Saddam, Hollywood-schurk in olietuin van Eden

Wie de jongste maanden niets las/hoorde/zag over Irak en Saddam Hoessein, heeft geen krant opengeslagen, geen radio beluisterd, geen televisie gekeken. Er was niet aan te ontsnappen. En hoe ziet nu het beeld er uit dat ons van Irak en zijn president wordt voorgeschoteld?

Stellen de media Irak voor als het land van ‘het paradijs’, de tuin van Eden? Een land waarvan we het rijke historisch erfgoed – zesduizend jaar geleden de bakermat van onze beschaving – moeten beschermen? Zien we de Irakezen als een ‘beschaafd’ volk (22 miljoen zielen, waarvan 5 miljoen Koerden)? Vernemen we iets over Irakezen in België? Is de president van het land een gedreven man die dankzij de nationalisering van de Iraakse olieputten, de ‘grandeur’ uit de tijd van de hangende tuinen van Babylon, deed herleven? Is dat ons beeld?Beginnen doen we met een kijk op de Amerikaanse belangen en de Amerikaanse media die ook de Belgische mediamarkt ‘bevoorraden’.

Vervolgens overlopen we de Belgisch/Europese beeldvorming, aan de hand van citaten uit en commentaren op artikels en reportages van/uit onder andere CNN, VRT, RTBF, De Standaard, De Morgen, Le Soir, La Dernière Heure, Knack, Solidair, Indymedia, Uitpers …Tot slot proberen we enkele conclusies te trekken.

Amerikaanse belangen én de oorlog om Irak/n …

Reeds maanden is er sprake van een Amerikaanse aanval op Irak. Volgens De Morgen van 28 oktober is het echter nog steeds niet zeker dat de VS zullen aanvallen: “Amerikaanse oorlogsplannen op losse schroeven” titelde de krant. Er zijn nogal wat elementen die Bush/Cheney kunnen dwingen zich te ‘beperken’ tot bv. zware bombardementen zoals in 1998 toen Amerikanen en Britten op vier dagen tijd (‘Desert Fox’) twee maal meer bommen op Irak gooiden dan tijdens de vijf weken van de Golfoorlog. En ook nadien waren er herhaaldelijk moordende bommenraids. Vandaar dat sommigen stellen dat de oorlog om Irak al lang bezig is.

Binnen- en buitenlandse weerstand

Als belangrijkste ‘elementen’ die Bush/Cheney tegenwerken vermeldde De Morgen: de internationale weerstand tegen de oorlog plus die bij de Amerikaanse bevolking (een kwart miljoen Amerikanen betoogden eind oktober tegen de oorlog; nooit voordien was er zoveel Amerikaans protest nog voor een oorlog begon), alsook de door The New York Times onthulde, hoge kosten van de oorlog. Een rapport daarover werd naar verluidt gelekt door de staf van de Amerikaanse strijdkrachten die de oorlog niet zou zien zitten.

En er zijn nog elementen die Bush/Cheney kunnen doen inbinden. Hoe zullen de Arabische landen reageren ? Doet een aanval op Irak het terrorisme wereldwijd exploderen (iets wat je eind oktober kon horen in reportages van o.a. Lichtpunt en ‘2 Vandaag’) ? Zijn de Verenigde Staten bereid om wegens hun oliebelangen een “botsing der beschavingen te ontketenen” vroeg Bart Sturtewagen in De Standaard van 7 oktober.

Tegenover al de argumenten contra, staat echter een enorme ‘pro’: de Iraakse oliereserves; op één na de grootste ter wereld. Een deel van het Amerikaanse establishment heeft er alles voor over – en zal ook zware druk uitoefenen op andere landen om mee te werken – om de Iraakse en als het even kan ook de Iraanse olie, onder Amerikaanse controle te brengen. Dat schreef De Morgen op 28/10 ook.

Nog in De Morgen (21/9) gaf Peter Vanden Houte, hoofdeconoom van de BBL, een ‘ruimere’ motivatie voor een oorlog: het opkrikken van de slabakkende westerse economie. “Hoe onmenselijk het ook moge klinken: voor de wereldeconomie is ‘een heel klein beetje oorlog’ de beste oplossing. Een oorlog met ‘gunstige’ afloop betekent lagere olieprijzen, lagere rente en hogere beurskoersen.” Marxisten die vaak bespot worden (zoals in De Standaard der Letteren van 29/10 door Leo De Haes) voor hun visie dat kapitalisme tot oorlog leidt, krijgen hier hun gelijk vanwege een vooraanstaand Belgische bankdienaar.

Merkwaardig is nog dat ondanks het feit dat het een publiek geheim is dat het de Amerikanen om de olie te doen is, er door de media zelden uitgebreid geïnformeerd wordt over hoe het precies zit met de Iraakse oliebronnen. Le Soir bracht daarover op 8 oktober een vrij zeldzaam artikel, getiteld “L’or noir irakien attire les orfèvres américains.” Bijgaand ook een kaartje van heel de Golfregio met de diverse olie-producerende landen.

Verdeeldheid over het ‘nut’ van de oorlog

Iets wat verwonderlijk genoeg ook in onze beperkte linkse pers ontbreekt, is een analyse van de tegenstrijdige belangen binnen de Amerikaanse economie. In de ‘kritische’ pers horen we wel steeds over de belangen van de oliemultinationals (door de oorlogsdreiging steeg de prijs van de olie en dus hun winst) én de wapenindustrie (Lockheed Martin, Boeing, Raytheon …). Zij lijken de regering Bush/Cheney in hun zak te hebben. Maar daarmee is niet het hele verhaal verteld.

Worden door een aanval op Irak bijvoorbeeld niet gediend: de internationale toeristische industrie en de luchtvaartsector die beide door een nieuwe oorlog (en bijhorende terreurdreiging) een zware terugslag zullen krijgen. Ook producenten van luxeconsumptiegoederen zullen een nieuwe oorlog – met daling in de verkoop van hun producten – niet genegen zijn.

Dat Bush & Cheney ook met deze belangen rekening moeten houden, wordt zelden vermeld. De media focussen vooral op het politieke ‘toneel’. Dat leidt tot vragen in het soort van die van Misjoe Verleyen in Knack van 2/10. “Het pokerspel in Washington is niet makkelijk te duiden. De havikken lijken te staan tegenover de gematigde Colin Powell. Spelen ze ‘good cop – bad cop’ of is er verdeeldheid in de Amerikaanse regering ?”

Het antwoord ? Tweemaal ‘ja’. Tuurlijk wordt er een spel gespeeld, maar anderzijds is er effectief zowel in de politiek als in de economie verdeeldheid. Een volgende vraag luidt dan: in welke mate wordt de verdeeldheid in het Amerikaanse establishment, weerspiegeld in de media?

Kritiek blijft mogelijk, maar …

Om de belangen achter de berichtgeving over Irak in de Amerikaanse media te kunnen blootleggen, zou je een analyse moeten maken van de eigendomsstructuur en commerciële relaties van die media. Zoiets vergt een studie op zich. Noteren we wel dat één van de belangrijkste Amerikaanse omroepen, NBC, eigendom is van ‘General Electric’, dat niet alleen massa’s elektronische apparatuur produceert maar ook wapens.

De tegenstrijdige belangen binnen de ‘bedrijfswereld’, kunnen helpen verklaren waarom bv. de kritische uitlatingen van Scott Ritter veel weerklank vonden. Ritter, een ex-inlichtingenofficier van de VS-Marine die als wapeninspecteur door Saddam als de meest ‘provocatieve’ werd omschreven, kloeg zomer 02 in Amerikaanse (o.a. CNN) en Europese (o.a. The Guardian) media het Amerikaans bedrog over Irak aan. Hij noemde de ‘inspecties een ‘farce’ en onthulde dat informatie over Irak doorgegeven werd aan Israël.

Volgens Ritter was Iraks wapenarsenaal eind 1998 zo goed als vernietigd. “Aanval op Irak is schending Amerikaanse grondwet” titelde De Standaard op 9 oktober boven een vertaald opinie-artikel van Ritter. Ritter stelde o.a. dat “de nieuwe Bush-doctrine van Amerikaans unilateralisme, ruikt naar imperiale macht, precies de macht waartegen de Amerikanen meer dan 200 jaar geleden een revolutie hebben uitgevochten.”

Ritter die zich zelf ‘geen pacifist’ noemt en die voor Bush’ presidentsverkiezing stemde, was deze zomer één van de luidst klinkende dissidente Amerikaanse stemmen.

Maar ook één van de weinige want er bestaat zoiets als een ideologische consensus binnen de Amerikaanse massamedia die voorrang geeft aan ‘het nationale belang’, in dit geval de verzekering voor de VS-economie van enkele decennia van goedkope, gediversifieerde energievoorziening.

Daar tegen ingaan, is voor vele media blijkbaar niet mogelijk. De Amerikaanse media-activisten van FAIR (Fairness & Accuracy in Reporting) kloegen al herhaaldelijk aan, dat grote vedesbetogingen in en buiten de V.S. (die van 0.000 mensen in Londen begin oktober bv.) door de Amerikaanse media niet of nauwelijks in beeld gebracht werden.

De mechanismen van journalistieke horigheid

In Le Soir (9/10) verklaarde Lewis Lapham, hoofdredacteur van het maandblad ‘Harpers’ Magazine’ in een interview, dat er een niet te verwaarlozen binnenlandse dissidentie is in de V.S., “mais elle ne reçoit pas de publicité". Harper gaf het voorbeeld van een belangrijke betoging tegen de oorlog in Central Park: de New York Times wijdde daar maar een paar paragrafen aan en dan nog alleen maar op zijn regionale bladzijden.

Volgens Harper voerde ook Clinton een Republikeins beleid en de media hebben dat nauwelijks bekritiseerd. “Les médias ne sont guère enclinés à mettre cela en question, pas plus que la chaîne NBC, dont General Electric, le premier industriel de l’armement, a le contrôle, n’est encliné à s’interroger sur la guère. Pour faire carrière dans le journalisme, on ne mord pas la main qui vous nourrit. On ne dit rien de grossier si on veut continuer à recevoir les invitations et être sûr qu’on accepte les communications quand on téléphone. Et on lie toujours l’opinion à une source précise: ces intellectuels dépendant des médias, ces légions d’experts, débatteurs, ceux dont les livres sont remarqués parce qu’ils portent la bonne nouvelle, en accord avec les vues dominantes: les fadaises d’un Samuel Huntington …”

De mechanismen van horigheid die Harper beschrijft werken ook buiten de VS. Ze helpen verklaren waarom massale Amerikaanse vredesdemonstraties eind oktober in de Belgische media weinig aandacht kregen. De Morgen van maandag 28 oktober wijdde er een achtste deel van zijn pagina 17 aan. De Standaard gaf op pagina 7 één foto (ter grootte ook van een achtste pagina) met daarbij vermeld dat er “in heel de wereld zaterdag betoogd werd tegen de Amerikaanse plannen om Irak aan te vallen.” In heel de wereld: niet alleen in de VS zoals De Morgen schreef, maar ook in Europese en Japanse steden. Al dat protest werd in De Standaard afgedaan in 5 lijntjes … Le Soir en La Dernière Heure van 28/10 maakten het nog bonter: ze brachten gewoon niets over de betogingen.

