Sociaal Europa: vergeet het

François Denord et Antoine Schwartz. L’Europe sociale n’aura pas lieu, Editions Raisons d’Agir, 138 blz.

Wie er nog niet van overtuigd is dat de Europese eenmaking, die na de Tweede Wereldoorlog op gang kwam, in eerste instantie een Amerikaans project was; wie niet inziet dat dit eengemaakte Europa van in het begin en steeds meer een liberale of kapitalistische onderneming is en wie nog niet begrijpt dat men daardoor een sociaal Europa kan vergeten, moet het boekje van François Denord en Antoine Schwartz lezen.

De auteurs trekken meteen een streep door de mythe als zou de Europese eenmaking het werk zijn van de ‘Vaders van Europa’ (Schuman, Monnet, Spaak enz.) die voor alles de verzoening tussen de Europese volkeren en de vrede in Europa wilden bewerkstelligen. Het Europese eenmakingsproces kwam er integendeel onder Amerikaanse druk. De Verenigde Staten wilden West-Europa inschakelen in de strijd tegen de Sovjet-Unie en tegen het communisme. Daartoe werd niet alleen politieke actie ondernomen, maar werd ook financiële steun verleend. Zo financierde de Amerikaanse geheime dienst CIA de ‘Europese Beweging’ via het ‘American Committee on United Europe’.

De ‘Europese Beweging’ kwam na 1948 tot stand en groepeerde een aantal pro-Europese organisaties die op een conservatieve, anti-communistische leest waren geschoeid. Geen wonder dat de Belgische politicus Paul-Henri Spaak (officieel socialist) voorzitter van de Europese Beweging werd. Uit dank voor bewezen diensten mocht hij van de Amerikanen enkele jaren later secretaris-generaal van de NAVO worden. De Fransman Jean Monnet, een van de grondleggers van het eengemaakte Europa, zei over de steun van het ‘American Committee on United Europe’: “Deze blijvende steun, vandaag belangrijker dan ooit, zal een grote hulp zijn voor de volledige realisering van onze plannen.” Als het Amerikaanse comité in 1960 zijn activiteiten stopzet, wordt de Europese Beweging verder gefinancierd door de Europese Commissie met het geld van de Europese belastingbetaler.

Voor de Amerikaanse president Harry Truman was de Europese eenmaking van het grootste belang om de invloed van de Sovjet-Unie te beperken en de opkomst van communistische partijen in Europa te beletten. Hij wou de West-Europese landen zo vlug mogelijk in een militair bondgenootschap onder leiding van de Verenigde Staten onderbrengen. Vandaar de oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) in 1949. Dat was voor de Amerikanen echter niet voldoende. Zij wilden dat er een Europese gemeenschappelijke defensie kwam, om West-Duitsland eens en voor goed in het westerse kamp te verankeren. Daarom werd in 1952, nauwelijks een jaar na de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Verdrag over de Europese Defensiegemeenschap ondertekend. Artikel 18 van dit verdrag stelde dat het toekomstige Europese leger zou afhangen van het opperbevel van de NAVO (lees: van de Verenigde Staten). Het Franse parlement verwierp het verdrag evenwel in 1954.

De Amerikanen wilden niet uitsluitend om militaire redenen een eengemaakt Europa. De totstandkoming hiervan zou hen ook heel wat economische voordelen opleveren. In ruil voor de steun van het Marshallplan eiste Washington dat de Europese landen een douane-unie vormden en hun markten openstelden voor Amerikaanse producten en investeringen. Van die open markt maakten de Europese leiders zonder dralen werk. In 1958 zag de Europese Economische Gemeenschap (EEG) het licht. Die ging werk maken van een Europese eenheidsmarkt met vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en werknemers. Zo kwam het Atlantische en liberale Europa tot stand.

Europa als markt

Van bij het begin was het Europese eenmakingsproces bijgevolg gericht op de totstandkoming van een vrije markt voor vrije ondernemingen. Dat had niets te maken met de slogans over vrede in Europa, de verzoening der volkeren, laat staan met sociale rechtvaardigheid en vooruitgang. Een aantal Europese landen beweerden jarenlang voor een ‘sociale markteconomie’ te zijn. De auteurs herinneren ons aan de oorsprong van dit rare begrip. Het werd door de Duitser Alfred Müller-Armack uitgevonden. Hij drong er bij de politieke overheid op aan een beleid te voeren waardoor de markteconomie, het kapitalisme, maatschappelijk (sociaal) wordt aanvaard. Iedereen moet zich naar de grillen van het kapitalisme schikken. We weten wat dit betekent: loonmatiging, sociale besparingen, toenemende mobiliteit en flexibiliteit, privatiseringen, liberalisering, deregulering en vrijhandel. Alles wat maar niet sociaal is.

Voor de oprichting van de EEG had de Franse regering nog geprobeerd een harmonisering van de sociale wetgevingen te doen aanvaarden als voorwaarde voor de openstelling van de nationale markten. Die eis botste op een Duits njet. De toenmalige Duitse minister van Economie, Ludwig Erhard, had het over ‘sociale romantiek’. Maar ook het Franse patronaat was maar al te graag bereid de internationale concurrentie te aanvaarden in ruil voor een sociale stilstand of afbraak. Sindsdien is het sociale Europa, een sociale harmonisering in progressieve zin, dode letter gebleven ten voordele van het Europa van de concurrentie.

De tegenstelling tussen het eengemaakte Europa en een sociaal beleid die naam waardig kan niet beter worden weergegeven dan door een uitspraak die de toenmalige Franse president François Mitterrand in 1983 deed: ‘Ik moet tussen twee ambities kiezen: de opbouw van Europa en de sociale rechtvaardigheid.’ Het ene gaat duidelijk niet samen met het andere. Datzelfde jaar koos Mitterrand dan ook voor de ‘Europese solidariteit’, zoals hij zijn keuze voor een liberaal beleid noemde. Hij deed dat onder druk van zijn minister van Financiën, Jacques Delors, die in 1985 voorzitter van de Europese Commissie werd. Delors werd niet voor niets door een van de hoogste ambtenaren van die Commissie ooit ‘le grand mystificateur’ genoemd. Delors had immers de mond vol over het sociale Europa en de sociale dimensie van Europa, terwijl hij een honderd procent liberaal project uitvoerde: de Europese eenheidsmarkt.

Die kwam er dank zij een nieuw verdrag: de Europese Akte. Volgens Delors zijn lievelingsverdrag. Dat maakte het mogelijk dat de Europese ministerraad alle beslissingen voor de realisering van de eenheidsmarkt met een gekwalificeerde meerderheid kon nemen, terwijl voor beslissingen over de fiscale harmonisering, het vrij verkeer van personen en de belangen van de werkers eenparige beslissingen nodig bleven, richtlijnen over de bescherming en gezondheid van werkers uitgezonderd. Delors probeerde dat goed te praten door te verklaren dat “de vooruitgang van het economische Europa niet mogelijk was zonder het risico van een onevenwicht te aanvaarden”. Het sociale Europa werd dus duidelijk opgeofferd aan het economische.

Voor Jacques Delors was de monetaire unie met haar eenheidsmunt het natuurlijke sluitstuk van de eenheidsmarkt. Om die economische en monetaire unie (EMU) mogelijk te maken werd het Verdrag van Maastricht opgesteld. Een Frans liberaal minister, Alain Madelin, noemde dit verdrag “een levensverzekering tegen de terugkeer naar zuiver socialistische experimenten”. Om tot de EMU toe te treden moeten de lidstaten van de Europese Unie aan strenge voorwaarden voldoen. De werkgelegenheid is echter geen criterium om tot de EMU toe te treden. Spanje trad tot de EMU toe met een werkloosheidsgraad van 20 procent.

Door die economische en monetaire unie geven de lidstaten van de Europese Unie hun monetair en begrotingsbeleid uit handen. Pogingen om een Europese economische regering te vormen bleven tot op heden zonder gevolg. De Europese grondwet, die na de verwerping ervan in Frankrijk en Nederland, tot Verdrag van Lissabon werd omgedoopt, stippelt tot in de details uit welk liberaal economisch beleid moet worden gevoerd.

De uitbouw van een volwaardig sociaal Europa zal volgens de auteurs geen gemakkelijke karwei zijn. Daartoe moeten de drie zuilen van de Europese economische ordening onderuit worden gehaald: monetarisme, vrije concurrentie en vrijhandel. De deregulering moet worden vervangen door een politieke regelgeving en sociale bescherming. De Europese Centrale Bank moet economische groei en werkgelegenheid bevorderen. Sleutelsectoren van de economie (openbare diensten, vervoer, banken enz.) moeten gemeenschapseigendom worden. Sociale dumping moet worden uitgeroeid door een harmonisering van de fiscaliteit en van de sociale rechten in progressieve zin. Tot slot moet in de handel een zeker protectionisme worden toegelaten ten gunste van sociale en ecologische doelstellingen.

(Uitpers nr. 125, 12de jg., november 2010)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link: http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=989529&refsource=uitpers