan elkaar.

Dat is het procédé dat in dit boekje gehanteerd wordt. Door die werkwijze kan er geen eenheid van stijl aanwezig zijn. Dat wreekt zich, want de lezer krijgt al gauw het gevoel dat hij een speelbal wordt in de handen van hun twee gidsen die vaak andere richtingen uitkijken. In plaats van complementair te werken – een quatre-mains kan zeer harmonieus zijn – leidt dit procédé eerder tot enkele solo-partijen. Het resultaat is dat je als lezer van hot naar haar wordt meegesleurd. Je krijgt een flinke hoeveelheid weetjes over je heen – vaak ook veel herhalingen – waardoor het grotere historische verband onvindbaar wordt.

Het is ook vrij onduidelijk voor wie dit boekje eigenlijk bedoeld is. De twee auteurs gaan er vanuit dat elke lezer weet wie Ronny Brunswijk, Michaël Slory, Ann Bromet, Henck Arron en Jagernath Lachmon is. Enige toelichting wordt niet gegeven. Een toerist die voor het eerst naar Suriname heeft aan zulke introductie vrijwel niets.

Het boekje draagt bovendien de stempel van haastig redigeerwerk: storende fouten en een vaak zeer slordige stijl maken dat “Paramaribo” niet prettig leest. Een stadswandeling hoeft voor mij geen literair hoogstandje te worden, maar mag toch wat meer zijn dan het opgewarmd verhaal van een getalenteerd verteller – en dat is Cynthia Mc Leod zeker ! – die haar gesproken woorden veel te snel aan de drukker toevertrouwde.

Cynthia Mc Leod en Hennah Draaibaar, Paramaribo, stad van harmonische tegenstellingen, Uitgeverij Conserve, Schoorl, 2007, 163 blz. ISBN 978-90 5429 237 1

Aankooplink De Groene Waterman:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=499034&refsource=uitpers

Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd

De Utrechtse historicus en antropoloog Wim Hoogbergen heeft zich vrijwel heel zijn wetenschappelijke carrière bezig gehouden met Surinamistiek. Met zijn geschiedenis van de Surinaamse Marrons (van de plantages weggevluchte slaven die zich verzetten tegen de koloniale overheerser) heeft hij naam gemaakt op dat vakgebied, voornamelijk dan met zijn studie over de Boni-oorlogen in 18de en 19de eeuw. Hoogbergen was ook jarenlang hoofdredacteur van het wetenschappelijk tijdschrift Oso waarin Suriname zowel taalkundig, letterkundig, cultureel als historisch bestudeerd wordt. Ter gelegenheid van het afsluiten van zijn carrière stelden de historici Peter Meel en Hans Ramsoedh een lijvig liber amicorum samen. Zij bundelden bijdragen van vijftien specialisten, voornamelijk historici (Rosemarijn Hoefte, Peter Meel, Hans Ramsoedh, Gert Oostindie, Alex van Stipriaan en Jean Jacques Vrij) antropologen (Chris De Beet, Karin Boven, Ellen Klinkers, Thomas Polimé, Bonno Thoden van Velzen) maar ook enkele sociologen (Aspha Bijnaar, Dirk Kruijt) een theoloog (Joop Vernooij) en de taal- en letterkundige Michiel van Kempen, tevens nieuwe hoofdredacteur van Oso.

“Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd,” is de eerste regel van een laku-lied uit de slaventijd. De woorden suggereren dat zelfs in de meest onmenselijke omstandigheden een individu niet van zijn menselijke waardigheid kan worden beroofd. Het is deze trots en dit gevoel dat zelfrespect die doorschemeren in de verzetsdaden die in deze bundel worden beschreven,” schrijven de inleiders (p. 16).

De ondertitel ‘pacificatie en verzet in koloniaal en postkoloniaal Suriname’ wordt door alle auteurs vanuit hun verschillende disciplines en invalshoeken belicht. Daarmee plaatsen ze zich in het spoor van Hoogbergen die verzet als een sleutelconcept beschouwt in het werk van veel onderzoekers over het Caraïbische gebied. “In de dialectiek van verzet en pacificatie ligt een belangrijke stuwende kracht, die ‘het wiel van de geschiedenis’ verder voert en tijdsgewrichten hun bijzondere invulling geeft,” merken Meel en Ramsoedh in hun inleiding op (p.12).

Het is onbegonnen werk om de bijdragen van al deze auteurs uitvoerig te bespreken. Ik pik er enkele bijdragen uit die mij speciaal zijn bijgebleven. Bonno Thoden van Velzen, de wetenschappelijke voorloper van Hoogbergen, laat zien aan de hand van de Boni-oorlogen dat orale geschiedenis belangrijke inzichten kan verschaffen omdat zij de emotionele kanten van het verleden van een groep vaak onbarmhartig blootlegt. Daarmee sluit Thoden van Velzen nauw aan bij de antropoloog én historicus Hoogbergen die op een systematische en kritische wijze orale en geschreven bronnen in zijn onderzoek betrok. Door die multidisciplinaire benadering heeft Hoogbergens werk een grotere reikwijdte en diepte gekregen.

In een uiterst boeiende bijdrage ‘Kijk maar, er staat niet wat er staat’ illustreert Alex van Stipriaan dat “als archieven het geheugen zijn van een land dan zijn kaarten de ogen en voeten die daarbij horen” (p.191) Met zeer sprekende voorbeelden maakt hij duidelijk dat ontbrekende informatie op Surinaamse kaarten verwijzen naar vormen van ‘contrageschiedenis’ of op zijn minst naar een andere werkelijkheid dan de afgebeelde. Ook de naamgeving op de Surinaamse kaarten vertellen het verhaal van de kolonisator en laten de werkelijkheid zien vanuit het perspectief van de slavenhouder.

De enige (politieke) socioloog in het gezelschap is de Latijns-Amerikakenner Dirk Kruijt en co-auteur met Wim Hoogbergen van “De oorlog van de sergeanten”. In zijn “Suriname: de achterkant van de soevereiniteit” schetst hij een breed beeld van de ontwikkelingen in Suriname en van de Surinaams-Nederlandse relaties na de onafhankelijkheid waarvoor hij een beroep doet op zijn studie “Een belaste relatie, 25 jaar ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, 1975-2000.” Hoe zinvol was de Surinaamse onafhankelijkheid? Zou Suriname beter af geweest zijn als in 1975 een referendum had plaatsgevonden? Welke gevolgen had de breuk met Nederland in 1982 voor de ontwikkelingen in Suriname? Op deze en nog andere relevante vragen gaat Kruijt uitvoerig in. In zijn poging tot antwoorden steekt hij onbevangen zijn nek uit want zowel Suriname als Nederland( ‘Als kolonisator en ex-kolonisator van Suriname verdient Nederland geen schoonheidsprijs’ p. 243) krijgen enkele flinke vegen uit de pan.

Dit boek van bijna 400 pagina’s is veel rijker dan uit deze bespreking blijkt. Lezers die Suriname en de Surinamistiek op de voet volgen zullen zeker nieuwe inzichten kunnen verwerven via de vaak gespecialiseerde bijdragen die echter een behoorlijke voorkennis veronderstellen. Voor wie die voorkennis niet heeft, had een inleidend hoofdstuk over de algemene lijnen van de Surinaamse geschiedenis, zoals in de aard van Kruijts bijdrage, misschien wel op zijn plaats geweest. Misschien hadden er ook meer Surinaamse auteurs van origine aan het woord mogen komen, want de Surinamistiek wordt, zo blijkt ook nu weer uit de bijdragen voor dit boek, nog altijd voornamelijk bedreven door geïnteresseerde Nederlandse outsiders.

Peter Meel en Hans Ramsoedh (red.) Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd, Pacificatie en verzet in koloniaal en postkoloniaal Suriname, Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2007, 375 blz. ISBN 978-90-351-3174-3

Aankooplink De Groene Waterman:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=499034&refsource=uitpers

Van onze correspondent, standplaats Paramaribo

De Surinaamse onafhankelijkheid verliep in de ex-Nederlandse kolonie niet van een leien dakje. In de jaren vóór 1975 verlieten heel veel Hindostaanse gezinnen, die bevreesd waren om geminoriseerd te worden in een overwegend Creoolse staat, het land en trokken naar Nederland. Een tweede migratiegolf greep plaats na de militaire coup in 1980 en dan vooral na de decembermoorden van 1982. Het resultaat van die volksbeweging is dat er bijna evenveel Surinamers aan beide kanten van de oceaan wonen.

De laatste jaren is er een omgekeerde beweging ingezet. Almaar meer Nederlanders van Surinaamse origine beginnen zich te vestigen in dat ‘lege’ landje met nog geen half miljoen inwoners. Eén ervan is de journaliste Nina Jurna die in 2000 de grote stap zette en die op vraag van KIT Publishers een boek schreef in de reeks “Van onze correspondent”. Op de cover van het boek prijkt de auteur tussen twee Saramaccaanse ouderen in traditionele kleding. Jurna behoort tot die niet geringe groep van rootszoekers van de tweede generatie migranten die, op zoek naar hun herkomst, switi Sranan hebben leren kennen en appreciëren. “Met de journalistiek als wapen kon ik het land ontdekken en gevarieerde reportages maken, hoopte ik. En bovendien ook mijn eigen roots gaan ontdekken, want dat was voor mij ook een belangrijk doel om naar Suriname te gaan.” (p. 9)

In “Standplaats Paramaribo” vertelt Jurna over haar- intussen – zeven jaar leven en werken in Suriname. Zoals ook haar voorganger, de journalist Iwan Brave, heeft zij zich, zowel voor de Nederlandse perswereld als voor het Surinaamse publiek, moeten bewijzen. In 2000 begint ze met veel plannen, weinig geld en een vage afspraak met RTL Nieuws aan de uitbouw van haar freelance bestaan in Paramaribo. De nieuwkomer gaat er hard tegenaan en wint geleidelijk aan het vertrouwen van haar Nederlandse opdrachtgevers. In 2002 raakt Nina Jurna bekend in heel het perswereldje omdat zij in Suriname enkele foto’s op de kop kon tikken waar Philomena Bijlhout opstond in een militair plunje van de volksmilities tijdens de militaire periode in de jaren tachtig. Op dat ogenblik was Bijlhout net tot Nederlandse staatssecretaris voor emancipatie en gezinszaken benoemd. Aan premier Balkenende had zij verzekerd dat zij na de decembermoorden niets meer met het Bouterse-kamp te maken had, maar door het opduiken van de door Jurna gevonden foto’s moest de LPF-politica van Surinaamse origine dadelijk aftreden. Door deze scoop, die Jurna uitvoerig beschrijft, heeft zij zich een reputatie verworven. Zij is nu vaste correspondent voor het RTL Nieuw en de GPD. Daarnaast regisseert ze documentaires en is ze als producer en researcher betrokken bij verschillende programma’s voor de Publieke Omroep. Naast Suriname maakt zij ook reportages over de Nederlandse Antillen en de buurlanden Venezuela en Brazilië.

Haar standplaats blijft echter Paramaribo en dat benadrukt ze heel erg in haar boek. Paramaribo is ook haar stad geworden, waar ze haar levenspartner én cameraman met wie ze intussen twee kinderen heeft, leerde kennen. Is zij nu, Nederlandse van geboorte, Surinamer geworden onder de Surinamers? Zij noemt zich eerder een ‘tussenfiguur’ en dat biedt zo zijn voordelen: “Ik merkte dat ik als correspondent eigenlijk tussen twee landen in stond en nu ik weer in Nederland was, dat ik veel beter kende als Suriname, zag ik ook weer dingen die Suriname zo bijzonder maken.” (p. 184) Die bevoorrechte positie stelt haar in de gelegenheid om reportages te maken over onder meer Desi Bouterse, die zij opzoekt op zijn verblijf in het binnenland, maar ook en vooral over les petites choses de la vie die zij in Paramaribo maar ook in het verre binnenland te zien krijgt.

Jurna schrijft met warmte over Suriname en haar bewoners waartoe zij na al die jaren zelf is gaan behoren. In die zin leest het boek ook als de beschrijving van een geslaagd persoonlijk inburgeringsproces. Daarnaast is “Standplaats Paramaribo” ook een vlot geschreven introductie – bij momenten krijgt het de allure van een reisgids – in het reilen en zeilen van die kleine, maar toch zo complexe Surinaamse samenleving. Ondanks heel wat kritiek op dingen die volgens Jurna mislopen in het land blijft zij toch optimistisch. “Ik merk dat er een nieuwe generatie aankomt die kritischer durft te zijn, wel vragen stelt, en zich niet laat afschrikken door wat de oudere generatie als ‘vrijpostig’ ziet. In dat nieuwe Suriname, dat ik wel zeker voor ogen heb, hoop ik mijn kinderen te zien opgroeien.” (p. 203)

Ook nog om een andere reden is “Standplaats Suriname” een optimistisch boek. Nina Jurna is een goed voorbeeld van een geslaagde integratie. Dat is niet altijd vanzelfsprekend. Heel wat Surinaams-Nederlandse nieuwkomers (remigranten) verlaten na een tijdje teleurgesteld het land. Hooggestemde verwachtingen werden niet ingelost. Aan wie ligt dat? Volgens Jurna voor een flink stuk aan de nieuwkomer zelf: “Het Surinamerschap, heb ik gemerkt, moet je bevechten door respect te hebben voor het land en de mensen, niet alleen maar overal over te klagen of kritiek te hebben, en te laten zien dat je echt voor Suriname hebt gekozen. Het feit dat ik hier woon, hier kinderen heb gekregen en hier mijn bedrijf heb opgezet, geeft me blijkbaar krediet, want ik voel me gewaardeerd en welkom hier.” (p. 187)

Nina Jurna, Van onze correspondent standplaats Paramaribo, KIT Publishers Amsterdam,2007,205 blz. ISBN 978-90-683-573-7, prijs: 17,50 euro

Aankooplink De Groene Waterman:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=432474&refsource=uitpers

Waarover we niet moeten praten

In deze literaire verhalenbundel komen twintig vrouwen aan het woord van Antilliaanse of Surinaamse afkomst. Het titelverhaal is van de in Nederland wonende Surinaamse Henna Goudzand-Nahar die in 2005 bij de Geus debuteerde met de roman Hele dagen in de regen. Het hoofdpersonage uit dit verhaal, een zwarte ober in Nederland, schrijft met veel moeite aan zijn moeder ergens in een ver land: “Ik zal niet tegen u liegen zoals sommigen die de oversteek hebben gemaakt dat doen tegenover hun familie. Wat er wordt verteld, klopt. Ik studeer niet en het ziet er ook niet naar uit dat ik dat op korte termijn zal kunnen doen. Ik mag al blij zijn dat ik uiteindelijk toch een verblijfsvergunning heb gekregen en dat ik nu zelf mijn boterham verdien als ober van een café waarvan de eigenaar mij zo vertrouwt dat ik er meestal alleen voor sta”. (p. 146) Een cafébezoekster die voor de zoveelste keer haar rijbewijs niet heeft gehaald zegt tegen hem: Il y a toujours quelque chose qui ne va pas. Met die zin eindigt hij uiteindelijk ook de brief aan zijn moeder. ‘Waarover we niet moeten praten’ dus. Over mislukkingen praat men beter niet, want in het land van herkomst blijft men misschien liever met de illusie leven dat de vertrekkers het zoveel beter hebben.

Die ongeschreven code doorbreekt de ober in het verhaal van Henna Goudzand en dat doen ook de andere vrouwen in deze bundel. Inleider Denise Jannah, de bekende Surinaamse jazzzangeres, zegt daarover in haar inleiding: “Daarbij zullen wij vaak een masker opzetten, doen alsof, of een andere façade optrekken waarachter we ons veiliger menen te voelen. Er is zoveel dat wij naar buiten zouden willen laten stromen, maar vaak uit onzekerheid, angst, blokkades of wat dies meer zij achter ‘veilige’ deuren in onze geest weggeborgen houden, zelfs ondanks de dreiging van emotionele verstikking.”

Dat zeer boeiende universele thema wordt op een eigen manier door al de vrouwelijke auteurs van deze bundel ontwikkeld. Het is zeker de verdienste van de (naamloze) samenstellers van deze bundel dat de lezer enig zicht krijgt op wat er op dit ogenblik leeft in het kleine Nederlandstalige wereldje van vrouwen die zich in Suriname en de Nederlandse Antillen bezig houden met literatuur. Zoals dat vaak gaat met verzamelbundels zijn niet alle verhalen van dezelfde kwaliteit: er zijn bijdragen bij met een zeer eigen geluid, maar ook verhalen die literair toch wel wat licht uitvallen. In mijn leeservaring zijn vooral de namen van de auteurs van Surinaamse origine, Tessa Leuwsha, Henna Goudzand-Nahar, Ruth San A Jong, Annel de Noré en Annette de Vries, blijven hangen. Allicht is dat niet toevallig want het gaat om auteurs die al met eerder werk bewezen hebben over een eigen literaire zegging te beschikken.

Vrouwen aan het woord, Waarover we niet moeten praten, Nieuwe Surinaamse en Antilliaanse verhalen, In de Knipscheer, Haarlem, 2007, 215 blz. ISBN 978-90-6265-585-4

Aankooplink De Groene Waterman:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=203954&refsource=uitpers

(Uitpers, nr 90, 9de jg., oktober 2007)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).