Scherpe repliek op scherpe recensie

Op 14 september jl. publiceerde Uitpers een recensie door Guy Poppe over Ludo De Witte’s boek “Moord in Burundi. België en de liquidatie van premier Rwagasore”. Die scherpe bespreking viel in slechte aarde bij de auteur, die een scherpe reactie opstuurde naar de redactie. Na beraad besloot de redactie de reactie integraal te publiceren. Hier volgt de volledige tekst:

Guy Poppe over ‘Moord in Burundi’: een repliek

De aanval die de Belgische oud-journalist Guy Poppe inzet op mijn boek over de liquidatie van de Burundese premier Louis Rwagasore, en daarmee op mijn wetenschappelijke renommée, noopt me tot een repliek. (Zie zijn artikel van 14 september 2021, op Uitpers.be) De reden van zijn uithaal is niet ver te zoeken: in mijn boek fileer ik het boek dat hij zelf over het onderwerp in 2011 publiceerde. Een onaangename, maar noodzakelijke taak, want het rommeltje dat zijn boek is, is de enige tot vandaag gepubliceerde “studie” over het onderwerp. De academische wereld heeft zich nooit aan het onderwerp gewaagd, wat verklaart waarom de moord, 60 jaar na datum, nog steeds een etterende wonde is die de Belgisch-Burundese relaties verziekt. Poppes boek moest in mijn ‘Moord in Burundi’ dus wel de revue passeren, als op te ruimen obstakel op de weg naar het archiefonderzoek dat me sinds 2008 met tussenpozen heeft beziggehouden en voor 550 voetnoten met meer dan 600 verwijzingen naar documenten, interviews en uitweidingen ter staving van mijn analyse zorgde. Ik bekijk hieronder even Poppes boek, om nadien op zijn recensie in te gaan.

Poppe over de moord

‘De moord op Rwagasore, de Burundese Lumumba’ van Guy Poppe, inmiddels 10 jaar oud, heeft de verdienste het dossier onder de publieke aandacht te hebben gebracht. Zijn boek gaat evenwel gebukt onder fatale gebreken. De informatie waarop Poppe steunt, bestaat vooral uit een reeks notities en losse documenten van de Belgische diplomaat Jozef Smets, naast enkele documenten geplukt van het internet en documenten uit het archief van de hoogste koloniaal ambenaar van Burundi, resident Regnier. Ambassadeur Smets maakte die notities tijdens een eerder oppervlakkig onderzoek dat hij in de Afrikaanse archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken (Brussel) verrichtte, met het oog op een zending naar Burundi. Poppe beweert in zijn boek dan wel dat hij zelf onderzoek in het departement van Buitenlandse Zaken verrichtte (hij heeft het over een “monnikenwerk”, p. 11), maar niets is minder waar, zoals verklaringen van de archivaris en de agenda’s met de aanwezigheden op het archief getuigen: Poppe sprak op het departement enkele keren met ere-ambassadeur Louis De Clerck, en daar bleef het bij. Het verklaart waarom geen enkel document in Poppes boek verwijst naar een identificeerbaar archiefdossier, wat verificatie onmogelijk maakt. Het verklaart ook waarom hij documenten soms op zo’n manier weergeeft dat het niet altijd duidelijk is of het gaat om letterlijke citaten, dan wel om parafrases of syntheses (van Smets).

Afgaande op Poppes boek gebeurde het archiefonderzoek van Jozef Smets overigens erg oppervlakkig. Zo worden in zijn boek de ontwikkelingen tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan de moord op Rwagasore niet behandeld. Voor die cruciale periode, toen de confrontatie tussen de nationalistische leider en de koloniale ambtenarij naar een climax groeide, zijn noch de correspondentie tussen Brussel en de Voogdij, noch de rapporten van de koloniale Veiligheid van de Staat (Sûreté), noch de correspondentie tussen de voogdijambtenaren zelf, noch de rol van de VN – die in het voogdjgebied nochtans een centrale actor waren, met een beslissende impact op de relaties tussen België en de Burundese politieke tenoren – onderzocht. Evenmin wordt de impact van de gebeurtenissen in Congo en Rwanda op de interne Burundese politiek behandeld. (In een e-mail erkent Smets grootmoedig de beperktheden van zijn onderzoek: “mijn onderzoek was weinig professioneel en onvolledig”)

Poppe zelf verrichtte amper bijkomend onderzoek. Zelfs essentiële werken voor een goed begrip van de dekolonisatieperiode van het land die gewoon in de handel en in bibliotheken beschikbaar zijn, zoals de boeken van Joseph Gahama en Jean Ghislain, om slechts die te vermelden, werden niet geraadpleegd. Ronduit stuitend is wel dat de uitzonderlijk openhartige memoires van resident-generaal van Rwanda-Burundi Jean-Paul Harroy (gepubliceerd in 1987), met daarin confidenties over de rol van de koloniale administratie in de moord op Rwagasore, niet worden vermeld. De kranten- en tijdschriftenartikels over de moord? Poppe nam niet de moeite om ze te doorbladeren. De essentiële doctoraalscriptie van Christine Deslaurier? Allicht ontdekte Poppe het bestaan ervan in mijn boek. In de inleiding van zijn boek schrijft Poppe dat hij vlug een boek wou publiceren naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van het land, op 1 juli 2012: “Ik beperk de inhoud van dit boek grotendeels tot wat de documenten van Buitenlandse Zaken te bieden hebben. (…) Proberen om in dit boek alle andere relevante bronnen te raadplegen zou ons jaren verder brengen en de verschijningsdatum lang na de vijftigste verjaardag zowel van de aanslag als de onafhankelijkheid gelegd hebben.” De bewijskracht van Poppes boek is dus ontstellend zwak. Zijn algemeen besluit is veelzeggend: hij voelt zich “niet goed genoeg geplaatst” om aan te geven hoe groot de rol van België in de moord is. (p.247) Geen wonder dus dat het Belgische establishment met groot gemak het haastwerk van Poppe kon negeren.

Overigens verwoordde Poppe in de loop der jaren drie verschillende versies van zijn kijk op de Belgische rol rol in de moord. Een eerste versie bestaat uit enkele niet hard gemaakte vermoedens van een betrokkenheid, in zijn boek (2011). Een tweede versie kwam er twee jaar later, wanneer hij in een artikel met stelligheid een Belgische betrokkenheid ontkent. Hij schrijft daarin dat voor resident Regnier de strijd tegen Rwagasore na diens verkiezingsoverwinning “een afgesloten hoofdstuk” is en dat de topambtenarij “de bladzijde omdraait”. Een volte-face van Poppe die allicht is ingegeven door een artikel dat ik had gepubliceerd over documenten uit de Britse archieven waaruit de Belgische rol in de moord overduidelijk blijkt, en daarmee zijn boek werd onderuitgehaald. Tenslotte publiceerde hij in 2018, nadat het Burundese regime België als verantwoordelijke voor de moord aanwees (maar daarvoor geen feiten ter staving aanvoerde) een artikel waarin de betrokkenheid van de koloniale ambtenarij opnieuw als een mogelijkheid wordt opgevat. De desbetreffende artikels van Poppe zijn ‘Koning Boudewijn op de bres voor de christendemocraten’ van 4 juni 2013 en ‘België is de ware opdrachtgever van moord op prins Rwagasore’ van 16/10/2018, beide in MO*. Zijn artikel van 4 juni 2013 (dat ook verscheen in MO* n° 105, van 2013 – zie voor een gedeelte van de originele versie https://pdfslide.net/reader/f/momagazine-105) is inmiddels op de website van MO* verdwenen. Bij het artikel van 16/10/2018 staat zelfs de mededeling dat het een eerste keer op 4 juni 2013 online verscheen – wat de verdwijntruc compleet maakt maar manifest niet juist is.

Poppes boek was meer dan een slag in het water: het stond gedegen onderzoek in de weg. Na de publicatie van zijn boek heeft een gealarmeerde ambtenarij op het departement Buitenlandse Zaken immers een nieuwe ‘opkuis’ van de archieven verricht. (Al de derde opkuis! Bewijzen daarvan staan in mijn boek). Het boek van Poppe zorgde ervoor dat het geen haar scheelde of het dossier was onherstelbaar geamputeerd en rigoureus onderzoek onmogelijk gemaakt. Onderzoeksjournalist Michel Bouffioux (Paris Match), waarmee ik een tijdje rond het dossier samenwerkte, schreef me over het boek van Poppe het volgende: “Wanneer een erg polemisch dossier op ongepaste wijze, amper onderzocht en weinig geloofwaardig, met bovendien een hoop slecht gesitueerde en moeilijk begrijpelijk gemaakte gegevens wordt behandeld, dan doodt men het onderwerp… en elke polemiek… Sommigen worden zo de ‘onbewuste’ bondgenoten van diegenen die men wil aanklagen!“ Bijna werd ‘de vis in het water verdronken’ en verdween de moord op de Burundese leider voorgoed in de nevelen van de geschiedenis. Wat dus niet gebeurde, dankzij het archiefonderzoek dat ik voerde voor en na de publicatie van Poppes boek, in de periode 2008-2021, en dat totaal onafhankelijk van zijn geschriften. De research zorgde onder meer voor spectaculaire vondsten in de Britse archieven, de ontsluiting van het koloniale strafdossier en de ontdekking van verregaande confidenties van procureur des Konings Raymond Charles in zijn persoonlijk archief, en ten slotte ook de recuperatie van enkele cruciale documenten in de archieven van Buitenlandse Zaken die aan de aandacht van de censor zijn ontsnapt.

Poppes recensie

Terug nu naar de recensie van Poppe van mijn ‘Moord in Burundi’. Poppe past er het procedé toe van wat men ook in zijn boek terugvindt: citaten en parafraseringen putten uit de notities van ambassadeur Smets, aangevuld met een greep van wat ik in de archieven heb opgediept. Ik focus hier op één centraal punt, namelijk dat hij stelt dat ik mordicus de Belgische schuld wil aantonen. Zo stelt hij dus het wetenschappelijke sérieux van mijn boek in vraag. Hij beweert dat ik geen melding maak van een document uit het archief van resident van Burundi Roberto Regnier met richtlijnen voor zijn medewerkers waarin een samenwerking met de zegevierende Burundese leider wordt opgelegd: ”Merkwaardig dat De Witte, die toegang had tot het archief van Regnier, dat hij als een van zijn bronnen aangeeft, daarvan geen gewag maakt. Alsof er niets een schaduw mag werpen op zijn onwrikbare stellingen.” Maar ik bespreek wel degelijk die nota, op bladzijde 200 van ‘Moord in Burundi’! Het zou me te ver leiden om hier die nota die past in het pleidooi pro domo van Regnier, uitgebreid te analyseren. Toch dit. Regnier werd op het voogdijproces over de moord op de nationalistische leider door een getuige ervan beschuldigd de moord te hebben aanbevolen. Waarop Regnier meineed pleegde door in de rechtbank te stellen dat hij in geen geval de moord op Rwagasore als een bevredigende oplossing had verdedigd. Meineed, want kort nadien gaf hij tegenover de procureur des Konings van Brussel, in de beslotenheid van een Brussels kantoor, toe dat hij wel degelijk tegenover medewerkers de moord als een dwingend bevel had verwoord.

Regnier gebruikte die nota die moet doen geloven dat hij zijn medewerkers samenwerking met de kersverse Burundese premier beval noch op het proces, noch tegenover de Brusselse procureur des Konings. Van die nota of van andere richtlijnen aan de ambtenarij die steeds werden opgenomen in de verslagen van de bijeenkomsten van de topambtenaren is overigens geen spoor terug te vinden in de archieven van Buitenlandse Zaken. Regnier zelf, zo leert ons zijn archief, bezorgde naar eigen zeggen de nota pas drie weken nadat hij hem zou hebben geschreven aan algemeen resident Harroy (die het gehele voogdijgebied Rwanda-Burundi overzag); dus pas op een moment dat de Burundese oppositie tegen Rwagasore al enkele mislukte moordpogingen had ondernomen en een terreurcampagne tegen zijn aanhangers had opgezet. De nota die de familie-Regnier aan Poppe bezorgde en waarmee hij vandaag zwaait om mijn reputatie onderuit te halen moest de resident dus van elke rol in de moord vrijpleiten, als een document ‘for the record’ waarmee hij zich zo nodig zou kunnen indekken.

Als Poppe een beetje opzoekingswerk had verricht, dan had hij vastgesteld dat resident Regnier, schuldig aan meineed, geen betrouwbare bron in deze is. In de weken en maanden na de moord diste hij drie verschillende versies van zijn rol in de moord op, naargelang wie hij voor zich had: ontkenning van een hand in de moord op het voogdijproces in april 1962; bekentenissen afgelegd in het geheim gebleven onderzoek van de Brusselse procureur des Konings, eind juni 1962; en een opsomming van alle mogelijke houdingen tegenover de verkiezingsoverwinning van Rwagasore, waaronder de optie van de liquidatie van de man, maar uiteindelijk, als besluit van de vergadering, een pleidooi om met de man samen te werken, in een interview met de krant Le Soir, eind november 1962. Geen wonder dat Roberto Regnier op de Burundese radio ‘l’homme triplex’ werd genoemd…

Op die manier speelt Guy Poppe natuurlijk in de kaart van die elementen in het establishment die een opening van zaken in deze afwijzen. Want de klokkenluider wordt verdacht gemaakt, en is er tenslotte niet altijd vuur waar ook rook is? Het is de trieste saga van een man die als VRT-journalist verdienstelijk werk heeft geleverd, maar nu al acht jaar, sinds ik bezwarende documenten uit de Britse archieven heb gepubliceerd, hardnekkig vasthoudt aan onwetenschappelijke procedés en ondermaatse beschuldigingen, om toch maar het gedateerde karakter van zijn boek onder de mat te vegen. Ter staving van wat ik hierboven schrijf, en voor veel meer, verwijs ik naar mijn boek.

Ludo De Witte

Auteur van onder meer ‘De moord op Lumumba’ (1999), ‘Huurlingen, geheim agenten en diplomaten’ (2014) en ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op. Het kapitalisme versus de aarde’ (2017).

Post Scriptum:

De redactie is niet gelukkig met de publicatie van deze reactie, een “recht op antwoord”. Het is niet haar taak partij te kiezen in een ruzie tussen twee van haar auteurs. Ze betreurt de harde en scherpe woorden die zijn gebruikt, die ook schade kunnen toebrengen aan het imago van de auteurs zelf. Een ruzie moet normalerwijs niet in de kommen van Uitpers worden uitgevochten.

Hiermee sluit Uitpers het incident af.

Paul Vanden Bavière

Verantwoordelijke uitgever

(Visited 350 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 357 Times, 3 Visits today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook