Sahrawi’s wachten op Godot… en op Ban Ki-Moon, Bush, Sarkozy en Zapatero

De hele wereld lijkt aan collectief geheugenverlies te lijden. In Noord-Afrika ligt de Westelijke Sahara, een land dat al sinds 1965 als ‘te dekoloniseren gebied’ op de agenda van de Verenigde Naties staat ingeschreven. Sinds 1975 is deze voormalige Spaanse kolonie bezet door het koninkrijk Marokko. Nauwelijks één krantenredactie, internationaal persagentschap of gerenommeerde televisiezender – tenzij in het voormalige koloniale ‘moederland’ Spanje – lijkt geïnteresseerd in het lot en de toekomst van de enkele honderdduizenden Sahrawi’s.

Op 18 en 19 juni laatstleden ging onder VN-auspiciën in Manhasset – in de buurt van New York – een zoveelste onderhandelingsronde over de Westelijke Sahara van start. Onder haast unanieme internationale onverschilligheid. Ook de genadeloze repressie van het Marokkaanse regime tegen de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Sahara gaat onverwijld voort, uit het zicht van persfotografen en tv-camera’s. De Marokkaanse monarchie duldt geen pottenkijkers in haar achtertuin.

Nochtans is het sinds 1999 in deze voormalige Spaanse kolonie nauwelijks een week rustig geweest. 1999 was een cruciaal jaar voor Marokko en voor de bezette Westelijke Sahara. Op 23 juli van dat jaar overleed de Marokkaanse koning Hassan II – de man die in 1975 de ‘Groene Mars’ had georganiseerd, een optocht van driehonderdduizend (vooral haveloze) Marokkanen naar het door Spanje gekoloniseerde buurland, de Westelijke Sahara. Deze mars werd de voorbode van de militaire bezetting van het belangrijkste en grondstoffenrijkste deel van de Spaanse kolonie. De meerderheid van de bevolking werd met napalmbombardementen op de vlucht gejaagd. De meeste Sahrawi’s vonden een onderkomen in vier vluchtelingenkampen in de buurt van de Algerijnse woestijnstad Tindouf. Het andere deel van de Westelijke Sahara werd door Mauritanië ingepalmd. Maar dat was buiten de Saharaanse bevrijdingsbeweging Polisario gerekend. Het Polisariofront voerde sinds 1973 de strijd tegen de Spaanse koloniale aanwezigheid en voor de onafhankelijkheid en bleek over erg efficiënte guerrillastrijders te beschikken. In 1978 moest het Mauritaanse leger de duimen leggen en in 1979 ondertekenden het bewind in Nouakchott en het Polisariofront een vredesakkoord. Voor Hassan II het geschikte moment om een deel van de Mauritaanse zone van de Westelijke Sahara te bezetten en zich stilaan in te graven in de woestijn.

Muren bouwen…

Met de financiële steun van de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië en de technologische knowhow van de staat Israël, liet Hassan II dwars door de Sahara een soort ‘Atlantikwall’ bouwen. In 1987 was het laatste stuk van deze immense verdedigingsmuur klaar. Achter deze meer dan tweeduizend zevenhonderd kilometer lange ‘onneembare’ verdedigingslinie werden 120.000 Marokkaanse militairen gestationeerd. Marokko controleerde dankzij de steun van zijn ‘geallieerden’ zowat zeven achtste van het grondgebied, waar zich de belangrijkste fosfaatmijnen bevinden (en vermoedelijk belangrijke petroleum- en gasvoorraden) en de hele kustlijn (de Westelijke Sahara heeft een van de meest visrijke kustwateren ter wereld). In deze Marokkaanse zone werden meer dan 100.000 Marokkaanse kolonisten gevestigd. En jarenlang liet de rechterhand van koning Hassan II, minister van Binnenlandse Zaken, Driss Basri, het gebied met ijzeren hand besturen. Duizenden Sahrawi’s kwamen in de gevangenis terecht, om en bij de vijfhonderd onder hen zouden gewoon van de aardbodem verdwijnen. Internationale mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International bleven jaarlijks alarmerende rapporten publiceren over de Westelijke Sahara en het bikkelharde Marokkaanse koloniale bestuur. De rest van de wereld keek de andere kant op. De ‘woestijnoorlog’ tussen het Marokkaanse leger en de guerrilla van het Polisariofront flakkerde regelmatig weer op. De Sahrawi strijders bleven af en toe rake klappen uitdelen – ondanks het Marokkaanse militaire overwicht en de ‘verdedigingsmuur’. In 1991 sloten beide partijen een staakt-het-vuren. De Verenigde Naties namen eindelijk het Saharadossier ter hand en in 1992 werd er een vredesregeling uitgewerkt: de VN zouden hetzelfde jaar nog een referendum organiseren, waarin de oorspronkelijke bevolking zich zou kunnen uitspreken over onafhankelijkheid en zelfbeschikkingsrecht of aansluiting bij Marokko. Met de steun van de Verenigde Staten en Frankrijk, de ‘neutraliteit’ van de voormalige koloniale heerser, Spanje; en de bereidwillige medewerking van drie opeenvolgende secretarissen-generaal van de VN (Javier Pérez de Cuéllar (1), Boutros Boutros Ghali en Kofi Annan) kon Rabat het VN-vredesplan en de organisatie van een referendum tot op de dag van vandaag beletten.

Taai agendapunt

Toch slaagde de Marokkaanse monarchie er nooit in het dossier van de Westelijke Sahara volledig van de agenda te laten verwijderen. De door het Polisariofront bestuurde Democratische Arabische Republiek Sahara zetelt nog steeds in de Afrikaanse Unie (de vroegere Organisatie voor Afrikaanse Eenheid) en is nog steeds erkend door 50 landen. (2) En vooral, sinds 1999 is de Sahrawi-bevolking die onder rechtstreekse Marokkaanse militaire bezetting leeft, openlijk in verzet gegaan. De dood van Hassan II op 23 juli 1999 bracht een en ander in een stroomversnelling. In september 1999 brak een massale opstand uit in de bezette gebieden. De beweging was op de eerste plaats gericht tegen de systematische onderdrukking en achterstelling van de Sahrawi’s. De plaatselijke bevolking pikte de onophoudelijke repressie van het Marokkaanse leger en politie niet langer en kwam openlijk in opstand tegen het symbool van het Marokkaanse kolonialisme, ‘Monsieur Sahara’ of Driss Basri, de sterke man achter de koning. Op 9 november 1999 werd Basri door de nieuwe koning Mohammed VI bedankt voor bewezen diensten. Inmiddels waren er in de belangrijkste steden van het gebied El Aïoun, Smara en Dakhla tal van doden en gewonden gevallen en raakten de gevangenissen weer vol met ‘Sahrawi dissidenten’. De verdwijning van Driss Basri zorgde voor de terugkeer van een relatieve rust. Maar het Sahrawi verzet bleef smeulen om in 2005 weer in alle hevigheid los te barsten. De Sahrawi’s noemen hun protestbeweging overigens ‘Intifada’. Wekelijks zijn er sindsdien betogingen in de steden van de Westelijke Sahara. Ook de Sahrawi’s in het zuiden van Marokko roeren zich en aan de Marokkaanse universiteiten laten de Sahrawi-studenten van zich horen met sit-ins en andere protestacties. Het belangrijkste verschil met vroeger is dat de Sahrawi’s hun eisen niet langer beperken tot een betere en menswaardige behandeling door het Marokkaanse koloniale bestuur of minder discriminatie en achterstelling. De betogers eisen nationale onafhankelijkheid en de vlaggen van de onafhankelijkheidsbeweging Polisario zijn prominent aanwezig. Het antwoord van de Marokkaanse overheid is steeds hetzelfde: betogingen worden uiteengeknuppeld, opposanten worden bij bosjes van straat geplukt, tientallen en tientallen processen worden op een drafje afgehandeld door Marokkaanse rechters die zware straffen blijven uitspreken. En nog steeds verdwijnen er Sahrawi’s – zij het dat koning Mohammed VI iets minder massaal de geliefde praktijken van zijn vader voortzet. De rapporten over de Westelijke Sahara van internationale en Marokkaanse mensenrechtenorganisaties blijven er niet minder alarmerend om.

Too late, too little…

Mohammed VI beseft dat een politiek initiatief best niet te lang uitblijft. Maar zoals zo vaak bij koloniale bezettingen is de reactie van de koloniale heerser ‘too late’ en ‘too little’. Meer dan een verregaande autonomie voor de Sahrawi’s heeft het koningshuis niet achter de hand. Op 25 maart 2006 benoemt de koning de ‘Conseil royal consultatif pour les Affaires sahariennes’ (CORCAS of Koninklijke Consultatieve Raad voor Saharaanse Aangelegenheden). De raad wordt voorgezeten door een Sahrawi met nauwe banden met het koninklijke paleis. Khalihenna Ould Errachid is een man met een meer dan dubieuze loopbaan. Hij is geboren in 1951 in een vooraanstaande familie van de Reguibatstam, die haar tenten had opgeslagen niet ver van de koloniale (en huidige) hoofdstad El Aïoun. Vader Ould Errachid sluit zich in 1957 aan bij de gewapende antikoloniale opstand van het Armée de Libération du Sud, dat al snel nagenoeg heel het grondgebied van de Westelijke Sahara zal veroveren (op de hoofdstad El Aïoun en de kuststad Dakhla na). De Spaanse en Franse koloniale legers slaan de handen in elkaar en in 1958 wordt de opstand verpletterd. Het kamp van de stam van de familie Ould Errachid wordt gebombardeerd en de familie wordt zowat over heel de woestijn verspreid. Een deel van de stam – daaronder de familie van de latere oprichter van het Polisariofront Mustapha Sayed el-Ouali – vlucht naar het zuiden van het onafhankelijke Marokko. Khalihenna Ould Errachid komt terecht in het Spaanse onderwijs, vertoeft een tijdje in de kringen van de clandestiene antikoloniale beweging. Maar bij de oprichting van het onafhankelijkheidsfront Polisario op 10 mei 1973 heeft hij definitief voor het ‘andere’ kamp gekozen. Het franquistische Spaanse koloniale bestuur richt een eigen partij op, die het land op een pro-Spaanse, neokolonialistische koers moet zetten. De franquisten benoemen Khalihenna Ould Errachid tot leider van hun Sahrawi partij, de PUNS (Partij van de Nationale Eenheid van de Sahrawi’s). De partij zal later door het Polisariofront politiek van de kaart worden geveegd. Bij de bezetting van de Westelijke Sahara in 1975 door de troepen van Hassan II loopt Khalihenna Ould Errachid probleemloos over naar het kamp van de voorstanders van de ‘Marokkaniteit’ van de Westelijke Sahara. Hij zweert de eed van trouw aan koning Hassan II, noemt het Polisariofront een ‘communistische organisatie’ en wordt nauwelijks twee jaar later het jongste lid van een Marokkaanse regering sinds de onafhankelijkheid. Hij is dan 28 jaar en wordt staatssecretaris voor Saharaanse aangelegenheden. Later wordt hij volwaardig minister en vice-burgemeester van El Aïoun. Begin van de jaren negentig komt hij in aanvaring met de echte sterke man in Westelijke Sahara, Driss Basri. Hij verdwijnt een tijdje van het politieke toneel, heeft de tijd om zich een behoorlijk fortuin bijeen te rapen (waarvan niemand de precieze oorsprong lijkt te kennen) om uiteindelijk als ‘kampioen van de Saharaanse autonomie’ opnieuw te worden opgevist door koning Mohammed VI. Maar zelfs een Sahrawi ‘notabele’ als Ould Errachid slaagt er niet in de harten van de Sahrawi’s te winnen.

Marokkaanse lobby

Sinds de troonsbestijging van Mohammed VI in 1999 heeft de Marokkaanse diplomatie bijzonder actief lobbywerk verricht om een referendum over de onafhankelijkheid van de voormalige Spaanse kolonie te dwarsbomen en de internationale gemeenschap te doen instemmen met Mohammeds plannen voor ‘autonomie van de Westelijke Sahara’. Voor het Polisariofront zijn de Marokkaanse autonomievoorstellen onaanvaardbaar. En ook de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties blijven zich uitspreken voor de eerbiediging van het recht op zelfbeschikking van de Sahrawi’s. Elk diplomatiek initiatief van de Verenigde Naties om de door Marokko geschapen impasse te doorbreken, mislukt. In 1997 slaagt de speciale VN-gezant voor de Westelijke Sahara, de voormalige Amerikaanse republikeinse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, erin beide partijen opnieuw aan de onderhandelingstafel te krijgen, wat uitmondt in de akkoorden van Houston. Even lijkt her erop dat het zo lang verwachte referendum over zelfbeschikking er uiteindelijk toch zal komen. Maar de Marokkaanse lobby lijkt sterker dan de verzamelde VN. Het dossier blijft aanslepen, Baker sukkelt van de ene missie naar de andere. En in april 2006 slaagt VN-secretaris-generaal Kofi Annan er (op het einde van zijn ambtstermijn) ei zo na in de Marokkaanse autonomieplannen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te laten goedkeuren. Het tij wordt slechts in extremis gekeerd – ook het Polisariofront beschikt over uitstekende diplomaten – en het dekolonisatiedossier Westelijke Sahara staat terug bij af, terug bij de voorstellen van James Baker, terug bij het VN-vredesvoorstel van 1992.

Inmiddels is Kofi Annan sinds 13 oktober 2006 aan het hoofd van de VN vervangen door de Zuid-Koreaan (en kandidaat van de regering George W. Bush) Ban Ki-Moon. Onmiddellijk kwam de Marokkaanse diplomatieke machine weer op gang om de nieuwe VN-secretaris-generaal en zijn entourage te bewerken. Want het Saharadossier zou onvermijdelijk en vrij snel weer op de VN-agenda belanden. In april 2007 zou de Veiligheidsraad zich opnieuw over de kwestie buigen. Voor de Marokkaanse lobby was er dus werk op de plank.

‘Terrorisme en immigratie’

Twee thema’s werden hierbij voor de gelegenheid handig bespeeld: Marokko als rots in de branding in de strijd tegen het internationale terrorisme en als ultieme dam tegen de clandestiene immigratie naar Europa. Toevallig twee onderwerpen die de Europese regeringen (ongeacht of ze nu geleid worden door rechtse of sociaal-democratische partijen) na aan het hart liggen. Zo maakte de Britse krant The Guardian op 13 maart gewag van de tournee van een hoge Marokkaanse delegatie die na Washington ook de belangrijkste Europee hoofdsteden aandeed. (3) Het Marokkaanse koninklijke paleis stuurde voor de gelegenheid zijn minister van Binnenlandse Zaken, Chakib Benmoussa, en vice-minister van Buitenlandse Zaken, Taib Fassi-Fihri, op pad. In Londen hadden de Marokkanen een onderhoud met de Britse minister van Binnenlandse Zaken John Reed en zijn collega van Buitenlandse Zaken Margaret Beckett. Benmoussa en Fassi-Frihi pleitten er voor het Marokkaanse autonomieplan voor de Westelijke Sahara. In de bewoordingen van Chakib Benmoussa is de Westelijke Sahara “een enorm, uiterst dun bevolkt gebied, waar slechts een ‘low level’-controle mogelijk is. Er worden in dit gebied een hele reeks illegale operaties uitgevoerd – drugstrafiek, mensenhandel, terroristische groepen. Marokko is een bolwerk ter verdediging van Europa,” aldus de Marokkaanse excellentie. Zijn collega Taib Fassi-Fihri voegde er in Londen in één adem aan toe dat: “de Europese regeringen steeds gevoeliger worden voor de band die er bestaat tussen de Westelijke Sahara en de terroristische dreiging die uitgaat van de Maghreb. We worden allen geconfronteerd met de uitdagingen van een radicalisering en van Al Qaida en het zou uiterst nuttig zijn voor iedereen dat het probleem van de Westelijke Sahara wordt opgelost.” De Marokkaanse diplomaten drukten hun Europese gesprekspartners tegelijk op het hart dat de regeling van het Saharadossier (volgens Marokkaans recept uiteraard) zou bijdragen tot meer stabiliteit in de regio en tot een normalisatie van de betrekkingen tussen Marokko en Algerije – twee landen die de jongste tijd af te rekenen hebben met een opstoot van terroristische activiteiten, die worden opgeëist door bewegingen die openlijk prat gaan op hun banden met ‘Al Qaeda’ (zoals de schimmige Algerijnse ‘Groupe salafiste pour la Prédication et le Combat’ (GSPC), die na een reeks uiterst bloedige aanslagen in het centrum van Algiers op 11 april jongstleden plots herdoopt leek te zijn tot ‘Al Qaida van de islamitische Maghreb’).

In de weken voor het nieuwe debat over de Westelijke Sahara in de VN-Veiligheidsraad op 13 april 2007 was de Marokkaanse diplomatie ook erg actief op een ander front. Op 30 mei berichte de Israëlische krant Maariv over het bezoek van een hoge Marokkaanse diplomatieke missie aan Israël. Volgens de krant had “Marokko een delegatie naar Israël gestuurd met het verzoek aan de joodse lobby in Washington om meer druk uit te oefenen op de Amerikaanse president George W. Bush die een te weifelende houding aanneemt om de Marokkaanse positie in de Westelijke Sahara voluit te steunen.”

Maariv meldde voorts dat de Israëlische lobby in de VS erin geslaagd was 169 handtekeningen van Amerikaanse Congresleden te verzamelen onder een brief, die aan George Bush was gericht met daarin de vraag om het Marokkaanse autonomieplan voor de Westelijke Sahara te steunen.

‘Fort Europa’

De Marokkaanse diplomatie speelt niet alleen handig in op de terreurpsychose in de Westerse wereld. Marokko stelt zich ook graag voor als de behoeder van het ‘Fort Europa’ tegen de ‘illegale immigratie’ vanuit Afrika. De voorbije jaren trachtten tienduizenden jonge Afrikanen (onder hen een behoorlijk percentage Marokkanen) te ontkomen aan de armoede en de werkloosheid en wagen ze de vlucht naar het ‘paradijs Europa’. De Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in het Noorden van Marokko en de Spaanse Canarische Eilanden zijn voor deze ‘illegale’ immigranten de toegangspoort tot Europa. De voorbije tien jaar zijn volgens officiële Spaanse statistieken 6.500 vluchtelingen dood aangetroffen voor de Spaanse kusten. Het aantal migranten dat in werkelijkheid is omgekomen in de golven van de Atlantische Oceaan of de Straat van Gibraltar durft niemand te ramen. Voor een land als Spanje – de toegangspoort tot het ‘Fort Europa’ – is de illegale immigratie een zaak van opperst staatsbelang en van stoere politieke demagogie. In 2004 meldde Madrid 55.000 pogingen tot ‘illegale immigratie’ op zijn grondgebied. In 2005 waren het er nog 12.000. Voor de Marokkaanse overheid is dit een geschenk uit de hemel. Rabat kan Spanje en de overige Europese staten moeiteloos overtuigen van zijn belangrijke rol als dam tegen deze ‘vloedgolf van illegalen’. In 2005 keerde de Europese Unie Marokko een bedrag uit van 40 miljoen euro voor de strijd tegen de illegale immigratie. In 2006 kwam daar nog eens 67 miljoen euro bovenop. Mensenrechtenorganisaties in Marokko en Europa maken zich ernstig zorgen over de manier waarop de Marokkaanse overheid (met Europese hulp) de ‘vluchtelingenstroom’ te lijf gaat. Het is een courante praktijk van de Marokkaanse politie om hele groepen Afrikaanse vluchtelingen in de Sahara te dumpen en aan hun lot over te laten. Met de regelmaat van de klok moeten patrouilles van het Polisariofront zich ontfermen over ‘illegalen’ die door de Marokkaanse politie de woestijn zijn ingestuurd, half dood van ontbering of hun weg moeizaam voortzettend temidden van de mijnenvelden. (4)

Een as Rabat-Parijs-Madrid

De Spaanse socialistische regering van premier José Zapatero en zijn minister van Buitenlandse Zaken (en voormalig Europees Commissaris), Miguel Angel Moratinos, lijken de harde Marokkaanse aanpak van de kandidaat-immigranten alvast naar waarde te schatten. Begin maart 2007 was Zapatero te gast bij zijn Marokkaanse ambtgenoot Driss Jettou. Tijdens een gemeenschappelijke persconferentie op 8 maart in Rabat verklaarde de Spaanse premier dat “het Marokkaanse voorstel voor een ruime autonomie voor de Westelijke Sahara de basis vormt voor de hervatting van de dialoog tussen de beide partijen (Marokko en het Polisariofront) binnen het raamwerk van de Verenigde Naties”. Nog nooit had een Spaanse regeringsleider sinds 1975 een zo openlijk pro-Marokkaans standpunt ingenomen. Voor de Sahrawi’s is dat uiterst slecht nieuws. Het betekent dat Rabat voortaan over twee zeer belangrijke steunpilaren beschikt binnen de Europese Unie: Madrid en Parijs. Van de voormalige Franse president Jacques Chirac was bekend dat hij een onvoorwaardelijke steun en toeverlaat was voor het koninklijk paleis in Rabat. Chiracs opvolger, Nicolas Sarkozy, is al een even goede vriend van Marokko. Als minister van Binnenlandse Zaken deed Sarkozy verscheidene keren Marokko aan om er de “problemen van terrorisme en immigratie” te bespreken. In een interview met het weekblad Jeune Afrique (5 november 2006), vlak voor de start van zijn campagne voor de presidentsverkiezingen, liet Sarkozy er weinig twijfel over bestaan: “Frankrijk moet de vriend van Marokko zijn, waar koning Mohammed VI opmerkelijk werk heeft geleverd.”

De Sahrawi’s – in hun vluchtelingenkampen in de woestijn of onder de Marokkaanse militaire knoet in El Aïoun, Smara en Dakhla – wachten al meer dan dertig jaar op enige gerechtigheid. Marokko kan nog steeds rekenen op zeer machtige bondgenoten. En het is zeer de vraag of de nieuwe secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-Moon, voor hen meer in petto heeft dan zijn voorgangers. In april stelden Ban Ki-Moon en zijn bijzondere gezant, de Nederlander Peter van Walsum, een nieuw rapport over de Westelijke Sahara voor aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dat leidde op 30 april tot een formele stemming over resolutie 1754. Het enige lichtpunt in deze tekst was dat de VN vasthouden aan het zelfbeschikkingsrecht van het Sahrawi volk en dat er een nieuwe onderhandelingsronde tussen Marokko en het Polisariofront in het vooruitzicht werd gesteld. Die onderhandelingen gingen van start op 18 juni in Manhasset, waar al onmiddellijk bleek dat Rabat nog steeds niet wil weten van een referendum over nationale onafhankelijkheid en zelfbeschikking, zoals de VN dat nu al sinds 1992 vooropstellen. De onderhandelingen in Manhasset werden na twee dagen al opgeschort en uitgesteld tot augustus. De Sahrawi’s kunnen opnieuw wachten… Op wie? Op Godot? Of op Ban Ki-Moon, Sarkozy en Zapatero?


(Uitpers, nr 88, 8ste jg., juli-augustus 2007)

(1) VN-secretaris-generaal Javier Pérez de Cuéllar zou na het einde van zijn ambtstermijn in 1991 zelfs openlijk beloond worden voor zijn pro-Marokkaanse houding: hij werd door Hassan II benoemd in de raad van beheer van L’Omnium Nord-Africain, de grootste Marokkaanse holding die door het paleis wordt gedomineerd.

(2) De Democratische Arabische Republiek Sahara (DARS) werd in 1976 opgericht door het Polisariofront. In het totaal hebben 79 landen de DARS ooit erkend. Onder druk van de Marokkaanse lobby hebben 18 landen hun erkenning inmiddels weer ingetrokken. 10 andere landen hebben hun diplomatieke betrekkingen met de DARS bevroren (in afwachting van een definitieve regeling na de organisatie van het VN-referendum). Het enige Europese land dat de DARS erkende, Joegoslavië, bestaat inmiddels niet meer. (www.wsahara.net).

(3) Simon Tisdall, ‘Morocco Plays On Terror Fears In Sahara Peace Bid,’ The Guardian, 13 maart, 2007.

(4) Simon Conway, ‘Migrants Made To Cross Sahara Army Minefield’, The Guardian, 23 oktober 2005.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 77 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook