Sociaal protest in Egypte

In de Egypte groeit de onvrede over de buitenlandse en binnenlandse koers van het autoritaire Moebarak regime. Sinds enkele jaren is er een kleurrijke protestbeweging actief die geregeld van zich laat horen met protestmanifestaties, vakbondsstakingen en sit-ins rond een rijk palet aan thema’s, gaande van de pro-Amerikaanse koers van het regime tot de onvrede over de lage lonen en stijgende voedselprijzen.

De protestgolf startte in de periode van het uitbreken van de tweede Palestijnse Intifada die een grote weerklank kreeg in Egypte. Studenten namen het voortouw en organiseerden in 2000 en 2001 een aantal manifestaties om hun steun en solidariteit met de Palestijnse opstand uit te drukken. De protestbeweging groeide uit tot een massabeweging in de aanloop van de Brits-Amerikaanse invasie in Irak. Op 21 maart 2003 liepen tienduizenden Egyptenaren door het centrum van Cairo. Het ging om de grootste betogingen sinds de broodrellen van 1977.

Geleidelijk aan begonnen binnenlandse thema’s de agenda van de protestbeweging te domineren. Moebarak is al sinds 1981 onafgebroken aan de macht en het ongenoegen over zijn bewind groeit. Na goed twee decennia neoliberale hervormingen worstelt het land met een diepe sociale crisis. In de aanloop van de presidentiële verkiezingen van 2005 weerklonk de roep naar politieke en grondwettelijke hervormingen steeds luider.

Het machtsmonopolie van de Nationale Democratische Partij heeft het politiek onvermogen in de hand gewerkt en zorgde voor wijdverbreide corruptie in het overheidsapparaat. Op economisch vlak schikte de regering zich naar het Structurele Aanpassingsprogramma dat ze met het Internationaal Monetair Fonds tekende. Dat zorgde voor de aanzwengeling van de export en de liberalisering van de prijzen. In 2005 verkocht de overheid geheel of gedeeltelijk 209 publieke ondernemingen van de in totaal 314 die in aanmerking kwamen voor privatisering. Dat ging gepaard met afdankingen, verminderde arbeidsbescherming en lagere lonen. De concurrentie drukte de lonen van de overblijvende werknemers van de publieke industriële sector naar een gemiddelde van 34 dollar per maand, wat ruim onvoldoende is om zelf maar de basisnoden te lenigen.(1) Vooral vrouwen en jongeren zijn het slachtoffer van werkloosheid. Volgens de officiële statistieken vertegenwoordigen jongeren (15 – 29 jaar) 28 procent van de bevolking. 83 procent van de werklozen bevindt zich binnen deze groep.(2) 22 procent van de Egyptische bevolking leeft onder de armoedegrens van 1 dollar per dag. En bijna nog eens zoveel moet rondkomen met een inkomen van amper 2 dollar per dag. Een sociale tijdbom waarop een reactie niet kon uitblijven

Stakingen en hervormingsbeweging

In september 2004 hield de Beweging voor Verandering, Kifaya (‘Genoeg’) haar stichtingscongres en nog in hetzelfde jaar kwam er een eerste grote betoging die het startsein vormde voor een hele reeks acties. Kifaya vloeide voort uit de Palestina- en Irakprotesten die parallel verliepen met de politisering van een nieuwe generatie jongeren. Een van de belangrijkste eisen voor politieke hervormingen was de vraag naar directe presidentiële verkiezingen met verschillende kandidaten. De eerste manifestatie op de trappen van het Egyptische hooggerechtshof vroeg zelfs het aftreden van Moebarak. De protestbeweging was in verschillende opzichten nieuw. Voor het eerst sinds jaren nam een losse coalitie met Nasseristen, linkse activisten, studenten en islamisten, die ideologisch nochtans heel erg verschillen, het regime zelf onder vuur. Tal van nieuwe organisaties zagen het daglicht die allemaal autonoom werkten, maar in grote lijnen dezelfde doelen nastreefden wat blijkt uit namen als ‘Jongeren voor Verandering’, ‘Dokters voor Verandering’, ‘Journalisten voor Verandering‘, de ‘9-maart beweging‘, ’Arbeiders voor Verandering’, enz. De acties en manifestaties van deze organisaties hadden een zeker spontaan karakter en gingen door zonder voorafgaandelijk toestemming van de autoriteiten. Dat is geen evidentie in een land waar Moebarak sinds de moord op Sadat in 1981 de wet op de noodtoestand keer op keer verlengt. Ook nieuw was het intense gebruik van internet en mobilofoons.

In het zog van de hervormingsbeweging en geconfronteerd met de dalende levensstandaard groeide de actiebereidheid bij de werknemers in de landbouw en de industrie. Vanaf 2005 groeide het aantal arbeidersstakingen en -manifestaties. Een studie telde alleen al in de eerste helft van 2007 283 protestactiviteiten in de overheids- en privésector waaronder 66 stakingen. Daarbij ging het niet alleen om een verzet tegen privatiseringen en de gevolgen van de neoliberale politiek, maar kwam de strijd voor een vrije vakbondswerking zelf op het voorplan. Staken is in Egypte weliswaar toegestaan, maar kan alleen mits goedkeuring van de officiële vakbonden die onder de controle staan van het regime. Die keuren stakingen bijna nooit goed en de vertegenwoordigers ervan spelen dikwijls onder een hoedje met de directies.

Stakingen in Mahalla al-Kubra

Vooral de stakingen in het immense textielbedrijf Misr Spinning and Weaving Company, zorgden voor de nodige nervositeit bij het regime. Dat komt omdat deze publieke onderneming op 110 km ten noorden van Cairo, met 24.000 werknemers goed is voor zowat een kwart van alle Egyptische textielarbeiders. In december 2006 legden de arbeiders er het werk neer en gingen over tot het bezetten van de fabriek om eerdere beloftes op vlak van looneisen alsnog af te dwingen. In de daaropvolgende maanden volgden er nieuwe acties die geleidelijk aan overwaaiden naar andere sectoren en regio’s. De aanvankelijk eerder lokale en beroepsgebonden eisen op bedrijfsniveau kregen een meer politiek karakter. De arbeiders beschuldigden het overheidsapparaat van mismanagement en corruptie en kwamen in conflict met de vertegenwoordigers van de officiële vakbond – verbonden aan de NPD-regeringspartij – die ze verweten de arbeidersbelangen niet te verdedigden. Het protest kreeg uiteindelijk een uitgesproken politiek karakter toen het zich richtte tegen de economische en sociale politiek van Moebaraks regime zelf. De groeiende inflatie van om en bij 12 procent op jaarbasis maakte het alsmaar moeilijker om rond te komen met het karige maandloon van 40 tot 70 dollar. De voedselprijzen gingen de hoogte in met jaarlijks 12,4 procent, voor verse groenten moest zelf 37,6 % meer worden betaald.(3)

De acties van de textielarbeiders konden rekenen op heel wat sympathie en kregen navolging in andere sectoren. Tal van Egyptische werknemers verspreid over het land lieten hun ongenoegen blijken over de slecht gerunde overheidsinstellingen, maar verzetten zich ook tegen de (geplande) privatiseringen. De Mahalla-arbeiders lagen ook aan de basis van de nationale stakingsdag van 6 april 2008 tegen de stijgende prijzen en de lage lonen. In een land waar de pers onder de controle staat van de overheid, kreeg het initiatief veel ruchtbaarheid via blogs en sociale netwerksites zoals facebook, waar tegen de 70.000 voornamelijk jonge activisten zich lid maakten van de ‘6 april jongeren-beweging‘. De moslimbroeders, de grootste politieke oppositiebeweging, namen niet of aarzelend deel aan de stakingsoproep, maar de linkervleugel van de Kifayabeweging ondersteunde de oproep en tientallen leden vervoegden de stakende Mahalla-arbeiders.

Het regime reageerde dubbel: met beperkte toegevingen en repressie. Aan de ene kant besliste de regering om de export van enkele belangrijke voedselproducten en constructiematerialen op te schorten in een poging de prijzen enigszins te stabiliseren. Bovendien kondigde het regime een stijging van de lonen aan met 30 procent, maar bleef het wachten op de concrete uitvoering van die belofte. Aan de andere kant liet Moebarak zijn politiediensten hard optreden. Het Mahalla-protest werd brutaal neergeslagen. Op de bewuste nationale stakingsdag van 6 april 2008 vielen twee doden en tientallen gewonden. Een 150-tal mensen werd gearresteerd, onder wie een aantal leidende figuren. Het regime toonde zich vastberaden om voortaan elke manifestatie in de kiem te smoren om zo te vermijden dat de acties verder uitbreiding zouden nemen. Zeker sinds de Gaza-oorlog in de winter van 2008-2009 en de ontdekking van een Hezbollah cel (zie kader) is de repressie ongemeen hard en beperkt het regime zich niet tot politieoptredens in de straat. Bloggers worden op grote schaal gearresteerd en heel wat mensen die deelnamen aan de acties en stakingen verloren hun job. Moebarak is vooral beducht voor een herhaling van de rellen van 1977 die uitbraken nadat president Sadat de broodprijzen liberaliseerde. Daarbij kwamen toen meer dan 100 mensen om.

De verdeeldheid van de oppositie speelt vooralsnog in het voordeel van het regime. De eerst veelbelovende Kifaya-beweging is wat weggedeemsterd en bleek niet in staat om de politieke vertaling te maken van de vele acties. Het probleem is onder meer dat er een nog grote kloof bestaat tussen de stedelijke intellectuele elite en de arbeidersbeweging. Ook is er wantrouwen tussen de seculiere oppositie en de moslimbroederschap. Deze laatste lijkt er voor te hebben gekozen om een al te grote directe confrontatie met het regime te vermijden.

De Egyptische Hezbollah-cel

In april 2009 werden 25 mensen opgepakt omdat ze deel zouden uitmaken van een Hezbollah-cel. De Egyptische minister van Buitenlandse Zaken wees vrijwel onmiddellijk Iran met de vinger met de beschuldiging dat het Mollah-regime Hezbollah gebruikte om voet aan grond te krijgen in Egypte. Hezbollah-leider Hassan Nasrallah zei enkel dat een van de gearresteerden opdracht had om de wapensmokkel naar de Gaza-strook te organiseren, maar ontkende dat het de bedoeling was om aanslagen te plegen in Egypte, zoals het regime beweerde. Het incident heeft tot nieuwe spanningen geleid tussen Cairo en Teheran. Op de achtergrond speelt de rivaliteit tussen twee regionale assen met aan de ene kant het Saoedisch-Jordaans-Egyptische kamp en aan de andere kant Iran, Syrië en de verzetsorganisaties Hamas en Hezbollah. Die spanning kan eveneens vertaald worden in termen van pro- en anti-westers.

 

(Uitpers, nr. 111, 10de jg., juli-augustus 2009)

Voetnoten:

(1) Joya, A. Egypt: Falling Wages, High Prices, and the Failure of an Export-Oriented Economy. In: The Bullet, Socialist E-Bulletin, 2 juni 2008

(2) Shehata, D. Youth Activism in Egypt. In: Arab Reform Brief, 23 oktober 2008

(3) Beinin, J. The Militancy of Mahalla al-Kubra. Merip, 29 september 2007 op http://www.merip.org/mero/mero092907.html

Deel dit artikel

Visited 135 Times, 1 Visit today

Tags :
Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook