Socio-economisch protest in Sidi Ifni, Marokko

Begin juni 2008 reageerde de Marokkaanse bevolking onthutst op de hardhandige interventie van de ordediensten in het stadje Sidi Ifni. Die interventie was niet enkel het antwoord op de blokkade van de plaatselijke haven door jonge werklozen, het was ook het culminatiepunt van een sociale strijd die sinds 2005 aan de gang is.

Zwarte Zaterdag

In de nacht van zaterdag 7 juni 2008 werd Sidi Ifni, een voormalige Spaanse enclave in het meest zuidelijke deel van Marokko(1), opgeschrikt door een hardhandige interventie van de Marokkaanse ordediensten. Achter de interventie zat een duidelijke militaire strategie waarbij enkele duizenden agenten en soldaten (tussen de 4000 en 8000) de stad via de invalswegen en de haven omcirkelden en binnenvielen. Tijdens die inval kwam het tot zware rellen met de bevolking. Volgens de officiële cijfers werden daarbij een honderdtal burgers gearresteerd waarvan er later tien officieel in staat van beschuldiging werden gesteld. Er vielen ook een zeventigtal gewonden onder zowel de burgerbevolking als de ordediensten. Onmiddellijk na de inval sloten de ordediensten de stad een week af van de buitenwereld.

Ondanks het isolement weerklonken vanuit de stad nog diezelfde dag de eerste geruchten over diefstal, geweld, foltering, verkrachting en moord(2). In het begin probeerde het ministerie van Binnenlandse Zaken die geruchten te ontkennen, maar het nieuws over het wangedrag van de ordediensten verspreidde zich als een lopend vuurtje. Tv-zender Al Jazeera sprak bvb. heel openlijk over de geruchten over moord en verkrachting en werd daarom, eerst tijdelijk en later definitief, uit de ether gehaald. Bovendien werd hun contactpersoon, Brahim Sabaa Al-Layl, tot zes maanden cel veroordeeld wegens het opzettelijk verspreiden van ‘valse informatie’. Ook het Marokkaanse (linkse) sociale middenveld kwam in beweging en organiseerde o.a. twee solidariteitskaravanen naar de stad. Tegelijk organiseerden Marokkaanse migranten uit Ifni verschillende betogingen en protestmarsen in onder andere Parijs, Madrid, Las Palmas en Brussel. De censuur en de vele onzekerheden in de berichtgeving konden dus niet verhinderen dat het wangedrag van de ordediensten uitlekte naar de (internationale) media.

‘Zwarte Zaterdag’ kan bezwaarlijk een verrassing worden genoemd. Het is het culminatiepunt van een golf van protest die sinds enkele jaren door de stad waart. Sinds april 2005 coördineert het ‘Secrétariat local Sidi Ifni Aït Baamrane’(3), een uniek amalgaam van politieke partijen, syndicaten en grassrootsorganisaties, die met een zekere regelmaat (grootschalige) protestacties (sit-ins, manifestaties …) organiseren. Tijdens die acties ijveren ze voor een ‘nieuw Sidi Ifni’ dat niet verstoken blijft van de Marokkaanse ontwikkelingspolitiek. Ze vragen dat de overheid de stad erkent als een volwaardig deel van de Marokkaanse staat en stellen vijf concrete eisen:

• De oprichting van een aparte prefectuur voor Sidi Ifni en de administratieve aanhechting bij de zuidelijke regio’s (Guelmim en de Sahara) waarmee Ifni (de regio rond Sidi Ifni) historische en familiale banden heeft.

• de creatie van jobs.

• de modernisering en (industriële) uitbouw van de haven.

• een kustweg tussen Sidi Ifni en Tantan.

• een degelijk uitgerust hospitaal met een adequate en kosteloze gezondheidszorg.

Die vijf eisen moeten de marginalisatie van de stad stoppen en een deel van de grandeur van het art-decostadje herstellen. De oudere generatie koestert namelijk nog de herinneringen aan de bloeiende stad die Sidi Ifni onder de Spanjaarden was. Van 1946 tot 1958 was Ifni de attractieve hoofdstad van de ‘vergeten kolonie’ Spaans West-Afrika(4). Haar mondaine sfeer en talrijke attracties (bvb. een zoo, bioscopen, bars en stranden) maakten het ook na de aanhechting bij Marokko (1969) een geliefkoosde vakantiebestemming voor veel Marokkanen. Na 1969 verloor de stad echter stilaan aan belang en de Marokkaanse annexatie leidde tot marginalisatie in plaats van hernieuwde bloei. Terwijl de overheid in het naburige Guelmim en Tiznit een moderne infrastructuur uit de grond stampte, is Sidi Ifni na al die jaren letterlijk niets veranderd.

Ondanks de problemen die het Secrétariat al kort na zijn oprichting kende, blijft het tot op de dag van vandaag het referentiepunt wanneer men over het protest in de stad praat. Dat klopt echter niet helemaal: al geruime tijd voor ‘Zwarte Zaterdag’ was het Secrétariat door onderlinge conflicten versnipperd geraakt. Aan de ene kant van het Secrétariat zijn er de linkse, progressieve, ietwat radicalere activisten die de problemen van Ifni als een symptoom van de socio-economische malaise op nationaal vlak zien. Aan de andere kant zijn er de conservatieve, eerder islamistische activisten die de problemen van Ifni als een lokaal fenomeen beschouwen. Let wel: de linkse en rechtse activisten beschouwen zichzelf nog steeds als een grote familie, maar de verschillende visie op het doel en de werking van het Secrétariat maakten een eendrachtige volksbeweging onmogelijk. De verschillende leden van de beweging zijn nog min of meer actief en opereren soms onder de vlag van het Secrétariat, maar sinds de parlementaire verkiezingen van 7 september 2007 lagen alle gemeenschappelijke activiteiten stil.

Toch betekende dat niet dat het protest in Sidi Ifni stilviel. Wanneer de gemeente op 30 mei 2008 acht vacatures voor stadsvegers aanbood, kwamen er ongeveer duizend jonge geïnteresseerden opdagen. Er werd daarom beslist om de vacatures via loting uit te delen.

Dat was een noodoplossing, maar op dat moment was het ook de enige transparante manier om de jobs eerlijk verdeeld te krijgen. Na het uitdelen van de acht jobs ontstond er onvrede bij enkele ongelukkigen die de jobs aan hun neus voorbij zagen gaan. Een groep jonge werklozen nam daarop de spontane beslissing om een mars naar de haven (ongeveer vier kilometer van de stad) te ondernemen. Dat ze voor de haven kozen was geen toeval, het is de belangrijkste Marokkaanse haven voor de sardinevangst en het is de enige plaats in Sidi Ifni waar er enkele maanden per jaar grootschalige economische activiteit is. Helaas deelt de stad niet in de winsten die er gemaakt worden: alle vis wordt rechtstreeks naar industriële centra zoals Agadir gebracht en daar verwerkt. De jongeren wilden met hun mars de eis voor jobs en de industriële uitbouw van de haven nogmaals in de verf zetten.

Pas wanneer de jongeren bij de haven aankwamen en ze er de steun van de vissers kregen, begon het idee te spelen om de actie een vervolg te geven. Niet veel later blokkeerden ongeveer 300 jongeren de toegang naar de haven en hielden ze er 89 vrachtwagens met vis tegen. Ze herhaalden hun eis voor werk en eisten tevergeefs een gesprek met een minister uit de centrale overheid(5). Ondertussen organiseerden de burgers in de stad verschillende marsen ter ondersteuning van de stakers. Ook de verschillende strekkingen van het verbrokkelde Secrétariat mengden zich in het conflict.

De lokale secties van de andersglobalistische beweging ATTAC en van de werklozenvereniging ANDCM hielpen de betogers bij de praktische organisatie en het formuleren van de eisen. Andere associaties probeerden ondertussen op de betogers in te praten en ze weer ‘bij zinnen’ te krijgen. Zij zagen de bui namelijk al hangen: de roekeloze actie van de betogers gaf de overheid de kans om de stad te straffen voor het hardnekkige protest van de laatste jaren, zeker nu de rottende vis in de vrachtwagens voor een ecologisch probleem en gederfde inkomsten zorgde. De jonge betogers bleven echter hardnekkig vasthouden aan het principe ‘hetzij de dood, hetzij het welzijn (6). Die situatie bleef aanslepen tot het controversiële optreden van de ordediensten.

Het ‘nieuwe Marokko’

De onafhankelijke Marokkaanse pers vroeg zich af waarom dergelijke wantoestanden nog mogelijk waren in het ‘nieuwe Marokko’. In se is dat ‘nieuwe Marokko’ niets meer dan een containerbegrip dat werd geïntroduceerd toen koning Mohammed VI (1999-…), de zelfverklaarde ‘koning der armen’, zijn beleid publiekelijk afstemde op de hervormingen die zijn vader Hassan II startte. De basis van het ‘Nieuwe Marokko’ werd begin jaren 1980 gelegd toen de falende economische meerjarenplannen het land op de rand van het bankroet hadden gebracht.

Tot dan toe had de Marokkaanse staat de economische ontwikkeling grotendeels in handen genomen. Het economisch beleid werd aangewend om het politiek bestel te consolideren en de economische en politieke actoren aan de staat te binden. Politieke actoren werden op die manier economische actoren en omgekeerd. De zware economische crisis van 1983 zorgde echter voor een radicale ommekeer. Marokko wist zich plots geen raad meer en deed een beroep op de internationale gemeenschap. Onder haar impuls werd de economie grondig hervormd volgens het (neo)liberaal model. Privatisering en, meer recent, internationale samenwerkingsverbanden kwamen hierbij centraal te staan. In het begin van de jaren 1990 dreigde een nieuwe, ditmaal socio-politieke, crisis toen het autoritaire regime van Hassan II klem dreigde te raken tussen de binnenlandse druk (sociale onrust, politieke oppositie en de opkomst van het islamisme) en de buitenlandse druk voor politieke hervormingen. Daarom zag de vorst zich gedwongen om een strak geleide politieke liberalisatie door te voeren. De van bovenaf opgelegde hervormingen die volgden moesten enerzijds de structuur en de werking van de staat veranderen, anderzijds moesten ze de relatie van de staat ten opzichte van het individu versoepelen.

Onder Mohammed VI wordt die economische en politieke liberalisatie (‘twin liberalisation’) voortgezet en lijkt het land de ‘loden jaren’ definitief achter zich te laten. Marokko krijgt felicitaties van de internationale gemeenschap en wordt algemeen beschouwd als een van de betere leerlingen van de klas. Niemand zal ontkennen dat het land sinds de jaren 1990 inderdaad een sprong voorwaarts heeft gemaakt. Zo is er na een lange periode van economische stagnatie opnieuw een economische groei van om en bij de 5%. Ook op socio-politiek vlak boekte het land vooruitgang. Vooral de versoepeling in de relatie tussen de staat en het individu is een relatief succes, getuige daarvan het grotere respect voor de burgerrechten, de creatie van een nieuwe publieke ruimte en de grotere persvrijheid. Wie vlug wat cijfermateriaal over het land doorneemt ziet dat er helaas nog altijd weinig reden is tot groot enthousiasme. Zowel op socio-economisch als op politiek vlak hinkt Marokko steeds verder achterop in vergelijking met de andere (Arabische) ‘lower middle income’-landen: de kloof tussen rijk en arm stijgt, het leven wordt steeds duurder en de bevolking toont niet langer interesse in de politiek(7). Marokko presteert dus beneden de verwachtingen. Bovendien sluit het ‘nieuwe Marokko’ zeer nauw aan bij het oude regime. Het ‘nieuwe Marokko’ is eigenlijk het oude Marokko, maar dan met een nieuwe façade. In wezen is er niet geraakt aan de fundamenten van de staat: Marokko vertoont nog steeds de kenmerken van een autoritaire staat waarin cliëntelistische relaties van groot belang zijn. De oude vormen van patronage zijn daarbij vervangen door nieuwe. De talrijke en snelle hervormingen in het land worden dus niet enkel gebruikt om aan de eisen van het Westen en de bevolking te voldoen, maar ook (en vooral?) om het oude systeem nieuw leven in te blazen. Het land worstelt bovendien met moeilijkheden om aan de verwachtingen van de internationale gemeenschap te voldoen wat democratisch en efficiënt bestuur betreft (‘good governance’). De Marokkaanse overheid legt momenteel de nadruk op een efficiënt beleid, waarin hoogopgeleide technocraten samen met de vorst de belangrijkste beslissingen nemen. Steeds meer ‘gewone’ mensen worden daardoor uit de besluitvorming weggehouden, wat voor een democratisch deficit zorgt.

Socio-economisch protest in Marokko

In een recente bijdrage in dit tijdschrift noemde Koenraad Bogaert het politiek-economisch beleid in Marokko een sociale tijdbom. Daar valt inderdaad iets voor te zeggen. Het huidig economisch en politiek bestel zorgen voor nieuwe sociale onvrede die in combinatie met het groeiende bewustzijn van de burgers voor een explosieve cocktail zorgt. De doorsnee Marokkaan ziet dat zijn socio-economische rechten met de voeten worden getreden en dat de staat geen ‘verhaal’ meer heeft. Dat groeiend bewustzijn creëert nieuwe ruimtes voor contestatie die opgevuld worden door groepen die een alternatief ‘verhaal’ aanbieden, zoals het islamisme of links geïnspireerde protestbewegingen, bvb. die tegen de duurte van het leven (‘Tansikyat’).

Wat opvalt is dat de sociale onvrede momenteel niet voor grote volksopstanden in de metropolen zorgt, zoals de broodopstanden uit de jaren 1980(8). Nochtans is straatprotest de uitgelezen manier om mensen die in de politiek niet worden gehoord hun stem te laten verheffen. Door middel van straatprotest kunnen socio-economische thema’s die in naam van de efficiëntie aan de politiek worden onttrokken, door de straat opnieuw gepolitiseerd worden. Er kan zich op die manier een nieuwe oppositie vormen, de zgn. ‘opposition de l’ombre’ (schaduwoppositie). Het uitblijven van het massaal straatprotest is onder meer te verklaren door het feit dat de bij de lagere klasse uiterst populaire islamistische bewegingen, zoals Adl wa’l-Ihsan, niet rekruteren tegen de socio-economische malaise. De linkse protestbewegingen, zoals de Tansikyat, proberen dat wel, maar hebben moeite om de interne problemen te overwinnen en aansluiting te vinden bij zowel de laagste klasse als haar voornaamste doelgroep, de (jonge) middenklasse. Bovendien is de Marokkaanse staat erin geslaagd het protest te fragmenteren (bvb. door repressie, tactische toegevingen en een nieuwe ruimtelijke ordening van de stad) en werden er, los van de staat, nieuwe sociale vangnetten gecreëerd (bvb. de sociale islam, ngo’s of kleine, vaak clandestiene initiatieven van de bevolking).

Terwijl het massale straatprotest in de metropolen steeds meer tot het verleden gaat behoren, ontstaan er in de kleine steden in de rest van het land zogenaamde ‘émeutes de périphérie’, bijzonder hevige lokale opstanden. Het is een evolutie die we ook in de andere landen van de regio Midden-Oosten en Noord-Afrika (de MENA-regio) waarnemen.

Eigenheid en impact

Sidi Ifni was een van de eerste kleine steden in Marokko (20.000 inwoners) waar heel openlijk en op grote schaal werd geprotesteerd. Bepaalde manifestaties lokten tot 20.000 deelnemers uit de regio (7/8/2005). Dat straatprotest is een radicale breuk met de voorbije decennia. Tot 2005 was het de uitgeweken elite(9) die via haar cliëntelistische relaties met de staat, bepaalde gunsten voor Sidi Ifni probeerde los te weken. Toen dat na dertig jaar nog steeds geen vruchten had afgeworpen, nam het verenigingsleven uit de stad het initiatief zelf over en creëerde het het Secrétariat. Vanaf dan probeerde men via het straatprotest een dialoog met de centrale overheid te forceren. Wat daarbij opvalt is dat de protestbeweging in Sidi Ifni, ook de progressieve zijde, vaak verwijst naar de koloniale geschiedenis van de stad. De stad zoekt de reden van de verloedering in haar ‘bijzondere’ geschiedenis. Volgens het Secrétariat probeert de Marokkaanse staat de Spaanse erfenis namelijk doelbewust van de kaart te vegen. Het is uiterst verleidelijk om in die logica mee te stappen, ware het niet dat de problemen van Sidi Ifni grotendeels dezelfde zijn als die van andere koloniaal minder belangrijke perifere steden. Dat Sidi Ifni over het hoofd werd gezien in de nationale ontwikkelingspolitiek is eerder een gevolg van de nieuwe economische (neoliberale) logica in Marokko, waarin het geen plaats lijkt te hebben. De exploitatie van de haven door bedrijven uit de grote economische centra is daar een gevolg van. Sidi Ifni heeft echter één grote troef achter de hand om aan die economische logica te ontsnappen: zijn historische banden met de Westelijke Sahara. De Marokkaanse staat voert in dat betwist gebied een charmeoffensief en pompt er bijzonder veel geld in ontwikkelingsprojecten. Sidi Ifni ziet dat en wil in die weelde delen. Vandaar dat de eis voor een eigen prefectuur en de administratieve aanhechting bij de Sahara (gezien de historische banden) met stip op één staat. Hun historische eigenheid benadrukken past dus in de strijd die het Secrétariat voert. Zo zullen de leden van het Secrétariat nooit expliciet toegeven dat hun problemen en eisen dezelfde zijn als die van andere steden. Door dat ‘particularisme’ te benadrukken hebben ze, net als andere perifere steden, echter de grootste moeite om aansluiting te vinden bij de grotere (linkse) socio-economische protestbeweging. Dat wijdverspreide fenomeen ondergraaft uiteraard de kracht van zowel de lokale, als de (inter)nationale socio-economische protestbeweging. Nochtans werpt een bredere samenwerking haar vruchten af, getuige daarvan de enorme media-aandacht die de stad na de rellen kreeg dankzij de acties van de verschillende civiel-maatschappelijke groepen.

In tegenstelling tot andere kleine protesthaarden in de MENA-regio(10), kan de staat het protest in Sidi Ifni niet langer met geweld neerslaan. Integendeel: het brutale optreden komt nu als een boemerang in hun eigen gezicht terecht. Onder druk van de enorme verontwaardiging moest Marokko schoorvoetend toegevingen doen. De staat heeft ondertussen al beloofd om Sidi Ifni aan de Saharaprovincie te koppelen en een ontwikkelingsproject voor de stad uit te tekenen. Het is nu enkel nog de vraag of de gevangenen, wier proces midden februari begon, als pasmunt voor de toegevingen zullen dienen.

(Uitpers, nr. 107, 10de jg., maart 2009)

Voetnoten:

(1) Meer bepaald in de regio Souss-Massa Drâa (provincie Tiznit).

(2) De geruchten over moord en verkrachting zijn ondanks de sterke vermoedens tot op heden niet bewezen.

(3) De Aït Baamrane is de stam die de regio van oudsher bewoont.

(4) Sidi Ifni was de hoofdstad van Spaans West-Afrika. Dit gebied bestond uit de Westelijke Sahara en de regio Ifni. De Spanjaarden probeerden in het gebied de schijn op te houden van een koloniale macht, maar veel Spanjaarden wisten zelfs niet af van het bestaan van Spaans West-Afrika. Vandaar dat men ook soms over de ‘vergeten kolonie’ spreekt.

(5) In de week van 30 mei tot 7 juni waren er verschillende gesprekken tussen de jongeren en vertegenwoordigers van de staat maar de dialoog met een minister kwam er niet.

(6) soit le mort, soit le bien-être

(7)Getuige daarvan de gebrekkige opkomst voor de parlementsverkiezingen van 2007.

(8)In 1984 en 1990 waren er zware rellen in de grote steden zoals Casablanca en Marrakech. Deze werden veroorzaakt door de negatieve effecten van de economische liberalisering, bv. prijsstijgingen door de besparingspolitiek en het terugschroeven van subsidies.

(9) Toen de lokale economie na de Marokkaanse annexatie stilviel (jaren 1970) emigreerden veel jongeren en leden van de elite uit Sidi Ifni naar de nieuwe industriële en bestuurlijke centra.

(10) MENA: Middle East and North Africa

Deel dit artikel

Visited 15 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook