Rwanda is in Congo om er te blijven

Als op donderdag de 6e maart de slag om Bunia uitbarst, met als resultaat dat het Oegandese leger de stad weer onder controle krijgt, dan is dat niet alleen een streep door de rekening van de UPC, de Union Patriottique Congolaise van Thomas Lubanga, die Bunia een tijd voordien veroverd had, maar vooral van Rwanda, dat van Lubanga zijn favoriete krijgsheer in het gebied gemaakt heeft.

Bunia is de grootste stad van de Ituri, de streek in het noordoosten van Congo, die nu al een half jaar de inzet is van verwoede gevechten tussen verscheidene rebellenbewegingen en milities. Met op de achtergrond de buurlanden Oeganda en Rwanda, die aan de touwtjes trekken, omdat ze allebei hun oog op de rijkdommen van de Ituri hebben laten vallen. Goud vooral, want wie Bunia zegt, denkt aan de mijnen van Kilo Moto.

Rwanda heeft, sinds de oorlog in Oost-Congo woedt, nooit iets te zoeken gehad in de Ituri. Volgens de logica van de strijdende partijen is dat gebied het wingewest van rebellengroepen die zich onder de vleugels van Oeganda geschaard hebben, of eenvoudigweg van enkele Oegandese generaals, die hun schamele soldij aanvullen met wat de uitvoer van Congolese mineralen ze opbrengt. Dat Rwanda tegenwoordig betrokken partij is in de Ituri, betekent dat het zijn gezag uit wil breiden tot buiten de grenzen van Noord- en Zuid-Kivu – respectievelijk rond de steden Goma en Bukavu -, waar het zich nu al zeven jaar genesteld heeft. Dat kan leiden tot een treffen op Congolees grondgebied tussen het Oegandese en het Rwandese leger, zoals we er al verscheidene meegemaakt hebben in Kisangani. De Ituri is m.a.w. het eerstvolgende kruitvat in Congo dat op ontploffen staat.

Wie een tijd in de buurt van Bunia vertoeft, krijgt er dagelijks te maken met de gevolgen van de oorlog. In het wat zuidwestelijker gelegen Beni en omgeving zie je ze elke dag op je afkomen. Tienduizenden vluchtelingen op de vlucht voor de moordpartijen van gewapende bendes, die zelfs kannibalisme niet schuwen. Mensen die alles wat ze in hun leven opgebouwd hebben, achtergelaten hebben, inclusief hun vertrouwen dat het ze ooit beter vergaat.

Alles wijst erop dat de oorlog in het Grote-Merengebied in een nieuwe fase terechtgekomen is. Officieel heeft Rwanda zijn soldaten teruggetrokken uit Congo, maar in de praktijk wil het er zijn overwicht bewaren, zelfs vergroten. De alliantie met Lubanga’s UPC, een militie die het losgeweekt heeft uit de Oegandese invloedssfeer, is daarvan een sprekend voorbeeld.

Er zijn er zo nog. In Noord-Kivu heeft Rwanda zijn conclusies getrokken uit de zwakte van de plaatselijke rebellenbeweging, de RCD, Rassemblement Congolais pour la Démocratie. Half oktober zijn de Rwandese militairen nog maar net Congo uit of de stad Uvira valt in handen van Congolese Maji Maji strijders. Aan zo’n bondgenoot kun je onmogelijk het bestuur toevertrouwen van een stuk Congolees grondgebied, dat Rwanda broodnodig heeft om te overleven.

Rwanda heeft daarom het geweer van schouder veranderd en stelt nu zijn vertrouwen in de gouverneur van Noord-Kivu. Mensen van de sociéte civile in Bukavu die de evoluties met argusogen volgen, vertellen je dat hij als het erop aankomt zo’n 35.000 manschappen kan mobiliseren. Een allegaartje van rebellen die zich van de RCD afgescheurd hebben, Maji Maji groepen die hun samenwerking met Kinshasa opgezegd hebben en Hutu die in Congo geboren en getogen zijn. Er maken ook Rwandezen deel uit van die merkwaardige coalitie: restanten van Interahamwegroepen, jongeren die in vluchtelingenkampen gerekruteerd zijn en Hutusoldaten uit het Rwandese leger die clandestien de grens overgestuurd zijn. Een onoverzichtelijk zootje bij elkaar, waarin je maar één lijn kunt trekken: de RCD als zodanig heeft een onvoldoende gekregen en is opzijgezet voor wie er voor Rwanda in het geweer wil komen.

Wat in Noord-Kivu op touw gezet is, kan een vervolg krijgen in de streek van Bukavu. Arsène Kirhero van de International Law Group maakt me die bedenking. Hij ziet hoe er ook daar een nieuwe gouverneur aangesteld is. Een die deel uitmaakt van de groep van 30 die een militaire rechtbank in Kinshasa in januari ter dood veroordeeld heeft voor hun aandeel in de moord op Laurent Kabila, de vader van de huidige president, Joseph. Alsof de Rwandezen met die benoeming een neus willen zetten naar wie er durft geloven dat het ze ernst is met de vrede.

De conclusies die de Congolezen uit dat alles trekken, doen ze je graag uit de doeken. Voor Rwanda, een land zonder grondstoffen, is het oosten van Congo van cruciaal belang. Economisch, omdat het met de opbrengst van wat het er plundert – coltan, diamanten, goud – de oorlog en zijn 75.000 man sterke leger financiert en voldoende overhoudt om te vergeten dat het zelf geen bodemrijkdommen heeft om te exploiteren, en dus nooit in staat is om met eigen inkomsten zijn begroting te spijzen. In het oosten van Congo – dat zien ze in Rwanda ook – ligt er grond braak, te wachten op boeren die aan hun lapje niet genoeg hebben om hun gezin te onderhouden. Historisch zijn er altijd migratiegolven geweest van Kinyarwandasprekers naar Congo. In de koloniale periode zelfs op een georganiseerde manier. Tenslotte zien de Congolezen met lede ogen hoe Rwanda het oosten van Congo als een gedroomde plek beschouwt om er een groot deel van zijn troepen te stationeren. De redenering die ze Rwanda toeschrijven, is simpel. Van elke drie Rwandese soldaten zijn er nu al twee Hutu. Die kun je beter in een buurland het vuile werk op laten knappen in plaats van ze dicht bij het centrum van de macht te houden en zo het risico te lopen dat ze op verkeerde ideeën komen.

Dat Rwanda met zo’n agressieve aanpak wegkomt, wekt verbazing. De Amerikaanse diplomatie oefent genoeg druk uit om een vredesakkoord over Congo ondertekend te krijgen –al denkt achteraf geen hond ook maar een minuut eraan om het in de praktijk te brengen -, en om Rwanda ertoe te bewegen om zijn troepenmacht officieel terug te trekken, maar laat het daarbij. President Kagame mag elke keer weer zijn gangen gaan. Dat hij daarmee het spookbeeld oproept van een definitieve afscheiding van Kivu, daarover maken de Amerikanen zich kennelijk geen kopzorgen. Nu ze overigens hun handen vol hebben met de oorlog in Irak, kun je van de Verenigde Staten niet verwachten dat ze in het Grote-Merengebied olie op de golven komen gieten.

Het genocidedividend dat Rwanda na de volkerenmoord van negen jaar geleden opgestreken heeft, is nog lang niet opgebruikt.

(Uitpers, nr. 41, 4de jg., april 2003)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 70 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Guy Poppe

Guy Poppe (74) is journalist. 31 jaar heeft hij op het radionieuws gewerkt, tot in 2007. Afrika heeft altijd zijn bijzondere aandacht gekregen.

zie ook