Speelt de economische crisis de Europese Unie uit elkaar?

Toen de Euro onlangs tien jaar werd was het feest. De Euro had zich ontpopt tot een baken van stabiliteit in de Europese Unie. De champagnekurken knalden. Maar nu zet de economische crisis de samenhang van de zone onder druk.

Tot voor enkele maanden leken de optimisten gelijk te krijgen. De euro zorgde in de eurozone voor stabiliteit en de lidstaten groeiden economisch naar elkaar toe. De werkloosheid in landen met extreem hoge werkloosheidscijfers zoals Spanje evolueerde naar het Europees gemiddelde. Het verpauperde Ierland ontpopte zich tot een Keltische tijger. Griekenland kon uitpakken met de Olympische spelen.

De neoliberale theoretici leken gelijk te krijgen. Landen die verlies van concurrentievermogen niet meer konden opvangen door een devaluatie moesten snoeien in de arbeidskosten en hun ‘comparatieve voordelen’ uitspelen. Zo ontstond in de gemeenschappelijke markt een positieve ontwikkelingspiraal waar iedereen beter van werd.

Ook Europese lidstaten buiten de eurozone profiteerden mee. Zo groeiden in de nieuwe lidstaten de lonen sneller dan het Europees gemiddelde. Neem Polen, veruit de grootste van de nieuwe lidstaten: sinds Polen toetrad tot de EU is de werkloosheid er gehalveerd en zijn de gemiddelde maandlonen er gestegen met 39 procent (weliswaar vergeleken met de periode na de val van de muur toen de Poolse economie was ingestort). Het leek de goede kant uit te gaan.

Zelfs Groot Brittannië, in de jaren ’70 een economisch zorgenkind en nu een neoliberaal buitenbeentje, floreerde.

De economische crisis heeft dit beeld op enkele maanden tijd echter drastisch bijgesteld. Heel wat succesverhalen blijken speculatieve zeepbellen. De grootste winnaars worden nu de grootste verliezers. De eenheid is zoek en de Europese Unie blijkt niet over de instrumenten te beschikken om een gemeenschappelijke aanpak te ontwikkelen.

Zeepbellen

Ramptijdingen vervangen nu voormalige succesverhalen.

Griekenland komt tegenwoordig vooral in het nieuws met opeenvolgende golven van sociaal protest. Het heeft een overheidsschuld van 90 procent van het BBP. Veel marge heeft de overheid dus niet om de economie te stimuleren of noodlijdende banken te steunen. Griekenland heeft bovendien het grootste tekort op de lopende rekening van alle lidstaten, wat de Griekse kredietwaardigheid verder aantast (de lopende rekening bevat de import en de export van alle goederen en diensten, en vertoont in Griekenland een tekort van 14 procent van het BBP). Het land heeft de bevolking niet veel meer te bieden dan sociale afbraak.

Ook Spanje kent ernstige problemen. Het betaalt de rekening voor het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel die jarenlang de economische groei gedragen heeft. Een half miljoen mensen verloor in het vierde kwartaal van 2008 hun baan, en de werkloosheid bereikte het hoogste peil in acht jaar. Zij bedraagt nu officieel 13,9 procent. De regering verwacht in 2009 een stijging tot 16 procent, terwijl de Europese Commissie in 2010 een werkloosheidsgraad van 18,7 procent verwacht. De regering besliste een stimulusprogramma van 8 miljard euro. Wel is de Spaanse financiële sector er minder erg aan toe dan in sommige andere Europese landen, en de regering heeft ook meer budgettaire speelruimte dan enkele van haar collega’s zodat zij het verwachte begrotingstekort van 6,2 procent van het BBP in 2009 tot nader order nog kan dragen.

Dan is het andere koek in Ierland, dat met een vastgoedcrisis én met een bankencrisis kampt. Het Ierse ontwikkelingsmodel steunend op sociale en fiscale dumping werd door de wereldwijde recessie onderuit gehaald. De uitstaande financiële verplichtingen van de Ierse banken zijn groter dan het Ierse BBP, zodat het voor de Ierse overheid zwaar slikken is om alle financiële branden te blijven blussen terwijl de economische krimp weegt op de fiscale inkomsten. De Ierse regering heeft al zoveel maatregelen moeten nemen dat dit jaar een begrotingstekort wordt verwacht van 13 procent van het BBP, een Europees record.

Verder is er Italië dat al jaren kreunt onder de sterke euro en nu geen betekenisvolle maatregelen kan nemen omdat de overheidsschuld al zeer groot is.

Al deze landen maken deel uit van de eurozone. Zij kunnen zich dus niet “uit de crisis devalueren”. Hun moeilijke situatie vertaalt zich in een verlies aan kredietwaardigheid op de internationale markten: zij betalen een hogere rente op ontleende kapitalen, wat hun financiële positie nogmaals verslechtert.

Groot Brittannië

Ook Groot Brittannië zit in moeilijke papieren, maar het maakt geen deel uit van de eurozone, zodat de nationale munt wel een rol van schokdemper zou kunnen spelen. Het Britse pond is sinds het uitbreken van de crisis inderdaad al een vierde van zijn waarde verloren, wat de industriële export ten goede moet komen. Maar wat betekent dat in het geval van Groot Brittannië? Sinds 1970 is het aandeel van de industrie in de economie gedaald van een derde tot een tiende.

De structurele economische problemen konden in het Verenigd Koninkrijk enkele decennia genegeerd worden dankzij olie uit de Noordzee en speculatieve zeepbellen in het vastgoed en de financiële sector. Maar nu is de val dubbel zo diep.

Volgens velen zal het Verenigd Koninkrijk van alle landen de zwaarste recessie kennen. Zoals Ierland wordt het geconfronteerd met een vastgoedcrisis én een crisis van de financiële sector. De huizenprijzen zakten op een jaar tijd met 15,9 procent. Volgens de regering zal het huidig aantal van 1,8 miljoen werklozen tegen 2010 aangroeien tot 3 miljoen, de scherpste stijging van alle geïndustrialiseerde landen.

De Britse Centrale Bank heeft haar interestvoeten verminderd tot 1,5 procent, het laagste peil ooit sinds de bank werd opgericht in 1694. Sinds het uitbreken van de financiële crisis in de herfst daalde de interestvoet al met 3,5 procent! De marge voor het monetair beleid is wel erg klein geworden.

Ook de begroting stuit op haar limieten. In 2009 wordt een begrotingstekort van 9,6 procent van het BBP verwacht.

De Britse premier Gordon Brown probeert wanhopig de financiële sector te redden. De City in Londen vormt bijna een derde van de Britse economie. In oktober werd 37 miljard pond in drie grote banken gepompt, in november kreeg de banksector nog eens 20 miljard, en in januari werd zomaar eventjes 100 miljard pond geëngageerd. Dat moest wel nadat Royal Bank of Scotland met 28 miljard pond het grootste verlies ooit van een Britse onderneming bekend maakte. Het nieuwe plan versterkt de kapitaalsbasis van de banken met waarborgen in plaats van via de aankoop van bevoorrechte aandelen. Banken in moeilijkheden kunnen een portefeuille aan rommeleffecten laten verzekeren door de regering: de eerste 10 procent verlies op deze portefeuille is dan voor de bank, het leeuwenaandeel van de volgende 90 procent voor de overheid (een alternatief plan was de oprichting door de overheid van een ‘bad bank’ die rommeleffecten overneemt).

De Britse regering voerde haar aandeel in Royal Bank of Scotland (RBS) op van 58 tot 68 procent, maar wil nog steeds niet tot nationalisatie overgaan. Zoals in de VS doet Brown alles om nationalisaties te vermijden, want een nationalisatie betekent dat de aandeelhouders definitief hun kapitaal kwijt zijn, en niet kunnen rekenen op herwaardering van hun kapitaal eenmaal de economie terug aantrekt. De kredietgaranties betekenen echter enorme risico’s van de openbare financiën, die opgeteld in het Britse geval nu al in de honderden miljarden ponden lopen. De Britse overheid zou sinds het uitbreken van de crisis in totaal al 350 miljard pond uitgegeven of geëngageerd hebben. De Britse staat is wel sterk, en ging de crisis in met sterke overheidsfinanciën, maar toch…

Nieuwe lidstaten

Ook in de nieuwe lidstaten lijkt het al kommer en kwel. Eind november 2008 kondigde de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling al aan dat de economische groei in Centraal- en Oost-Europa zou dalen van 7,5 procent in 2007 tot 6,3 procent in 2008 en 3 procent in 2009. De eerste relletjes zijn er een feit, nu de bevolking in haar hoog gespannen verwachtingen werd teleur gesteld.

Lidstaten van de EU zoals Litouwen (met een vastgoedkrach) en Hongarije (met veel schulden in Zwitserse Franken) moesten al in de herfst beroep doen op hulp van het Internationaal Munt Fonds, net zoals de Oekraïne die geen lid is van de EU. Ook de Europese Centrale Bank schoot Hongarije ter hulp met een kredietlijn van 5 miljard euro.

Vele landen in de regio combineren tekorten op hun lopende rekening met een grote schuld in buitenlandse deviezen. Het tekort op de lopende rekening zou in de regio opgelopen zijn van gemiddeld 2 procent van het BBP in 2000 tot 9 procent in 2008. Dat is niet erg, zolang er een grote instroom is van buitenlands kapitaal in de vorm van leningen, die het tekort op de lopende rekening compenseren. Wanneer de instroom van kapitalen echter opdroogt, zoals nu het geval is, valt het gat in de lopende rekening niet meer te dichten, daalt de waarde van de nationale munt, en wordt de schuld in buitenlandse deviezen onbetaalbaar.

In landen zoals Hongarije hebben ook gewone burgers zich in de schulden in buitenlandse deviezen gestoken. De totale schuld in buitenlandse deviezen van de landen in Oost- en Centraal-Europa werd in oktober 2008 geschat op 1,6 duizend miljard dollar, het grootste deel in de vorm van consumentenkrediet.

Vandaar dat er in de landen die lid zijn van de Europese Unie in de regio meer dan ooit gesproken wordt over toetreding tot de euro, maar tegelijk maken zij minder dan ooit kans te voldoen aan de toetredingsnormen.

De financiële sector is er veelal in buitenlandse handen (bijvoorbeeld van het Belgische KBC). Die buitenlandse financiële groepen hebben nu echter andere katten te geselen, en staan niet te springen om met leningen onze oostenburen uit de nood te helpen (Oostenrijkse banken hebben in Centraal- en Oost-Europa kredieten uitstaan voor een waarde gelijk aan 40 procent van het Oostenrijkse BBP).

Tsjechië en Slowakije zijn bovendien erg afhankelijk van de auto-industrie. De problemen in die sector zijn gekend. Slowakije wordt dikwijls het Detroit van Europa genoemd, vandaag niet bepaald een compliment. De automobielindustrie staat er voor één vierde van het BBP. In Tsjechië vormt de auto-industrie één vijfde van de economie. Wel hebben beide laatste landen minder last dan andere van de financiële turbulentie: Slowakije werd op 1 januari van dit jaar lid van de eurozone, terwijl Tsjechië een in verhouding gezonde bankensector heeft.

Duitsland

Ook in Duitsland werd de crisis uiteindelijk gevoeld, zij het later dan elders.

Aanvankelijk stond de Duitse bondskanselier Merkel weigerachtig tegenover relancemaatregelen. De Duitse economie leek goed weerstand te bieden aan de internationale recessie, en dus was het beter de broeksriem aan te halen om met een sterke concurrentiepositie de volgende economische groeigolf in te gaan. Europese landen die in een moeilijk economisch parket zaten moesten zelf maar opdraaien voor hun herstel. Wereldwijd (de VS, China, …) waren al plannen bekend gemaakt die neerkwamen op relanceplannen ter waarde van 3 procent van het wereld BBP in 2009 en 2 procent in 2010. Het exportgerichte Duitsland wilde meedrijven op deze relancegolf zonder in de eigen geldbuidel te tasten.

Door de rem op de uitgaven te houden kon Merkel de komende verkiezingen ingaan met het winnend thema van nieuwe belastingverlagingen, op hun beurt een hefboom voor verdere bezuinigingen op sociale utgaven en openbare diensten. Dat was het plan.

Maar de internationale recessie strooide uiteindelijk roet in het eten. Als China geen goederen meer kan exporteren naar de VS koopt China geen machines meer in Duitsland… Eind 2008 zakte de export van Duitsland in elkaar, en de economische conjunctuur sloeg brutaal om. In 2009 wordt nu een economische krimp verwacht van 2,25 procent, dat is de slechtste prestatie sinds WO II. Het vorige naoorlogs krimprecord bedroeg 0,9 procent. De somberste voorspellingen spreken nu van een economische krimp van 4 procent in 2009 en 6 miljoen werklozen, een quasi verdubbeling (vorig record: 5 miljoen).

Dus werd een relanceplan bekend gemaakt van 50 miljard euro over twee jaar, te voegen bij de 31 miljard euro (waarvan slechts 12 miljard nieuwe uitgaven) die eerder bekend gemaakt werden. In 2009 en 2010 pompt de overheid zo telkens goed 1 procent van het BBP in de economie.

Comparatieve nadelen…

Om een lang verhaal kort te maken: het ziet er niet goed uit in de Europese Unie. De Europese Commissie verwacht in 2009 een economische krimp van 1,9 procent, en een verlies van 3,5 miljoen banen. In de eurozone zou de werkloosheid aangroeien van 7,5 procent eind 2008 tot 10,2 procent in 2010. De Europese Commissie stelde voor dat de lidstaten voor 200 miljard euro relanceplannen zouden bekend maken, goed voor 1,5 % van het BBP van de EU (het Amerikaanse relanceplan is in verhouding drie maal groter). Maar dit wordt slechts moeizaam gehaald. De nationale plannen gaan bovendien alle richtingen uit: Btw-verlagingen in Groot-Brittannië, investeringen in de infrastructuur en belastingverlagingen in andere lidstaten.

Sommige landen hebben het moeilijker dan andere. Griekenland, Spanje en Portugal kregen al een lagere rating van internationale ratingagentschappen: dat betekent dat zij nu als minder kredietwaardig geboekstaafd staan op de internationale markten, en een hogere rente moeten betalen voor kapitalen die de overheid op de internationale markten ontleent. Ook andere landen betalen een hoge premie op geleende kapitalen. Griekenland betaalt 2,1 procent meer rente dan Duitsland, Italië 1,4 procent meer, enz. Zo dreigt een gevaarlijke spiraal: juist die landen waar de overheid grote schulden maakt om de crisis te lijf te gaan moeten een hogere rente betalen, waardoor de schuldenlast nog groter wordt. De voorzitter van de eurogroep Jean-Claude Juncker stelde voor in de toekomst samen Europese obligaties uit te schrijven om samen te lenen op de internationale kapitaalmarkten, maar dat soort solidariteit gaat de sterkere Europese landen te ver.

Hier en daar wordt al gevreesd voor IJslandse scenario’s: een zware economische en financiële crisis, en een lidstaat waar de overheid niet meer de middelen heeft om ze onder controle te houden.

In de herfst is de Europese Unie overigens reeds een lidstaat te hulp moeten schieten. In Hongarije liep de financiële crisis zo uit de hand te lopen dat de overheid zelf financieel over de kop dreigde te gaan. Dank zij het ingrijpen van het IMF en de Europese Centrale Bank werd de toestand er voorlopig gestabiliseerd. Maar binnen de eurozone mogen lidstaten niet tussenkomen in elkaar tekorten! De Europese verdragen verbieden dat. Men begrijpt dat Brussel er niet gerust op is wanneer Tv-beelden van rellen in Griekenland of het Spaanse Zaragossa binnenlopen.

Het is echter de vraag hoe groot de bereidheid is elkaar te helpen. Het harde muntbeleid van de Europese Centrale Bank houdt geen rekening met de uiteenlopende competitiviteit van de lidstaten. Een gemeenschappelijk Europees relancefonds is er nooit gekomen, ondermeer wegens het verzet van Duitsland. De grootste economie van de Unie wil niet betalen voor de anderen. Samen geld lenen op de internationale kapitaalmarkten was ook al een brug te ver.

Hoe meer de nationale overheden tussenkomen met overheidsgeld, hoe meer zij er voorwaarden aan verbinden die gericht zijn op de nationale economie. Gordon Brown verweet Royal Bank of Scotland dat het zijn enorm verlies had gemaakt door operaties in het buitenland. Nu de Britse belastingbetaler te hulp wordt geroepen moeten de Britse banken de Britse economie ondersteunen. De Franse regering zet de autoproducenten die zij ondersteunt onder druk om in Frankrijk vestigingen en banen te redden. Tant pis voor de Europese broeders in Tsjechië en Slowakije waar Franse automultinationals ook vestigingen hebben.

De crisis staat nog maar aan haar beginpunt. Naargelang zij zich uitdiept zal het ieder voor zich toenemen: een neerwaartse spiraal waarin de ‘comparatieve nadelen’ doorwegen. De kans op echte ongelukken neemt toe. Zo zal bevestigd worden dat de Europese Unie ondanks alle holle slogans de samenhorigheid in Europa (laat staan in de wereld) niet ten goede komt. Men schept geen gemeenschap in een door de markt en concurrentie gestuurde constructie.

(Uitpers, nr 106, 10de jg., februari 2009)

Deel dit artikel

Visited 135 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook