Sri Lanka: een militaire overwinning, maar geen vrede

In Sri Lanka woedt sinds 1983 een burgeroorlog tussen het Sri Lankaanse leger en de Tamil Tijgers (LTTE) die strijden voor een eigen staat in het noorden van Sri Lanka. Na een periode van relatieve rust barstte het conflict in 2006 opnieuw in alle hevigheid los.(1)

Sinds de heropflakkering van het geweld boekte het Sri Lankaanse leger overwinning na overwinning op de Tamilrebellen. In 2007 reeds verloor het LTTE de controle over de gebieden in het oosten van Sri Lanka, in de loop van 2008 werd de luchtmacht en de marine van de LTTE uitgeschakeld en begin 2009 boekte het Sri Lankaanse leger twee overwinningen waarvan de symbolische waarde moeilijk overschat kan worden. Op 2 januari werd het LTTE verdreven uit Kilinochchi, de hoofdstad van de de facto staat die het LTTE in het noorden van Sri Lanka had weten uit te bouwen. Op 9 januari moest de ‘Elephant Pass’de strategisch enorm belangrijke toegang tot het schiereiland Jaffna – uit handen gegeven worden. Op dit moment is het LTTE teruggedrongen tot een stukje jungle van driehonderd vierkante kilometer, omsingeld door meer dan 50.000 militairen van het Sri Lankaanse leger.

“Sri Lanka is het enige land ter wereld dat op regelmatige basis zijn eigen burgers bombardeert”, (Lasantha Wickrematunga)(2)

Het hele conflict heeft ondertussen het leven gekost aan meer dan 70.000 mensen, veelal onschuldige burgerslachtoffers. Met de regels van het internationaal humanitair recht wordt amper rekening gehouden, tenzij wanneer de tegenstander van inbreuken beschuldigd kan worden.(3) Meer dan 250.000 burgers zouden momenteel vastzitten in het oorlogsgebied. Volgens de Verenigde Naties werden zij door de Tamil Tijgers gedwongen hen te volgen bij de terugtrekking uit Kilinochchi om dienst te doen als menselijk schild. Het staat vast dat het LTTE niet aarzelt om het vuur te openen op burgers die toch trachten uit het oorlogsgebied te ontsnappen. Het LTTE rekruteert tevens opnieuw kindsoldaten, maar ook de Sri Lankaanse autoriteiten gaan niet vrijuit. Sinds maart 2008 worden alle Tamilburgers – mannen, vrouwen én kinderen – die er toch in slagen het oorlogsgebied te verlaten, door de Sri Lankaanse autoriteiten opgepakt en in vaak erbarmelijke omstandigheden vastgehouden in zogenaamde ‘welzijnscentra’, gesloten instellingen gerund door het Sri Lankaanse leger. Een praktijk die een duidelijke inbreuk is op het internationaal humanitair recht en tegen de basisprincipes inzake hulpverlening aan burgers op de vlucht voor oorlogsgeweld. Tegelijkertijd gaat het Sri Lankaanse leger onverminderd door met luchtbombardementen en artillerieaanvallen, zonder dat de burgerbevolking daarbij ook maar enigszins ontzien wordt. Op 2 februari 2009 verklaarde de regering dat dat een beslissende fase is in het conflict en dat het niet verantwoordelijk geacht kan worden voor de veiligheid van de burgerbevolking in het oorlogsgebied.(4)

“Ik ben uitermate bezorgd over het lot van de tienduizenden mensen die gevangen zitten tussen de gevechten in Sri Lanka” (secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, 10 februari 2009, New York)

De humanitaire situatie in het oorlogsgebied is ronduit dramatisch. Hulpkonvooien met voedsel en medicijnen raken amper tot bij de getroffen bevolking, net zomin als de hulporganisaties zelf. In september 2008 verklaarden de Sri Lankaanse autoriteiten dat ‘medewerkers van NGO’s en VN-organisaties in het gebied niet langer beschouwd zouden worden als hulpverleners’. De brutale moord op zeventien medewerkers van Action Contre la Faim indachtig (augustus 2006), was dat een voldoende sterk signaal voor de hulporganisaties om hun programma’s terug te schroeven en hun medewerkers uit het gebied weg te halen. Ook de media krijgen geen toegang tot het oorlogsgebied, waardoor het moeilijk is om een volledig beeld van de situatie te krijgen. De informatie waarover wel beschikt wordt, spreekt voor zich. In de periode tussen 15 december 2008 en 15 januari 2009 alleen al zouden er elf luchtaanvallen uitgevoerd zijn in de onmiddellijke nabijheid van ziekenhuizen. Begin februari werd het laatste nog operationele hospitaal in het gebied dagenlang onder vuur genomen, waardoor ook hier de activiteiten stopgezet werden. Bij die aanval zou ook clustermunitie gebruikt zijn. Toen het Internationaal Comité van het Rode Kruis de Sri Lankaanse autoriteiten eraan herinnerde dat ziekenhuizen en medische faciliteiten per definitie beschermd worden onder het internationaal humanitair recht, kreeg het als reactie dat het moest stoppen paniek te zaaien. Oproepen van Ban Ki-moon, Hillary Clinton, David Milliband of zelfs de paus om een tijdelijk staakt-het-vuren te respecteren, waardoor de getroffen bevolking het gebied zou kunnen verlaten, worden met evenveel gemak van de tafel geveegd.

“Het is niet alleen een strijd voor territorium, het is ook een strijd voor de harten en de geesten van de bevolking. Het LTTE en haar leiderschap neutraliseren … dat volstaat niet.” (Rohan Gunaratna(5), ‘The Christian Science Monitor’, 27 januari, 2009)

De nederlaag van het LTTE, in de conventioneel militaire zin van het woord, lijkt een kwestie van tijd te zijn, maar de meeste waarnemers zijn het erover eens dat het onverstandig is om van een definitieve overwinning te spreken en achten het weinig waarschijnlijk dat het geweld op Sri Lanka hiermee ten einde zal komen.

In de eerste plaats blijft het LTTE een factor waarmee rekening gehouden dient te worden. De tijd dat het LTTE in staat was tot conventionele oorlogsvoering met het Sri Lankaanse leger(6) behoort allicht voorgoed tot het verleden, maar naar alle waarschijnlijkheid zal de organisatie nu terugvallen op een niet-conventionele manier van opereren, die zo typisch is voor rebellenbewegingen: zelfmoordaanslagen, hit-and-runacties en het vermoorden van high-profiledoelwitten. Bovendien neemt de militaire overwinning van het Sri Lankaanse leger niet weg dat de situatie waartegen de Tamils in opstand gekomen zijn nog steeds grotendeels intact is gebleven.

De Tamilminderheid voelt zich sinds de onafhankelijkheid gemarginaliseerd en gediscrimineerd door de opeenvolgende regeringen, die gedomineerd werden door een Singalese meerderheid. Zolang die discriminatie inzake onderwijs, taal en administratie niet weggewerkt wordt, zolang de Tamilminderheid geen enkel perspectief geboden wordt op een zekere vorm van bestuurlijke decentralisatie en autonomie, zolang het noorden en het oosten van Sri Lanka militair bezet blijft door een leger dat gedomineerd wordt door etnische Singalezen, zolang zullen ook de onvrede en de frustratie binnen de Tamilgemeenschap onverminderd blijven voortbestaan en zullen er ook steeds nieuwe Tamils bereid zijn om voor hun zaak de wapens op te nemen. Om na de oorlog ook de vrede te winnen, zal de regering in Colombo dus de hand moeten reiken naar de gematigde elementen binnen de Tamilgemeenschap. Alleen via een constructief politiek engagement, waarbij belangrijke en vaak ook symbolische toegevingen onvermijdelijk zullen zijn, kan Colombo zichzelf op een geloofwaardige manier profileren als de legitieme vertegenwoordiger van alle Sri Lankanen.

De uitdaging is enorm groot en een positief resultaat is twijfelachtig, vooral omdat de overheid geen enkel onderscheid lijkt te maken tussen de gewone Tamils en het LTTE, en dus alle Tamils als vijanden en potentiële terroristen lijkt te beschouwen. Tamils in Colombo worden al langer nauwlettend in het oog gehouden en er werden in het verleden pogingen ondernomen om een aantal van hen uit de hoofdstad te deporteren. Nu heeft de overheid ook de intentie kenbaar gemaakt om de Tamilbevolking uit de gebieden die tot voor kort gecontroleerd werden door het LTTE te isoleren in ‘welzijnsdorpen’, en dat zeker voor een periode van drie jaar. Na hevig protest van onder andere het VN-Vluchtelingen Commissariaat werd dat teruggebracht tot een periode van 12 maanden, maar het initiatief op zich getuigt nog maar eens van de manier waarop het regime in Colombo omgaat met de Tamilminderheid. De recent vermoorde journalist Lasantha Wickramatunga waarschuwde voor de gevolgen van een dergelijke houding tegenover de Tamilbevolking: “De wonden van de oorlog zullen hen voor altijd tekenen en men zal ook met een nog meer haatdragende en bittere diaspora te maken krijgen.(7)

In puur economische termen betaalt Sri Lanka een hoge prijs voor een militaire overwinning. Colombo heeft niet alleen af te rekenen met de gevolgen van de internationale economische crisis, maar ook met de door het conflict veroorzaakte dalende inkomsten in de toeristische sector. Daar komt nog een jaarlijkse inflatie van om en bij de 20% bovenop. Desondanks blijven de defensie-uitgaven steeds verder toenemen, grotendeels gefinancierd met geleend geld. In 2008 werd 20% van het totale budget (1,6 miljard US dollar) gespendeerd aan defensie-uitgaven en er wordt verwacht dat dat in 2009 nog verder opgetrokken zal worden tot 2 miljard dollar. Waarnemers verwachten dat de Sri Lankaanse economie in 2009 met het bankroet zal flirten. Nu reeds staat vast dat de budgettaire ruimte voor de financiering van noodzakelijke civiele projecten minimaal zal zijn, waardoor sociale spanningen in de samenleving zullen toenemen, niet alleen tussen Tamils en Singalezen, maar ook tussen Singalezen onderling.

Vijfentwintig jaar burgeroorlog heeft bovendien diepe wonden geslagen in het Sri Lankaanse politieke bestel. De hoogste prijs betaalt Sri Lanka allicht op socio-politiek vlak. Het democratische karakter is zwaar aangetast met een uitholling van de rechtsstaat, de persvrijheid en de fundamentele mensenrechten. Het regime van huidig president Mahinda Rajapaksa trekt niet alleen met harde hand ten strijde tegen de rebellen van het LTTE, maar ook tegen elke vorm van kritiek of dissidentie, zelfs binnen de eigen Singalese achterban in het zuiden van Sri Lanka.

“Als journalisten koolmijnkanaries zijn, dan is Sri Lanka een plaats waar de kanaries eerst gewurgd worden.” (Jeevan Vasagar, The Guardian, 1 februari 2009)

Vooral de media worden meedogenloos aangepakt. Journalisten die kritische vragen durven te stellen, worden in officiële regeringsverklaringen gelijkgesteld met verraders en terroristen. Een recent rapport van Amnesty International spreekt van veertien journalisten die sinds begin 2006 vermoord werden. Vele anderen zijn gevangengenomen, gefolterd, bedreigd of verdwenen.(9) De overheid erkent dat sinds 2006 negen journalisten vermoord werden en dat 27 andere ontvoerd of aangevallen werden. Geen enkele van die incidenten werd tot op heden opgelost. Pogingen van de overheid om de media te controleren, beperken zich niet tot lokale media. Ook buitenlandse media worden geviseerd. Buitenlandse journalisten en waarnemers krijgen amper toegang tot het oorlogsgebied en de minister van Defensie Gotabhaya Rajapaksa dreigde er onlangs mee buitenlandse media en diplomaten het land uit te zetten vanwege hun te positieve houding tegenover het LTTE. Op 9 februari besliste de BBC zijn uitzendingen op het Sri Lankaanse FM-radionetwerk op te schorten omdat zijn programma’s frequent verstoord werden.

Op 8 januari werd de hoofdredacteur van de krant ‘The Sunday Leader’, Lasantha Wickramatunga vermoord. Hij was een van de weinige journalisten in Sri Lanka die nog kritische bedenkingen durfde te maken inzake de politiek van president Mahinda Rajapaksa. Wickramatunga werd neergeschoten door gemaskerde mannen op motorfietsen die nadien probleemloos konden wegkomen, niettegenstaande het feit dat de moord plaatsvond op minder dan 500 meter van een streng beveiligde militaire basis en temidden verscheidene wegblokkades. Over de moord op Wickramatunga werd, in tegenstelling tot eerdere gelijkaardige incidenten, wel uitvoerig bericht in de internationale media. Niet zozeer omdat hij een lid was van de Singalese elite en een persoonlijk kennis was van president Rajapaksa, maar wel omdat hij in een postuum gepubliceerd opiniestuk, dat hij kort voordien had geschreven, zijn eigen dood had aangekondigd. Hierin legde hij in niet mis te verstane bewoordingen de verantwoordelijkheid voor zijn dood bij de overheid: “De systematische aanvallen tegen journalisten, advocaten en mensenrechtenactivisten hebben geleid tot een klimaat van terreur en angst, waarin niemand nog kritiek op de regering durft te geven en zelfcensuur toegepast wordt in de meest strikte vorm.” De Tamilgemeenschap is al langer vertrouwd met een dergelijke situatie – het LTTE hanteerde immers dezelfde methode om elke vorm van dissidentie hardhandig in de kiem te smoren – en nu wordt ook de Singalese gemeenschap in de rest van Sri Lanka ermee geconfronteerd. Sommige waarnemers hopen dat die politiek versoepeld zal worden eens het LTTE definitief verslagen is. Anderen vrezen dan weer dat de eigenlijke agenda van deze regering bestaat uit het creëren van een ‘superieure Boeddhistisch-Singalese junta à la Birma’ in Sri Lanka(9) en dat enkel zware diplomatieke druk van de internationale gemeenschap de regering in Colombo op andere gedachten zal kunnen brengen. En zelfs dan is succes niet verzekerd. Tot op heden kon ‘druk’ vanuit het Westen grotendeels genegeerd worden door Colombo, zelfverzekerd als het is vanwege onder andere de uitstekende handelsrelaties met China.

Maar nu lijken er zich toch een aantal mogelijkheden te ontwikkelen. Sinds de ramp met de Tsunami genieten Sri Lankaanse uitvoerders voorkeurstarieven in hun handel met de EU, tot nader order de belangrijkste handelspartner van Sri Lanka. De overeenkomst is afhankelijk van een aantal condities, waaronder het respecteren van de mensenrechten. Wanneer blijkt dat Sri Lanka die condities onvoldoende respecteert, kan de EU beslissen de overeenkomst op te schorten. Een dergelijke stap zou uiteraard enorm negatieve consequenties hebben op de nu reeds precaire economische situatie in Sri Lanka. Hiermee krijgt de EU in theorie meer armslag in haar pogingen om de overheid van Sri Lanka te overtuigen de mensenrechten meer te respecteren. Daarnaast wordt ook meer en meer opgeroepen tot gerichte sancties tegen hoge functionarissen van het Sri Lankaanse regime, in het bijzonder tegen Gotabhaya Rajapaksa, de minister van Defensie – door velen aangeduid als het brein achter het huidige klimaat van terreur en angst – en Sarath Fonseka, de stafchef van het leger. Een heel concrete mogelijkheid wordt geboden doordat Gotabhaya Rajapaksa niet alleen de Sri Lankaanse nationaliteit heeft maar ook Amerikaans staatsburger is en doordat ook Sarath Fonseca in het bezit is van een green card. In principe kunnen beiden dus in de VS vervolgd en bestraft worden op basis van de ‘Genocide Accountability Act’. Begin februari 2009 stuurde Bruce Fein, een juridisch raadgever voor een pro-Tamilorganisatie, een lijvig dossier met bewijsmateriaal tegen beide personen door naar de nieuwe Amerikaanse minister van Justitie, Eric H. Holder, met de vraag om de zaak te onderzoeken. (10) Uiteindelijk zal moeten blijken of het bewijsmateriaal voldoende sterk is om verdere stappen te ondernemen. Wordt ongetwijfeld vervolgd …

(Uitpers, nr. 108, 10de jg., april 2009)

Tim Bogaert is medewerker Dienst Geweldpreventie Pax Christi Vlaanderen

Voetnoten:

(1) Tim Bogaert, Sri Lanka – Kroniek van een aangekondigde oorlog. Uitpers, nr. 89, 9de jg., september 2007.

(2) Fragment uit “And then they came for me”, het postuum gepubliceerd opiniestuk van Lasantha Wickrematunga, de op 9 januari 2009 vermoorde hoofdredacteur van de krant de “The Sunday Leader”. Voor de volledige versie: http://www.thesundayleader.lk/20090111/editorial-.htm

(3) Twee rapporten van Human Rights Watch uit December 2008 zijn onmisbare literatuur voor wie een beter zicht wil krijgen op de manier waarop beide partijen omgaan met de eigen burgerbevolking. ‘Besieged, Displaced, and Detained. The Plight of Civilians in Sri Lanka’s Vanni Region’ en ‘Trapped and mistreated. LTTE abuses against civilians in the Vanni’. Het meest recente rapport is ‘War on the Displaced-Sri Lankan Army and LTTE Abuses against Civilians in the Vanni’. Al deze rapporten kunnen elektronisch geraadpleegd worden via www.hrw.org

(4) Ishaan Tharoor, How Sri Lanka Tamed its Tigers. Time, 3 februari 2009; www.time.com

(5) Ronan Gunaratna, is directeur van het International Center for Political Violence and Terrorism Research in Singapore.

(6) Tot voor kort werd het LTTE beschouwd als een van de best georganiseerde en meest meedogenloze rebellenbewegingen ter wereld. Dit is de organisatie die het techniek van de zelfmoordaanslagen indien niet uitgevonden dan wel geperfectioneerd heeft, onder andere door gebruik te maken van vrouwelijke zelfmoordterroristen en de gordel met explosieven.Het LTTE beschikte niet alleen over een geüniformiseerd leger, maar kon als enige rebellenorganisatie ter wereld ook rekenen op een eigen marine (zelfs met enkele onderzeeërs) en een eigen luchtmacht.

(7) Fragment uit “And then they came for me”, het postuum gepubliceerd opiniestuk van Lasantha Wickrematunga, de op 9 januari 2009 vermoorde hoofdredacteur van de krant de “The Sunday Leader”. Voor de volledige versie: http://www.thesundayleader.lk/20090111/editorial-.htm

  1. (8) Amnesty International, Sri Lanka: Media must be allowed to work freely and safely, 23 January 2009

(9) The Cost of War and the Price of Victory in Sri Lanka. www.telegraph.co.uk, 16 February 2009.

(10) Bruce Fein, Genocide in Sri Lanka. The Boston Globe, op ed, 15 february 2009, http://www.boston.com/bostonglobe/editorial_opinion/oped/articles/2009/02/15/genocide_in_sri_lanka

(Visited 10 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 98 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook