SOS Moeder Aarde


De zesde Wereld Klimaatconferentie (‘COP-6’, 13-25 november, Den Haag) werd – zoals verwacht – een maat voor niets. Ondanks de nakende dreiging van de globale opwarming en de daarmee gepaard gaande klimaatdestabilisatie, leidden twee weken van toponderhandelingen tot geen enkel akkoord. Zonder enige twijfel was de VS, het land met ‘s werelds grootste CO2-uitstoot, goedkoopste brandstof en meest energie-inefficiënte industrie, de grootste spelbreker van COP-6. Er werd nochtans veel verwacht van deze top. Was dit niet de conferentie van ‘de laatste kans om de wereld van de ondergang te redden’? Niemand weet hoe het nu verder moet. Wachten op de volgende bijeenkomst in Bonn (‘COP-6 Part II’) of ijveren voor de ratificatie van het Kyoto-verdrag zonder de VS?

Even recapituleren. In Den Haag stond de discussie over de implementatie van het Kyoto-Protocol – het milieuverdrag dat drie jaar geleden tot stand kwam en een (aarzelende) doorbraak vormde voor maatregelen ter bestrijding van de globale opwarming – op de agenda. In 1997 werd dit verdrag plechtig ondertekend door meer dan 160 landen. Het Kyoto-verdrag voorzag in een gemiddelde emissiereductie tegen 2008-2012 van 5.2% t.o.v. het referentiejaar 1990. Zo diende de EU haar uitstoot met gemiddeld 8% te verminderen (België met 7.5), de VS met 7, Canada en Japan met 6. Het betreft emissiereducties van de zes voornaamste broeikasgassen (1). ‘Ontwikkelingslanden’ waren volgens het Kyoto-verdrag niet verplicht zelf maatregelen te nemen. Belangrijk om weten is dat het Kyoto-verdrag dode letter blijft zolang niet minstens 55 landen, die minimaal 55% van de broeikasgasemissies vertegenwoordigen, overgaan tot ratificatie. Dit geeft de VS, die bv. verantwoordelijk zijn voor 24% van de mondiale CO2-uitstoot, een quasi vetorecht.


GLOBALE OPWARMING


De toename van de concentratie van deze gassen in de atmosfeer leidt tot een menselijk versterkt broeikaseffect, dat vervolgens resulteert in de menselijk geïnduceerde globale opwarming. Het IPCC – een groep van meer dan 2000 klimaatwetenschappers onder het toezicht van de VN – stelde onlangs dat de te verwachten globale opwarming nog dramatischer zou zijn dan vooropgesteld in haar baanbrekend rapport in 1995. In ‘the worst case scenario’ zou de gemiddelde temperatuur met maar liefst 6 graden oplopen tegen 2100. Het is bekend dat koolstofdioxide (CO2) het hoofdaandeel van de door de mens geproduceerde broeikasgasemissies vertegenwoordigt (2). Ontbossing en verbranding van fossiele brandstoffen (olie, kolen en gas) voor verwarming, elektriciteit en transport vormen de voornaamste bronnen van deze koolstofemissies.

Het klimaat kan alleen opnieuw ‘onder controle’ gekregen worden indien de atmosferische broeikasgasconcentraties worden gestabiliseerd. Dit betekent nochtans niet hetzelfde als de stabilisatie van de huidige broeikasgasemissies. Daarom moet volgens het IPCC en de NASA een emissiereductie van 60-80% van de zes voornaamste broeikasgassen gerealiseerd worden. Het Kyoto-streefcijfer (5.2%?? is m.a.w. schromelijk onvoldoende om klimaatontregeling effectief te bestrijden.


KADER I: GEVOLGEN GLOBALE OPWARMING


Hoewel het koffiedik kijken is over de exacte aard, plaats en graad van de impact van klimaatdestabilisatie bestaat er een grote wetenschappelijk consensus dat een escalerende globale opwarming talrijke destructieve gevolgen met zich kan meebrengen: een stijgend zeeniveau (i.e. + 15 tot 95 cm tegen 2100); frequenter voorkomen van extreme temperaturen, droogtes, overstromingen en cyclonen; problematischere voedselproductie vanwege meer extreme weersfenomenen en de toegenomen verspreiding van allerlei pathogenen; groter gevaar op infectieziekten (e.g. malaria, gele koorts, cholera); toenemend aantal milieuvluchtelingen; etc. Daarom roept de VN het voorzorgsprincipe in dat in dit kader geformuleerd kan worden als: ‘Daar waar er een ernstig vermoeden bestaat van onherstelbare schade, zou het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid over de exacte impact van globale opwarming geen rem mogen vormen om preventieve maatrgelen te nemen’. Net zoals met genetisch gewijzigde organismen, zal een menselijk gewijzigd klimaat mens, plant en dier immers blootstellen aan grotendeels ongekende en moeilijk kwantificeerbare risico’s. Belangrijk om op te merken is dat vooral de bevolkingen in het Zuiden de grootste nadelen (zouden) ondervinden aangezien zij zich het moeilijkst kunnen beschermen tegen extreme weersfenomenen (cfr. Mozambique, Nicaragua, etc.). Nochtans draagt het Zuiden (bijna) geen verantwoordelijkheid voor de toegenomen broeikasgasconcentraties. Zo berekende het WWF in haar Living Planet Report 2000 dat een ‘doorsnee’ Amerikaan 19 ton CO2 per jaar produceert, tegenover slechts 2 ton CO2 vanwege een gemiddelde inwoner van een niet-OESO land (3). Het is in dit geval geenszins overdreven om de term ‘internationaal milieuracisme’ te hanteren (4). Het Kyoto-Protocol zwijgt nochtans in alle talen over hoe het Noorden haar immense ‘koolstofschuld’ aan het Zuiden gaat terugbetalen.


FLEXIBILITEITSMECHANISMEN


Het Kyoto-Protocol incorporeerde reeds vier soorten van flexibiliteitsmechanismen om aan de vooropgestelde emissiereducties te voldoen. Primo: via het verhandelen (trading) van emissierechten kan een sterk vervuilend land vervuilingsrechten (‘hot air’) opkopen van landen die beneden hun emissieplafond zitten (bv. de voormalige Oostbloklanden). Secundo: als gevolg van een samenwerking tussen twee Annex-I-landen kan het ‘donorland’ een gedeelte van de gerealiseerde emissiereducties als krediet toegewezen krijgen (‘Joint Implementation’ of JI). Tertio: Annex-I-landen kunnen schone projecten realiseren in ontwikkelingslanden, waarbij de uitstootreducties worden toegekend aan het financierende land (‘Clean Development Mechanism’ of CDM). Quarto: activiteiten in o.a. landbouw en bosbeheer die CO2 uit de atmosfeer fixeren (in zgn. ‘koolstofputten’), kunnen eveneens omgezet worden in kredieten. Indien deze activiteiten worden ontplooid in een ‘ontwikkelingsland’, dan valt mechanisme vier onder het CDM.

Het Kyoto-Protocol sprak zich niet uit over de exacte modaliteiten. Welke fractie van de emissiereductie zou via deze flexibiliteitsmechanismen verwezenlijkt mogen worden? Hoe zou de controle en de bestraffing van in gebreke blijvende landen worden georganiseerd? Welke instantie zou hierop toezien? Die katten zouden op latere conferenties wel gegeseld worden.


MISLUKKING CONFERENTIE


Het is al langer bekend dat er een immense kloof gaapt tussen de EU en de zgn. ‘Umbrella group’ (i.e. VS + Canada, Australie, Japan, etc.) wat betreft de wijze waarop de Kyoto-akkoorden moeten geimplementeerd worden. De EU benadrukte steeds het belang om in Den Haag tot een akkoord te komen, op voorwaarde echter dat het over een minimale ‘milieu-integriteit’ zou beschikken. Dominique Voynet, de Franse minister van Milieu, somde de condities op: ‘een oprecht controlesysteem met duidelijke regels en boetes voor niet nagekomen verplichtingen, reële acties om achterpoorten zoals koolstofputten te bestrijden, prioriteit voor het nemen van nationale maatregelen om emissies in het eigen land te verwezenlijken, en werkelijke steun aan zich ontwikkelende landen om hen mee te betrekken in deze strijd.’ In schril contrast hiermee stonden de eisen van de VS: absolute prioriteit voor marktmechanismen zoals trading, CDM en JI, inclusie van koolstofputten zowel nationaal als in CDM en de incorporatie van nucleaire energieopwekking in CDM (5). Het was dan ook niet verwonderlijk dat het Haagse water tussen de VS en de EU te diep bleek, waardoor een ultiem compromisvoorstel (met grote toegevingen aan de VS) resoluut door de EU werd verworpen.


GRENZEN AAN DE GROEI


Een ratificatie van het Kyoto-Protocol is voor de VS alleen bespreekbaar op voorwaarde dat er niet geraakt wordt aan de ‘American way of life’ en de competitiviteit van hun bedrijven op de wereldmarkt. Het wekt dan ook geen verwondering dat de VS een participatie van de G77 (de ‘ontwikkelingslanden’) en China verwacht en verder via marktmechanismen de reële reducties in eigen land tot het absolute minimum wenst te herleiden. De VS is voornemens om zich het recht op vervuilen toe te eigenen door de sterkte van de dollar op die (lucratieve) markt uit te spelen. De westerse landen zullen deze markt logischerwijs volledig domineren en via het CDM relatief eenvoudige en goedkope energiebesparende projecten in ‘ontwikkelingslanden’ kunnen realiseren.

Naast de halsstarrige houding van de VS, speelt het paradigma van de economische groei een uitermate belangrijke rol in de complexe energieproblematiek. Ook de EU is terminaal ziek in dit bedje. Volgens de neoliberale theologie is economische groei de enige manier om ‘mondiale voorspoed’ te verwezenlijken. ‘Ontwikkelingslanden’ dienen volgens diezelfde logica een aanzienlijke inhaalbeweging te maken (‘catching-up development’), wat een explosieve groei van het energieverbruik en de broeikasgasemissies met zich zou meebrengen. Het spreekt voor zich dat op langere termijn ook deze landen zullen gedwongen worden om emissiereducties na te streven. Die potentiële reducties zullen op dat moment evenwel uitsluitend mogelijk zijn via relatief dure projecten, die voor westerse landen economisch niet interessant zijn. In die zin bestempelen diverse NGO’s deze markt in koolstofkredieten als ‘koolstofkolonialisme’. Zonder financiële en technologische steun zal de Noord-Zuid kloof alleen maar verder uitgediept worden.

Niet alleen op sociaal-economisch maar evenzeer op ecologisch vlak gaat de neoliberale ideologie in dit debat overduidelijk ten onder aan interne tegenstellingen en komt haar tegennatuurlijke karakter aan de oppervlakte. Zo blijkt uit een prestigieuze studie aan de Cornell-universiteit (6) dat het ecologische draagvlak van de aarde tot 2 miljard mensen met de ‘gemiddelde westerse levensstijl’ beperkt is. Het ‘economisch realisme’ is dus blijkbaar niet zo realistisch.

Het Westen wordt geconfronteerd met een dubbel probleem. Het stelt enerzijds een productie- en consumptiemodel voorop dat volstrekt niet veralgemeenbaar is voor alle mensen op aarde, terwijl haar economie bijna uitsluitend op de verbranding van fossiele brandstoffen gebaseerd is (cfr. transport, electriciteit en verwarming). Transport is in de EU momenteel de snelst groeiende bron van CO2-uitstoot (i.e. ongeveer 26% van alle koolstofemissies). Men verwacht dat het aantal wagens in de EU nog met 30% zal stijgen tussen 2000 en 2030. Verder heeft het Europese milieuagentschap berekend dat, als gevolg van de aanhoudende economische groei, het geheel aan broeikasgasemissies tegen 2010 met 5.2% zou stijgen (7). Zoals eerder vermeld, waarschuwt het IPCC ervoor dat klimaatstabilisatie slechts zal optreden indien een emissiereductie van de zes broeikasgassen van 60-80% wordt verwezenlijkt. De Titanic mag dan wel aan het zinken zijn… het orkest blijft vrolijk spelen.


ALTERNATIEVEN?


Een reële oplossing van de klimaatproblematiek vereist een totaal ander paradigma dat gebaseerd is op principes zoals duurzaamheid, internationale solidariteit, participatieve democratie, en een economie in functie van de noden van de mensen die rekening houdt met de ecologische grenzen. Het is evident dat dit een compleet ander productie- en consumptieniveau incorporeert.

Aangezien dit niet voor morgen zal zijn, moet er ook nagedacht worden over alternatieven binnen de dwangbuis van het huidige bestel. Bovendien moet men ook rekening houden met het feit dat wijzigingen in de energiesector sowieso slechts geleidelijk aan kunnen gebeuren. Daarnaast zou een (hypothetische) onmiddellijke reductie van broeikasgasemissies niet voor een plotse stabilisatie van het klimaat zorgen, vanwege de lange leeftijd van broeikasgassen. Dit wijst nogmaals op de noodzaak om effectieve maatregelen niet langer uit te stellen. Vooral de CO2-emissies moeten dus omlaag. Enkele mogelijkheden om dit te bewerkstelligen, zijn: rationeel energiegebruik (i.e. zuiniger omspringen met energie), promoten van alternatieve en/of hernieuwbare energiebronnen zoals bv. zoneënergie (photovoltaïsche cellen), windenergie (windmolens) of waterkracht (mariene turbines), verschuiving van olie naar aardgas, ‘rationeel autogebruik’, investeringen in een beter openbaar vervoer, etc. Nochtans moet men van dit alles geen wonderen verwachten. Zo is het succes van hernieuwbare energiebronnen sterk regionaal gebonden. Concreet voor Europa betekent dit dat off-shore windparken geschikt zijn voor bv. Noord-Europa (Denemarken, Noorwegen…), terwijl zoneënergie om evidente redenen eerder in Zuid-Europa soelaas kan brengen. Voor Belgie is de situatie problematischer: relatief beperkte en ongelijke (winter/zomer, dag/nacht) zonnecapaciteit en te weinig ruimte voor wind- of waterenergieopwekking. Bovendien is er nog een andere kaper op de kust. De liberalisering van de energiesector zou wel eens de doodsteek kunnen betekenen voor de hernieuwbare energiesector. Die liberalisering zal immers leiden tot lagere energieprijzen … en een hogere energieconsumptie! Bovendien zal alternatieve energie, die momenteel nog duurder is dan gewone energie, de concurrentieslag niet aankunnen en het onderspit delven. Big oil blijft in dat scenario de scepter zwaaien.


BESLUIT


Russische roulette spelen met het klimaat is een gevaarlijke praktijk. Vooral de ‘zwakkeren’ op aarde, zowel in het Zuiden als in het Noorden, hebben daar volstrekt geen boodschap aan. Het is dan ook bijzonder jammer dat de theologie van het marktdenken nu ook haar intrede heeft gemaakt in de zoektocht naar ‘oplossingen’ voor milieuproblemen en dit terrein heeft geinfiltreerd met het gebruikelijke ‘blablabla’ jargon van de zgn. ‘efficiënte ‘win-win’ strategieën’. Als men toelaat dat geld de belangrijkste determinant wordt wat betreft wie het legale recht verkrijgt om broeikasgassen uit te stoten, dan zal het rijke Noorden via haar economische supprematie de status-quo zonder meer instandhouden, met alle (klimaat)gevolgen van dien.

Hoewel er talrijke redenen zijn tot pessimisme, is er ook hoop. Verandering komt nooit vanzelf. Verandering wordt steeds van onderuit afgedwongen. Dat is niet anders in de klimaatkwestie of, veralgemenend, in het debat ‘vrijhandel versus eerlijke, sociaal-ecologisch verantwoorde handel’. Daarom ligt die hoop in handen van de zich ontwikkelende internationale civiele maatschappij. Een groeiend aandeel van de westerse bevolking begint te beseffen dat er dringend nood is aan een paradigmaverschuiving van ‘economisch rationalisme’ naar sociale en ecologische duurzaamheid. Alleen dan is er een zinvolle toekomst voor de volgende generaties weggelegd.

(Uitpers, december 2000)



(*) Peter Tom Jones is doctoraal onderzoeker aan de KULeuven, Bart Naessens isdoctoraal onderzoeker aan de VUB.




  1. B. NAESSENS en P.T. JONES, ‘Kafka in Den Haag’, De Standaard, 13/11/2000.

  2. CO2 is verantwoordelijk voor 60% van het menselijk versterkt broeikaseffect.

  3. Het spreekt voor zich dat ook binnen Westerse landen er grote verschillen bestaan tussen de CO2-uitstoot van een eerste-deciel t.o.v. een laatste-deciel inwoner.

  4. B. NAESSENS en P.T. JONES, ‘De dictatuur van de broeikasgangsters’, Uitpers, nr.8, 2000 (www.democratisch-links.be/uitpers/archief/nr8/broei.html)

  5. Het gebruik van ‘koolstofputten’ dient wegens tal van redenen verworpen te worden: grote wetenschappelijke onzekerheid over opnamecapaciteit en duurzaamheid, biodiversiteitsproblemen wanneer oerbossen vervangen worden door snelgroeiende monocultuurplantaties, tijdelijk karakter van opslagcapaciteit dat volledig vrijkomt bij bv. een bosbrand. Nucleaire energie is relatief CO2-vriendelijk (relatief lage CO2-uitstoot) maar zeker niet milieuvriendelijk (radioactief afval, foutonvriendelijkheid, etc.). Nucleaire energie is niet de oplossing maar juist een onderdeel van het probleem.

  6. D. PIMENTAL, Cornell University, 1994 (zie ook Worldwatch-rapport Earth Day 2000, March/April 2000)

  7. ‘Europe prepares to tackle alarming energy needs’, Environment News Service, 30/11/2000 (ens.lycos.com/ens/nov2000/2000L-11-29-11.html)

Over

Lees ook