‘Het grote schaakbord’

Tot nog toe hadden we het over de Iraakse olie als inzet. Maar op de achtergrond spelen nog andere, zelden in de pers beschreven mechanismen mee.

Terwijl een deel van de Amerikaanse economische machthebbers (uit de niet-militaire sector) over het algemeen een vreedzame manier van plundering en uitbuiting verkiest – via bv. de economische maatregelen opgelegd door IMF, Wereldbank … – droomt een ander deel van het establishment van meer dan goedkope olie.

Marc Vandepitte beschreef één en ander in zijn artikel “Is de Derde Wereldoorlog begonnen ?” (Indymedia, 29 oktober). Hij begon met het ‘zwarte goud’ dat voor de V.S. van “vitaal belang is” (de V.S. verbruiken een kwart van de wereldolie), maar hij wees er ook op dat ‘de Amerikanen’ absoluut willen voorkomen dat er zich nog eens een tegenstander van het formaat van de Sovjet-Unie aandient. Vandaar allerlei pogingen om de Rusland te ondermijnen. Vandaar het langs alle kanten indammen van dé rivaal van de toekomst, China. China telt meer dan vier keer meer inwoners dan de VS en volgens sommigen zal de Chinese economie tegen 2030 de Amerikaanse bijbenen. Daarom waarschuwt de Amerikaanse staatssecretaris voor Defensie Wolfowitz, voor de “opkomende supermacht China”.

De VS bewandelen, volgens Mark Vandepitte, drie pistes om hun greep op het Euraziatische continent te versterken. Vooreerst worden her en der Amerikaanse basissen gevestigd. Waar nodig probeert men vazalregeringen te installeren. En de VS steunen afscheidingsbewegingen, rebellen en terroristen om al te sterke staten te ondermijnen. Concreet voorbeeld: het weekblad Solidair van 30/10 meldde dat de VS de Tsjetsjeense afscheidingsbeweging steunen en op termijn naar een splitsing van Rusland toewerken, in de vorm van een “open Russische confederatie, bestaande uit een Europees Rusland, een Siberische republiek en een republiek in het Verre Oosten”. De geciteerde woorden komen uit het boek ‘Het grote schaakbord’ van Zbigniew Brzezinski, voormalig adviseur van Reagan en Bush. Brzezinski is momenteel voorzitter van het Amerikaanse Comité voor Democratie in Tsjetsjenië …

Merken we nog op dat de ‘havikken’ binnen het establishment, in tijden van economische terugval – zoals nu – steun krijgen van de ‘duiven’ wanneer die hun winstmarges zien dalen én geloven dat er met beperkte militaire risico’s, meer uit de brand te slepen is.

De Belgische media over het conflict over Irak

‘Brussel’ kijkt met de bril van ‘Washington’

Wie de Irak-berichtgeving in de Belgische media overschouwt, merkt meteen dat ‘onze’ media grotendeels de agenda van de VS-regering volgen. De ‘berichtgeving’ gaat bijna alleen over de dreiging die er van het Irak van Saddam Hoessein zou uitgaan.

Het zijn ook heel vaak Amerikaanse (en Britse) ‘officials’ die we over de oorlogsdreiging te horen krijgen. Zij hebben het over de “bedreiging door Irak”, niet over de eigenlijke inzet, de olie. Van Iraakse zijde krijgen we zelden iemand uitgebreid te horen. Saddam Hoessein bv. heb ik de jongste maanden maar een paar keer horen spreken, één keer een lange saaie speech op CNN, en één keer in een historisch fragment in Panorama. Nu is de Iraakse president niet bepaald een taterwater, maar zijn welbespraakte ministers (waarvan Tarik Aziz de bekendste is), krijgen we ook zelden te horen. Wat blijft er van de journalistieke plicht om woord en wederwoord te geven?

Het is me ook bijgebleven hoe in een Vlaams televisiejournaal (was het op VTM of VRT?) een Iraaks minister die verklaarde dat de wapeninspecteurs weer welkom waren – een vredelievende mededeling dus – door de beeldmontage – een archiefbeeld van Saddam die een geweer afvuurt – onderuit gehaald werd.

Dat Irak zelf bedreigd wordt door zowel de economische boycot als door de Amerikaans/Britse luchtaanvallen, dat komt in ‘onze’ media bijna nooit aan bod.

Nochtans zijn alleen al de economische sancties tegen het land moordend. Volgens schattingen zouden al één tot anderhalf miljoen Irakezen aan de gevolgen van het embargo gestorven zijn. “De Iraakse bevolking is zo verpauperd dat 55 % van de bevolking onder de armoedegrens leeft. De kindersterfte is dramatisch” stelde Hans von Sponeck (in 1998-00 humanitair coördinator van de VN voor Irak).

Wanneer Europese politici van de linkerzijde, de nefaste uitwerking van het embargo aanklagen – door bv. Irak te bezoeken – maken ze zich meteen verdacht. Dan kunnen ze met hun verhaal bijna alleen terecht in publicaties zoals Solidair, Indymedia en Uitpers. Irak is immers het land van Saddam Hoessein en dat alleen al, lijkt voldoende om bij de meeste media elk medeleven met de bevolking van het land, in de kiem te smoren. Dus wordt een organisatie zoals ‘S.O.S. Irak’ haast nooit door de media vermeld. Dus krijgt de Belg haast nooit een reportage, laat staan een documentaire, te zien over het lijden van de Irakezen ook al werden daar de jongste jaren minstens een paar Belgische videoprogramma’s over gemaakt.

De Duitse graaf Hans von Sponeck stelde in dit verband: “Ten eerste moet erop gewezen worden dat het lijden en het trauma dat voortvloeit uit de verhevigde confrontatie tussen Irak en de VS/VK en het vooruitzicht op oorlog, voorbijgaat aan de politici en de media in Europa. Er zijn overweldigende bewijzen van de tol die deze ontwikkelingen én twaalf jaar economische sancties van de Iraakse bevolking heeft geëist. De impact daarvan zal nog lang worden gevoeld na opheffing van de sancties en het einde van het conflict rond Irak.” (bron: Uitpers)

Saddam moet onderdoen voor de ‘sniper’ van Washington

Onze mediabril mag dan al mee door de V.S. gefabriceerd worden, de ogen waarmee onze mediamadammen en -mijnheren kijken, zijn die van Europeanen die een stuk dichter dan de Amerikanen bij het Iraakse slagveld wonen. Europeanen die meer dan de Amerikanen een historisch besef hebben van wat oorlog kan aanrichten. Europeanen die andere economische belangen hebben dan de Amerikanen.

Dus worden de discussies in Washington over al dan niet Irak aanvallen, met argusogen gevolgd. Dus worden de pro’s en contra’s voor een oorlog afgewogen. “Saddam, Vaut-il une guerre? Le ‘pour’ et le ‘contre'” titelde het weekblad ‘Le Vif/L’Express’ (de Franstalige Knack) op 4 oktober, onder een coverfoto van een streng kijkende Saddam. Zusterblad Knack pakte het in zijn ‘pro & contra’-rubriek op 9 oktober op een soortgelijke manier aan, door onder de titel ‘Irak aanvallen’ een Ja- (Tony Blair) en een Neen-opinie (Anne Van Lancker) te brengen. Een nog hardere aanpak volgde in ‘Le Soir Junior’ dat op 15/10 twee pagina’s bracht met als grote titel: “Les raisons d’attaquer l’Irak” … In de tekst werden echter vraagtekens geplaatst bij de noodzaak van een aanval: men heeft het over Saddams vermoedelijke massavernietigingswapens maar men verzwijgt dat de dictator nog “slechts weinig vliegtuigen en geschikte kanonnen heeft om zulke wapens in te zetten. Amerikanen en Britten beschikken over veel meer zulk materiaal en kunnen dat van Irak makkelijk vernietigen” …

In de Britse ‘The Independent’ beschreef Rupert Cornwell Irak zo: “een geruïneerd en geïsoleerd land op 9.000 kilometer van de V.S.” Welke dreiging gaat daar van uit ? Gaf de brutale Saddam niet altijd blijk van een “afkeer van zelfopoffering”? “Als een bedreiging voor de ‘American way of life’ moet hij onderdoen voor de sluipschutter van Washington.” Even doordenken dus en het bozewolf-Saddam-sprookje zakt als een pudding in elkaar.

Toch blijven stokebranden zoals premier Verhofstadt begin oktober, ervoor waarschuwen dat “de Iraakse dictator over massavernietigingswapens beschikt”. En als Saddam die wapens nu toch nog niet heeft … Wel “de meeste geheime diensten én de wapeninspecteurs van de VN zijn het erover eens dat Irak de knowhow en de mensen heeft om ABC-wapens (atomaire, biologische en chemische wapens) te maken”, stelde Knack op 2/10. Dat men op basis van zo’n redenering zowat alle landen ter wereld moet inspecteren – te beginnen met bv. de agressieve atoommacht Israël én dé massa-fabrikant, de VS – wordt er bijna nooit bij gezegd. Behalve dan op de Duitse ARD, die ten tijde van de Duitse verkiezingen het aandurfde om in een montage Duitsland met al zijn wapentuig, als een gevaarlijk, te inspecteren land, voor te stellen.

Europa vreest chaos

Europa wil nu inspecties in Irak. Maar Europa – met Fransen en Duitsers op kop, Britten uitgezonderd – wil Irak niet aanvallen, al was het maar omdat het vreest voor een chaos in het Midden-Oosten waar het veel bij te verliezen heeft.

In Le Soir (21/10) stelde een Europees diplomaat: “Sans Saddam, le pays serait livré à la guerre civile. Beaucoup d’Irakiens vous le diront. En fait, cet homme, sanguinaire, tient la boutique en place. Les Américains feraient bien d’y songer, avant de plonger le pays et la région entière dans le chaos.”

Zelfde teneur in een dossier van Le Vif (4/10) dat als volgt besloot: “Gardons nous de croire que le feu et la foudre pourront, tel un remède miracle, guérir tous les maux de l’Irak. Qu’il suffit d’abattre le despote pour sauver le pays. A quoi bon une région affranchie de Saddam Hussein, mais livrée au vertige? La facture sera lourde; le chemin, tortueux et semé d’embûches.”

De Belgische media houden rekening met de voorzichtige Europese opstelling alsook met de opinie van hun lezers/kijkers. Een enquête van Le Soir wees midden september uit dat de Belgen geen oorlog willen. Voor een militaire interventie in Irak stemde slechts 25 % van de ondervraagden. 17 % had geen mening en 58 % was tegen oorlog.

Dat sommige zakenkringen er ook hier anders over denken bleek bv. in een uitzending begin oktober van zakenzender Kanaal Z, waarin (aldus een uitgeschreven verslag op Indymedia) in een vraaggesprek gespeculeerd werd over de voordelen voor het Westen (meer economische groei, stijgende aandelen …) van het in beslag nemen door de Amerikanen van de Iraakse oliebronnen. In kranten en VRT- en VTM-journaals hoor je soms dezelfde redenering bovenkomen.

Wat weten we nu over Irak ?

Een andere vaststelling – ik had het er al ironisch over in de inleiding – betreft de bijna totale afwezigheid van informatieve tv-programma’s of persartikels over Irak als land. Je zou verwachten dat nu er zoveel om Irak te doen is, Canvas bijvoorbeeld eens een historische reeks over Irak als bakermat van onze geschiedenis zou brengen. Of dat De Morgen of De Standaard in hun traditie van bijlagen over actuele thema’s een bijdrageserie over Irak zouden starten.

Al wat we in die richting in De Morgen vonden, was een focus van 1,5 p. over Irak op 24 oktober (onderdeel van een overzicht van 3 pagina’s van de landen in de Perzische Golf). Onder de titel “Geen toekomst voor Iraks generatie X” schreef Maarten Rabbaey dat “Irak vandaag uitsluitend in het nieuws komt met onheilsberichten over zijn leider Saddam Hoessein en diens vermoede massavernietigingswapens. Minder bekend is dat de grootste ‘vernietiging’ in Irak al plaatsvond, in het onderwijs. Volgens de VN is 40 % van de jongeren ouder dan 15 analfabeet. Die ‘generatie X’ is Saddams schild geworden. ‘Als het noodlot hem achterhaalt, zullen wij de prijs betalen’.”

Verder beschrijft Rabbaey hoe Iraks onderwijs ooit tot de meest geavanceerde van het Midden-Oosten en de Irakezen tot de meest geletterde mensen van de regio behoorden. “Iraks opgeleide klasse was één van de beste van de Arabische wereld.”

Volgens Rabbaey begon het onderwijssysteem af te brokkelen toen Saddams Baathpartij in 1968 de macht greep. Eerst gaf die partij nog veel geld aan onderwijs maar dan om de mensen te indoctrineren. In 1979 pleegde Saddam een staatsgreep en in 1981 mocht de jeugd gaan vechten tegen Iran. “De genadeslag kreeg het onderwijs na de Golfoorlog van 1991. De economische sancties laten humanitaire hulp toe, maar de scholen krijgen daar bijna niets van” stelt Rabbaey die niet meldt zoals Hans von Sponeck wel doet, dat “de humanitaire uitzondering op het embargo, het olie-voor-voedsel-programma, altijd over te weinig geld beschikte”.

De resultaten van het ineenstorten van het onderwijssysteem zijn er: massaal analfabetisme, stijgende jeugdcriminaliteit én een tekort aan allerlei beroepsmensen.

In zo’n situatie ziet Rabbaey een democratische omwenteling niet zitten en “met een buitenlandse interventie zal het rijk van Saddam niet plots tot het verleden behoren.” “De modale Irakees is vandaag niet meer gewonnen voor de val van Saddam” stelt sociologe Dalal al-Bizri. “De oorzaak ligt bij een cultuur van de tragiek, ondersteund door onze wetten, instituten en administratie, die de totale identificatie tussen onze leider en de natie, en zijn machtsbehoud en het overleven van de natie, propageert.” Rabbaey eindigt met de vrees dat Irak na Saddam verscheurd zal worden door een eindeloze burgeroorlog.

De Morgen drukte ook een portret af van “beul Udday”, Saddams oudste zoon. “Sinds een aanslag in 1996 op hem mislukte en hem half verlamd en impotent achterliet, zijn ‘s mans gewelddadigheid en wraakgevoelens alleen maar geëscaleerd.”

Dat de VS voor Udday niet in wreedheid moeten onderdoen, merken we in het artikel “Water als wapen.” Volgens de Amerikaanse professor Thomas J. Nagy, “hebben de V.S. de sancties tegen Irak opzettelijk gebruikt om de drinkwaterbevoorrading in het land in het gedrang te brengen, wetende dat burgers – vooral kinderen – het gelag zouden betalen.” Door de sancties mist Irak de chemicaliën en onderdelen van ontziltingsinstallaties om drinkwater te maken. Gevolg: “vier keer meer kinderen sterven aan aandoeningen, gerelateerd aan onzuiver drinkwater.”

In enkele korte berichten maakte De Morgen gewag van een dissidentie die herinneringen oproept aan de revolte in 1991 “toen 14 van de 18 provincies van het land snel door tegenstanders van Saddam werden ingenomen.”

Verder gaf De Morgen een kaart met de Koerdische en sjiitische regio’s en de no fly-zones die meer dan de helft van het land betreffen. In een kolom volgde een kort overzicht van Iraks geschiedenis.

Naast De Morgen was het Le Soir waarin we enkele artikels vonden over het leven van de Irakezen. Op 21 oktober titelde Le Soir op zijn cover: “Bagdad, les Irakiens se préparent à la guerre’. In het artikel lag de nadruk op hoe gewone mensen tegen de oorlog aankijken en hoe velen vastberaden zijn om het de Amerikaanse bezetters zo moeilijk mogelijk te maken.

S’anderendaags bracht Le Soir een groot artikel (p. 9) getiteld: “Les Irakiens survivent malgré l’embargo” (met daarnaast in een kadertje: “Les Belges restent les bienvenus à Bagdad”, mede dankzij de aanklacht in België tegen Sharon). In het artikel vernamen we hoe de Irakezen ‘overleven’. Het werd geschreven door Baudouin Loos, “envoyé spécial à Bagdad”. Een zeldzaamheid: een Belgisch journalist ter plekke! Ik herinner me verder alleen nog een ooggetuigeverslag van Paul Vanden Bavière in Solidair (18/09).

Loos stelde o.a. dat in Irak geen mensen van honger sterven want het olie-voor-voedsel programma laat de autoriteiten toe iedereen het strikt noodzakelijke te geven. Loos wees echter ook op de nieuwe kaste van rijken, “de clans sans scrupule”. En terwijl de Iraki’s wel genoeg eten hebben, sterven ze aan ziektes bij gebrek aan medicamenten. Op die manier doodt het embargo wel.

Een gedroomde schurk

Als we meestal niets over Irak zelf vernemen, wat krijgen we dan – behalve de over Irak vergaderende Westerse politici – wel te zien / te lezen / te horen als het om Irak gaat? Ik moet het u niet vertellen.

Een kind kan het merken en er verbaasd over staan. Maar al de volwassen medewerkers in onze media’business’ schijnen er geen acht op te slaan, hoe de beeldvorming over Irak grotendeels beperkt blijft tot die ene enigmatische figuur: de man die minstens een paar dubbelgangers rond lopen heeft zodat je nooit goed weet of je Hem wel ziet als je ‘een Saddam’ ziet.

In de ‘simpele zielen aanpak’ waarin de Amerikaanse president Bush zo geniaal is, is het Saddam en hij alleen die het onheil over Irak afroept. Saddam weg en we kunnen weer gerust slapen. Waarbij Bush even zijn ‘War on Terrorism’-kruistocht in de diepvries steekt want Al Qaeda raakt maar niet aan Saddam gelinkt. De twee staan qua ideologie ook lijnrecht tegenover elkaar (seculier versus islamfundamentalistisch).

Nu heeft Bush het wel makkelijk met een tegenstander zoals Saddam. De man is geknipt voor een schurkenrol. Hollywood-kijkend Amerika droomt zich de actiefilm al die het straks te zien krijgt over de strijd van ‘The good (Bush) & the Bad (Poetin?) against the Ugly (Saddam)’.

Saddam zelf heeft de iconografie rond zijn persoontje al aardig op gang gebracht door zich talloze keren te laten filmen, fotograferen én schilderen met een geweer in de handen. Beelden van een schietende Saddam kregen we op zowat alle zenders, in kranten en tijdschriften (zie o.a. Knack van 2/10, Le Vif van 4/10, Le Soir Junior van 15/10 en Le Soir van 21/10).

Bovendien deed Saddam voor de camera’s uitspraken over zaken waarover verstandiger collega’s zwijgen. Zo hoorden we hem in de op 12 oktober door Panorama uitgezonden BBC-documentaire “De provisiekast van Saddam”, de foltering van tegenstanders goedkeuren. Saddam liet zulke uitspraken ook volgen door daden. Zie hoe hij de binnenlandse oppositie aanpakte en duizenden Koerden over de kling joeg. Zelfs zijn eigen familie spaarde hij niet.

“De wereld waarin hij leeft: complotten, intriges, verraad en list. Als zijn twee dochters en schoonzoons in 1995 naar het Westen vluchten, weet hij ze met allerlei beloften terug te lokken. Zodra ze weer in zijn macht zijn, worden de twee schoonzoons afgemaakt.” “De wereld is een raadsel waarvan de sleutels altijd geweld en macht heten. Dat maakt hem gevaarlijk. Dat maakt alles gevaarlijk.” Aldus Misjoe Verleyen in het “portret van een schurk” dat Knack op 2/10 publiceerde en waarin ze “de schaakmeester in Bagdad” probeerde te doorgronden.

Saddam, vriend van het Westen

In Le Soir van 16/10 verwonderde Agnès Gorissen er zich in haar artikel “Saddam Hussein, entre Staline et Saladin”, over hoe “malgré ses excès, Saddam séduit depuis toujours les Arabes: la modernisation du pays et son programme de lutte (bien réelle) contre l’illetrisme les font rêver; et ils admirent cet homme qui tient tête aux Etats-Unis. Et les Occidentaux, intéressés par le pétrole irakien et le rempart que représente le régime baassiste face à l’Iran, l’ont soutenu militairement … jusqu’à l’invasion du Koweit, en 1990.”

Inderdaad: aan Saddams brutaliteit nam de ‘internationale gemeenschap’ lange tijd geen aanstoot. Hij was een nuttige dictator die veel geld spendeerde aan westerse wapens (inclusief Amerikaanse virussen en chemische wapens!) en die die wapens ook nog inzette tegen de voor Navo-lid Turkije vervelende Koerden en de fundamentalisten in Iran.

“Al wat men nu Saddam verwijt, werd in de jaren 1920 al gedaan door de Britten”, schreef Paul Vanden Bavière in een discussie over dit artikel, “met inbegrip van het gebruik van gifgassen tegen de sjiieten en Koerden die niets wilden weten van een nieuwe bezetter.”

Lokte Bush Sr. Saddam Koeweit in ?

Internationaal verknoeide Saddam – zo toonde een RTBF-L’Hebdo-reportage van 25/10 – zijn imago van grote Arabische leider door twee zware berekeningsfouten. Eerst was er zijn aanval in 1980 op het revolutionaire Khomeiny-Iran waarvan Saddam de weerstand compleet onderschatte. Het conflict leverde hem wel de steun én wapens van de VS op.

In 1990 volgde de annexatie van Koeweit, dat door de Irakezen gezien wordt als een deel van hun zuidelijke provincie Basra. Het ministaatje werd overigens pas in 1961 onafhankelijk, ten gevolge van Britse (olie-)bemoeienissen nadat drie jaar eerder (1958) in Irak een pro-Westers koninkrijk ten val was gebracht.

In 1990 wou Saddam het olierijke Koeweit terug én het leek erop dat de VS hem daarbij niet zouden hinderen. Ze lieten hem weten: “Regel uw zaken onder Arabieren”. Lokten de V.S. Saddam op die manier in een val die – men kan het vermoeden – toen door Bush Sr. opgezet werd ? Het vervolg is bekend: operatie ‘Desert Storm’, gevolgd door een decennium van economische sancties die Saddam niet, maar de Irakezen wel op de knieën kregen.

De RTBF-reportage toonde nog andere gevolgen van ‘Desert Storm’. De Golfoorlog gaf Bush Sr. de kans het sterkste Arabische leger uit te schakelen. Ook het door de V.S. tot opstand aangezette en daarna in de steek gelaten Koerdische en sjiietische verzet, werd verzwakt. (Wat doet denken aan het ghetto van Warschau waar Stalin de opstandelingen zich liet doodvechten omdat hij alleen baas wou worden over Polen.) Nog een gevolg van de militaire en economische uitschakeling van Irak, was dat Israël dé onbetwiste supermacht in de regio werd én dat de V.S. hun militaire aanwezigheid op een hoog niveau konden brengen. Redenen genoeg dus waarom de V.S.-regering de Golfoorlog misschien zelf uitlokte, net nadat de Sovjet-Unie verdwenen was als een factor die Irak toeliet een onafhankelijke evenwichtskoers te volgen.

‘Sympathieke grootmacht’

Terwijl de westerse media het niet alleen ideologisch maar ook omwille van hun populistisch en escapistisch niveau lastig hebben om de economische en militaire achtergrond van de strijd om Irak uiteen te zetten, valt het hen des te gemakkelijker om te focussen op de duivelse Saddam. Met zo’n dictator is het kinderspel om de propagandaregels toe te passen die Anne Morelli in haar boek “Principes élémentaires de propaganda” (01) uiteenzette.

Regel drie stelt: “Le chef du camp adverse a le visage du diable”. Of van Saddam … En tegen de duivel – tegen een “moordzuchtige tiran” (dixit George W. Bush), mag je je verdedigen. Dus is een Amerikaanse aanval op een Irak een “verdedigingsoorlog” (regel 1: niet wij willen de oorlog; regel 2: het is de schuld van de tegenpartij). Meer zelfs: het is een verdediging van heel het Westen. Gelukkig dat we de VS hebben, die ‘sympathieke grootmacht’ – om met Yves Desmet van De Morgen te spreken – om voor ons kastanjes én olie uit het vuur te halen.

Dat die ‘sympathieke grootmacht’ zelf als geen enkel ander land ter wereld massa’s dollars uitgeeft aan het ontwikkelen van steeds perfider atomaire, biologische, chemische en elektronische wapensystemen die vervolgens verspreid raken over heel de wereld, daar gaan de Belgische media in de grootst mogelijke onverschilligheid aan voorbij. Dat in sommige nieuwsbulletins op VRT en VTM over de mogelijke dreiging van Iraakse massavernietigingswapens, het woord ‘Irak’ moeiteloos vervangen kan worden door ‘VS’ of ‘Rusland’ of …, en dat dan ook het woord ‘misschien’ achterwege mag blijven, daar stellen journalisten zich geen vragen bij.

Journalisten kunnen ook moorden

In de Westerse/Belgische mediaberichtgeving over het conflict om Irak wordt de essentie (de Iraakse olie en het Amerikaanse machtsstreven) vaak verhuld. Het is begrijpelijk (Saddam deed vreselijke dingen) maar tegelijk voor de westerse belangen ook heel handig hoe de media focussen op een ‘duivelse’ president.

Het ‘eigen’ kamp, de militaristische Verenigde Staten (en Israël) blijven grotendeels van kritiek gespaard. Onze publieke opinie krijgt bijzonder weinig te zien van het menselijk leed dat in Irak aangericht wordt. Tijdens een nieuwe oorlog zal dat niet anders zijn. Herinner u hoe de media gedurende de eerste Golfoorlog buitengesloten werden; de V.S.-militairen hadden zogezegd hun lesje geleerd in Vietnam. En de westerse journalistiek met al zijn pretenties, liet zich ringeloren.

In feite maakt de Westerse journalistiek door zijn slaafsheid het mee mogelijk dat een vredelievende Westerse publieke opinie een Amerikaans/Britse aanval op Irak – zeker als die snel en zonder veel terugkerende lijkkisten zou verlopen – wellicht zal gedogen. Of hoe ook journalisten kunnen moorden. Sommige journalisten roepen er overigens regelrecht toe op …

Westers cynisme anno 02

De gevoelloosheid van een aantal Westerse ‘opinieleiders’ voor het leed van de bevolking van Irak én van hun eigen land, komt scherp tot uitdrukking in de geschriften van figuren zoals de Amerikaanse journalist Robert Kaplan en de Britse diplomaat Robert Cooper, adviseur van Tony Blair. Mensen bij wie “de gêne is weggevalllen” schreef Marc Vandepitte. “De politieke elite schaamt er zich niet langer voor om zichzelf imperialistisch te noemen. Integendeel.”

De inzichten van Cooper kregen we geprensenteerd in een artikel in Knack (9/10) over de huidige ‘drôle de guerre met Irak’. Het artikel droeg om onduidelijke redenen de titel ‘Het geweten aan de macht’. In het stuk van twee pagina’s slaagde Knack-man Hubert van Humbeeck er in om niets te schrijven over olie of economische belangen. Hij ging wel in op de theorie van Cooper die de wereld verdeelt in drie soorten landen: moderne staten (zoals Irak), de premoderne wereld met bv. Al Qaeda (gevaarlijk en onvoorspelbaar) en de postmoderne (de EU). De VS zijn volgens Cooper nog geen postmoderne staat. “Dat is gewoon een kwestie van macht: de VS is de sterkste militaire macht sinds het Romeinse Rijk.” Volgens Cooper moeten de VS en Europa samenwerken. Zij zijn “de bekwaamste twee eenheden in de wereld vandaag. (…) Ze zouden het raderwerk van een nieuwe wereld moeten vormen. Een voorbeeld voor alle anderen.” Tegelijk bepleit Cooper dat we in de strijd tegen de premoderne wereld “een dubbele standaard moeten hanteren; want in de jungle moeten de wetten van de jungle worden toegepast.”

Hetzelfde verhaaltje met minder franjes horen we bij de in de Belgische media vaak opgevoerde Robert Kaplan. In een interview in De Standaard van 23/10, naar aanleiding van zijn boek ‘Krijgspolitiek’ pleitte de man die soms door Bush Jr. geraadpleegd wordt, voor een ‘heidens ethos’.

“Onze samenleving is gebaseerd op joods-christelijke waarden maar om die te verdedigen moet een staatsman op het juiste moment zijn waarden even laten vallen.” Hij moet een heidens machtsethos hanteren met een joods-christelijk doel … Met andere woorden: het recht van de sterkste toepassen op al wie niet meewerkt. Ook op het Midden-Oosten, want dat reageert volgens Kaplan, die een Amerikaanse overval op Irak noodzakelijk acht, “alleen op intimidatie”.

Waar hebben we dit nog gehoord? Heeft het niet veel weg van de Groot-Inquisiteur (“de christelijke staatsman als Jezus-jager”) zoals die door Peter Sloterdijk beschreven werd in ‘Kritiek van de Cynische Rede’; of van Stalin of China’s ‘Bende van Vier’? Machthebbers die om hun ‘idealen’ (christendom, communisme) door te drukken zelf buiten die idealen moeten treden. Die des te sterker de onderdrukking (zie het ‘Arbeit macht frei’ van de nazi’s), des te steviger de vrijheidsretoriek in de hoofden inprenten. “Dat is precies het ideologische kenmerk van alle moderne conservatisme, in Oost én West” schreef Sloterdijk in 1983. “Alle gaan zij uit van een pessimistische antropologie die zegt dat het streven naar vrijheid niet meer dan een gevaarlijke illusie is.”

Geheel in die lijn stelt Kaplan dat Irak een “liberaal dictator” nodig heeft; iemand zoals de Pakistaanse president Musharraf “die in essentie waarschijnlijk democratischer denkt dan alle democratische politici de laatste twintig jaar in Pakistan.” “Een democratisch Irak op korte termijn zou waanzinnig zijn.”

Ondertussen zwijgt Kaplan zedig over de schaduwkanten van zijn liberale dictaturen. Hij zwijgt over de 40 miljoen analfabeten in de Verenigde Staten, om maar hen te vermelden. Een cijfer dat de al geciteerde Amerikaan Lewis Lapham in Le Soir vermeldde. Lapham pleitte voor een heel andere, menselijke aanpak. Hij vatte het zo samen: “Quand om bombarde l’Irak, on investit dans le passé. Construire des écoles où l’on apprend l’arabe, cela, ce serait investir dans l’avenir.”

Westerse ‘potemkin-democratiën’ ontmaskeren

Naast de cynische machtsdenkers die nu opgang maken, zijn er ook nog de schoothondjes-van-de-macht-journalisten zoals Hans Muys die in De Morgen van 30/10 schreef dat “wanneer er een crisis uitbreekt rond Irak, voor de inwoners alleen de rol van machteloze toeschouwers is weggelegd”.

Solidair dacht daar (ook op 30/10) totaal anders over. Het blad blokletterde: “Invasie Irak wordt moeilijke klus.” “Bevolking en leger zullen samen volkswijken verdedigen”. “Een militaire aanval op Irak zal van het hele Midden-Oosten één haard van verzet maken” voorspelt Pol De Vos. “En zoals tijdens de Vietnam-oorlog zullen de VS langzaam in het moeras wegzakken.”

Dat de Irakezen en hun Jordaanse, Iraanse en andere buren een langdurige Amerikaanse bezetting zomaar zullen dulden, lijkt inderdaad weinig waarschijnlijk. En wat kunnen wij in Europa doen, behalve betogen voor vrede?

Om te beginnen zouden we met wat meer ijver onze westerse ‘potemkin-democratieën kunnen ontmaskeren en aanpakken. Kijken we nog even naar het artikel in Knack van 30/10 waarin Marc Reynebeau schreef dat het “niet goed gaat met de Amerikaanse democratie”. Vervolgens gaf hij zelf aan hoe er in de Verenigde Staten nog nauwelijks democratie is. Eén: de media brengen nauwelijks interessante politieke informatie: “politieke ‘informatie’ blijft beperkt tot de TV-spotjes van de kandidaten.” Om die spotjes te betalen, prostitueren de politici zich voor de gulle schenkers die hun campagnes betalen: de farma- en militaire industrie, de wapenlobby maar bv. ook de corporatistische Amerikaanse vakbonden. En in Europa, zo meldde Knack op 30/10 ook, gaan we dezelfde weg op: de Europese Ronde Tafel van Industriëlen hoeft maar te bellen en de politici draven op. In zo’n context “doet gemiddeld de helft van de Amerikaanse bevolking niet eens meer de moeite om zelfs maar te gaan stemmen. Vooral armen en jongeren haken massaal af.” Waardoor de media nog minder aandacht aan politiek besteden en je een zichzelf voedende neerwaartse spiraal krijgt.

Om een besluit van Mark Vandepitte te parafraseren en uit te breiden: de progressieve krachten staan niet alleen voor de gigantische uitdaging om de ‘United States of Agression’ te stoppen, we moeten ook nog eens een democratisch en rechtvaardig alternatief ontwikkelen. We weten dus weer wat te doen de volgende dagen, maanden, jaren en eeuwen.

* Jan-Pieter Everaerts is uitgever van e-DIOGENE(S), wekelijks ezine voor media & democratie (gratis abonnement: mediadoc.diva@skynet.be)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 31 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook