Soennieten gaan terug in het verzet in Irak

De maand april was een uiterst bloedige maand in Irak. De optimistische geluiden van het voorbije jaar over de voortdurende verbetering van de veiligheidsituatie maken plaats voor bezorgde stemmen. De terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit de Iraakse steden tegen eind juni, het overplaatsen van de Amerikaanse gevechtstroepen uit Irak naar Afghanistan tegen augustus 2010 en zelfs het volledige vertrek van alle VS-troepen uit Irak in 2011, zijn geen vanzelfsprekende zaak meer. De reden: de terugkeer van de Iraakse soennieten naar het verzet.

De Arabische soennieten – ook de Koerden zijn in overgrote mate soennitische moslims, maar ze werk(t)en nauw samen met de Amerikanen – gaven een grote impuls aan het verzet na de Amerikaanse invasie van Irak in 2003. Maar niet alleen: ook vele sjiitische moslims, die nochtans hadden geleden onder president Saddam Hoessein, wilden en willen nog steeds niet weten van een Amerikaanse overheersing.

De Arabische soennieten hadden veel te verliezen na de omverwerping van het bewind van Saddam Hoessein. In de eerste plaats de macht want de Britten die Irak bezetten aan het einde van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wisten niet beter dan de minderheid van de soennieten (nu 25% van de bevolking, tegenover 20% Koerden en 55% sjiieten) aan de macht te brengen toen ze geconfronteerd werden met sjiitisch en Koerdisch gewapend verzet. De opeenvolgende regimes bleven in grote mate soennitisch alhoewel ze ook sjiieten en Koerden coöpteerden.

De Amerikaanse bestuurder Paul Bremer dreef de onvrede ten top, toen hij in 2003 de Baath-partij verbood en de Baath-leden – velen enkel maar om werk te krijgen – uitsloot uit de ambtenarij, onderwijs enz. Hij schafte ook het Iraakse leger af. Als gevolg van beider maatregelen vielen honderdduizenden soennieten zonder werk en inkomen. Geen wonder dat ze de wapens opnamen tegen de gehate bezetter. Ze kregen de steun van hun soennitische bondgenoten in de Arabische wereld. Zo trokken duizenden Al-Qaeda-leden uit Saoedi-Arabië, Syrië, Noord-Afrika enz. naar Irak, waar ze in grote mate verantwoordelijk waren voor de sektarische en zeer bloedige oorlog tegen de sjiieten.

In 2006 begonnen de Amerikanen met hun pogingen de soennieten aan hun kant te krijgen. Dat lukte aardig. Zo ontstonden de Sahwa-raden – Sahwa betekent “Het (soennitische) Ontwaken” (de Amerikanen noemen die groepen meestal “De zonen van Irak”). De soennieten werden “gekocht” met naar Iraakse maatstaven een goed loon van 300 dollar per maand. Voor dat geld moesten ze proberen enige veiligheid te brengen. Ze voerden controle- en bewakingsopdrachten uit en moesten Al-Qaeda uitschakelen. Wat ze ook in grote mate deden, want het blinde sektarische geweld tegen de sjiieten, en ook tegen soennieten die niet op de lijn van Al-Qaeda zaten, hadden heel wat kwaad bloed gezet in Irak.

Uiteindelijk liep het aantal soennieten op de Amerikaanse loonlijst op tot zowat 100.000. Samen met de “surge”, het sturen van nog eens 30.000 Amerikaanse soldaten naar Irak in 2007, leidde tot een gevoelige vermindering van het geweld. Maar geen einde: in maart dit jaar nog zei de Amerikaanse general David Perkins dat het aantal aanvallen op Amerikaanse soldaten van 1.250 per week op het hoogtepunt van het geweld tot minder dan 100 per week was gedaald. Maar 100 per week is nog meer dan een dozijn per dag. En dan spreken we nog niet van de aanvallen tegen het Iraakse leger en andere ordediensten en van aanslagen tegen Iraakse burgers met bomauto’s of via zelfmoordacties.

Vorig jaar vonden de Amerikanen dat de situatie voldoende genormaliseerd was. Daarom zou vanaf 1 november de Iraakse regering moeten gaan instaan voor de 100.000 soennitische militieleden. Zowat 20.000 van hen zouden bij het leger worden ingelijfd en de overige 80.000 zouden andere jobs krijgen. Maar de sjiitische premier Nuri al-Maliki van de Dawa-partij – ten tijde van Saddam Hoessein een ondergrondse en “terroristische” islamistische partij – dacht er anders over. Hij heeft blijkbaar de ambitie om Iraks nieuwe sterke man – zeg maar de nieuwe Saddam – te worden. Zo kwam hij al in conflict, ook gewapend, met de Koerden ondanks het feit dat de twee grote Koerdische partijen in zijn regering zitten. Aan sjiitische kant nam hij het op tegen Moqtada al-Sadr in diens bolwerken Basra en Sadr-city, een sjiitische wijk in Bagdad. De militie van de Hoge Islamitische Raad van Irak (SICI), de Badr-brigades, liet hij totnogtoe met rust. Wellicht omdat de SICI ook een regeringspartner is en hij niet met iedereen tegelijk in conflict wil komen. Zijn eigen militie bracht hij onder bij het leger, inlichtingsdiensten en de politie. Die maakten gebruik van de informatie van de Amerikanen over de soennitische militieleden om er honderden op te pakken sedert het najaar van 2008 en om, samen met Amerikaanse soldaten, enkele van hun bolwerken gewapenderhand aan te vallen. Van de beloften om de soennitische militieleden in het leger in te lijven of andere jobs te geven kwam vrijwel nog niets in huis. Ook de betaling van het loon, die de regering zou overnemen van de Amerikanen, bleef grotendeels uit. Met als gevolg dat de soennitische milities dan ook maar stopten met hun bewakingsopdrachten.

Tegelijkertijd probeerde Maliki het hier en daar op eigen houtje op een akkoord te gooien met soennitische stamleiders en soennitische politici in het parlement en regering.

De verdeel en heerstactiek had een averechts effect. Een zelfmoordenaar liet in maart een bom ontploffen op een verzoeningsontmoeting van de regering met een groep soennitische stammenleiders. Balans: 33 doden, onder wie soennitische sjeiks, soldaten, journalisten en burgers die toevallig in de buurt waren. Sedertdien is het van kwaad naar erger gegaan. Het aantal aanslagen op Amerikanen soldaten neemt weer toe. Iraakse soldaten en politiemannen worden constant onder vuur genomen. Al Qaeda en andere extremistische groepen worden niet meer ingetoomd door de soennitische militieleden. Met als gevolg dat ook het sektarische geweld indrukwekkend stijgt.

(Uitpers, nr. 109, 10de jg., mei 2009)

Deel dit artikel

Visited 117 Times, 1 Visit today

Tags :
Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook